+ Meer informatie

“BARMEN”EN “LEUENBERG”

16 minuten leestijd

De boven dit artikel staande namen van een industriestad in het Ruhrgebied en van een conferentieoord in Zwitserland zullen de meesten onder ons min of meer vaag bekend voorkomen. Wie echter het zogenaamde “samen-op-weg-proces” enigszins geregeld volgt, die is deze namen tegengekomen in verband met een ontwerp voor de kerkorde voor de toekomstige SoW-kerk (van hervormden, gereformeerden en luthersen). Daarin wordt gezegd: “De kerk erkent de betekenis van de Konkordie van Leuenberg voor de samenbinding van de lutherse en gereformeerde traditie, alsmede die van de theologische Verklaring van Barmen voor het belijden in het heden”. Waarschijnlijk zal de laatsgenoemde Verklaring van Barmen bekender zijn dan de eerstgenoemde Konkordie van Leuenberg, ook al heeft juist de Konkordie in het recente verleden nogal commotie opgeroepen, wat doorgaans niet geruisloos geschiedt. De Verklaring van Barmen is immers van oudere datum - in mei is het zestig jaar geleden dat deze Verklaring werd aanvaard; zij had bovendien betrekking op de Duitse kerkstrijd, toen het in 1933 aan de macht gekomen nationaal-socialisme via de “Duitse christenen” ook de kerk probeerde in te schakelen. De Konkordie van Leuenberg is bijna veertig jaar jonger (maart 1973) en vindt haar oorsprong in de oecumenische beweging en haar doel in het overbruggen van de verschillen tussen luthersen en calvinisten; in het kader van het SoW-proces is deze Konkordie in ons land mee naar voren gekomen. Het feit dat deze beide geschritten in het genoemde ontwerp samen met de klassieke belijdenisgeschriften van de kerk van de Reformate in ons land worden vermeld, heeft voor’t eerst of opnieuw de aandacht erop gevestigd.

Verklaring van Barmen

Uiteraard ging aan de Verklaring van Barmen - ook Barmer Thesen genoemd - het een en ander vooraf. We herinneren aan de opkomst van het nationaal-socialisme dat ook kerkelijk veel weerklank vond bij de Deutsche Christen die de invoering van het leidersprincipe en van de ariërparagraaf in de kerk eisten d.w.z. een rijksbisschop en verwijdering van alle joodse elementen uit ambten, prediking, zelfs uit de Bijbel (Oude Testament). Het kerkelijk verzet daartegen leidde in 1934 op de “Bekenntnissynode” van Barmen tot de aanvaarding van de bedoelde Verklaring waarin in een zestal stellingen scherp positie wordt gekozen tegen de “dwalingen van de Duitse christenen die de kerk verwoesten en daarmee de eenheid van de Deutsche Evangelische Kirche verbreken”. Elke stelling wordt door één of meer Bijbelteksten voorafgegaan en gevolgd door een “Wij verwerpen de valse leer…”. Onder verwijzing naar Joh.14:6 en Joh. 10:1-9 luidt de eerste Stelling: “Jezus Christus, zoals Hij ons in de Heilige Schrift wordt betuigd, is het ene Woord van God, dat wij te horen, dat wij in leven en in sterven te vertrouwen en te gehoorzamen hebben”. Op deze these volgt dan de antithese: “Wij verwerpen de valse leer, als zou de kerk als bron van haar verkondiging behalve en naast dit ene Woord van God ook nog andere gebeurtenissen en machten, gestalten en waarheden als Gods openbaring kunnen en moeten erkennen”.

De overige Stellingen betreffen het leven (1 Cor. 1:30 - “verwerpen de valse leer als zouden er gebieden van ons leven zijn, waarop wij niet aan Jezus Christus, maar aan andere heren zouden toebehoren…”), de kerk (Ef. 4:15v. - “de valse leer als zou de kerk de vorm van haar boodschap en van haar kerkorde mogen overlaten aan haar eigen willekeur of aan de wisseling der overtuigingen, die in een bepaalde tijd inzake wereldbeschouwing of politiek leven”), de ambten (Matt. 20:25v. - “valse leer als zou de kerk zich… bijzondere leiders met bevoegdheid tot regeren, kunnen en mogen geven en laten geven”), de staat (1 Pt. 2:17 - “als zou de staat… de enige en totale ordening van net menselijk leven moeten en kunnen worden en zo ook de plaats en de taak van de kerk ovememen”, maar ook “als de kerk zich” een staatkundige positie “zou toeëigenen” waardoor zij “zelf tot een orgaan van de staat zou worden”) en tenslotte de opdracht, de prediking van de kerk: “De opdracht van de kerk waarin haar vrijheid rust, bestaat daarin dat zij in Christus’ plaats en dus in dienst van zijn eigen Woord en werk door prediking en sacrament de boodschap van vrije genade van God aan heel het volk overbrengt” (Matt. 29:20, 2 Tim. 2:9).

Met een oproep tot allen die met deze verklaring kunnen instemmen, om deze theologische uitspraken indachtig te zijn bij hun kerkpolitieke beslissingen, besluit de verklaring: Verbum Dei manet in aetemum, (Gods Woord blijft in eeuwigheid). Wanneer we denken aan wat er na Barmen gebeurde in Duitsland, dan schrijnt de leemte - gedachtig vooral de “ariërparagraat” - dat met geen woord over de joden en het jodendom wordt gesproken. In verband met het in het begin genoemde ontwerp is het goed erop te letten dat lutheranen en gereformeerden in Duitsland elkander niet zonder de druk van de omstandigheden in deze Verklaring hebben gevonden. Een veertig jaar later werd dit laatste aspect opnieuw aan de orde gesteld in de Konkordie van Leuenberg.

Konkordie van Leuenberg

Toen na de Tweede Wereldoorlog de oecumenische gedachte steeds meer veld won, kwamen uiteraard ook de verschillen tussen de lutherse en calvinistische tradities in het geding. Na enkele jaren van voorbesprekingen en ontwerpen werd op de Leuenberg bij Basel (12-16 maart 1973) de Konkordie reformatorischer Kirchen in Europa aanvaard en aan de kerken aangeboden, doorgaans Leuenberger Konkordie genoemd. In de Nederlandse vertaling is het woord Konkordie onvertaald gelaten: de Konkordie van Leuenberg. Met dit woord wordt bedoeld dat men over een aantal punten tot een “hartelijke overeenstemming” is gekomen, zonder direct een “confessie” te bedoelen, of in eigen bewoording “overeenstemming in het verstaan van het Evangelie” die tussen de kerken die deze ondertekenen, “Kirchengemeinschaft” fundeert.

Een groot aantal kerken, zelfs buiten Europa, hebben intussen deze Konkordie ondertekend; in Nederland waren dat de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch Lutherse Kerk - dezelfde kerken dus die via het eerder genoemde ontwerp voor de kerkorde “Kirchengemeinschaft” nastreven.

De Konkordie van Leuenberg is veel uitvoeriger dan de Barmer Thesen, ruim vier keer zo uitvoerig. Er wordt dan ook veel meer aan de orde gesteld. Na een tweetal punten ter inleiding wordt achtereenvolgens gesproken over:

I. De weg naar de gemeenschap;

II. Het gemeenschappelijk verstaan van het Evangelie;

III. De overeenstemming ten aanzien van de leerveroordelingen uit de tijd van de Reformate;

IV. Verklaring inzake de verwerkelijking van de kerkelijke gemeenschap.

Afgedacht van enkele onderverdelingen telt het totaal 49 punten (vergelijkbaar met wat men vroeger “artikelen” noemde). Binnen de beschikbare ruimte is het slechts mogelijk enkele momenten van dit stuk aan te geven.

De deelnemende kerken leiden hun kerkbegrip af uit de “reformatorische criteria” nl. dat de kerk alleen op Jezus Christus is gefundeerd en dat “voor de ware eenheid der Kerk” de overeenstemming “in de zuivere leer van het evangelie en de rechte bediening der sacramenten noodzakelijk en voldoende is” (2). De “vaderen der reformatie” konden terwille van hun geloof en geweten scheidingen niet vermijden “hoewel zij veel gemeenschappelijks hadden”, maar met deze Konkordie erkennen de deelnemende kerken dat “hun verhouding tot elkaar zich sinds de tijd van de reformatie gewijzigd heeft” (3-5). Ten aanzien van “het gemeenschappelijk verstaan van het evangelie” (II) wordt de aandacht gevestigd op “De boodschap der rechtvaardiging als de boodschap van de vrije genade van God” (6-12): “God roept door Zijn Woord in de Heilige Geest alle mensen tot bekering en geloof en belooft de zondaar die gelooft, zijn gerechtigheid in Jezus Christus. Wie op het evangelie vertrouwt, is om Christus’ wil gerechtvaardigd voor God en bevrijd van de aanklacht van de wet. Hij leeft in dagelijkse bekering en vernieuwing samen met de gemeente in lofprijzing van God en in dienst aan de ander, in de zekerheid dat God zijn heerschappij voleindigen zal. Zo bewerkt God nieuw leven en maakt midden in de wereld het begin van een nieuwe mensheid. (10). Men weet zich zo “te staan op de bodem van de oud-kerkelijke belijdenis” en aanvaardt “de gezamenlijke overtuiging van de reformatorische belijdenissen: dat het enige Heilsmiddelaarschap van Jezus Christus het centrum der Schrift is en dat de boodschap van de rechtvaardiging als de boodschap van Gods vrije genade de maatstaf van alle kerkelijke verkondiging is (12). Inzake “Verkondiging, doop en Avondmaal” wordt gesteld dat het evangelie ons “fundamenteel” wordt “betuigd door het Woord van de apostelen en de profeten in de Heilige Schrift” en dat “in de verkondiging, doop en Avondmaal Jezus Christus door de Heilige Geest tegenwoordig” is. “Zo krijgen de mensen deel aan de rechtvaardiging in Christus en zo vergadert de Heer zijn gemeente” (13). Wat de doop betreft “In de doop neemt Jezus Christus de mens, die aan zonde en dood vervallen is, onherroepelijk in zijn heilsgemeenschap op, opdat hij een nieuw schepsel zij” (14). En inzake het Avondmaal: “In het Avondmaal schenkt zich de opgestane Jezus Christus in zijn voor allen overgegeven lichaam en bloed door het Woord van zijn belofte met brood en wijn. Hij doet ons daardoor vergeving van zonden geworden en bevrijdt ons tot een nieuw leven uit geloof. Hij laat ons opnieuw ervaren dat wij leden van zijn lichaam zijn. Hij sterkt ons tot de dienst aan de mensen” (15). “Wanneer wij het Avondmaal vieren, verkondigen wij de dood van Christus, door Wie God de wereld met zichzelf verzoend heeft. Wij belijden de tegenwoordigheid van de opgestane Heer onder ons. In vreugde daarover dat de Heer tot ons gekomen is, wachten wij op zijn toekomst in heerlijkheid” (16).

Omdat de controverse tussen Luther en Calvijn vooral betrekking had op het Avondmaal, zijn de paragrafen daarover geheel geciteerd. Op deze formulering hebben de deelnemende kerken in Leuenberg elkaar gevonden en vandaaruit de “leerveroordelingen uit de tijd van de Reformatie” (III) nader bekeken. Immers sinds die tijd hebben de tegenstellingen tussen beide tradities kerkelijke gemeenschap onmogelijk gernaakt: “Wij nemen de beslissingen van de vaderen serieus, maar kunnen thans daarover gemeenschappelijk het volgende zeggen:” (17) en dan volgen enkele paragrafen over het Avondmaal (18-20), de Christologie (21-23) en de predestinatie (24-26).

Leerveroordelingen

In de eerste plaats gaat het dus over het Avondmaal. Na de reeds geciteerde openingszin (gelijk aan de eerste zin sub 15) wordt gesteld: “Zo geeft Hij zichzelf zonder reserve aan allen die brood en wijn ontvangen; het geloof ontvangt het Avondmaal ten heil, het ongeloof ten gerichte” (18). Voor wie naar de zgn. consubstantiatie vraagt: “De gemeenschap met Jezus Christus in zijn lichaam en bloed kunnen wij niet scheiden van de handeling van het eten en drinken. Een geïnteresseerd zijn in de wijze van tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal dat afziet van deze handeling, loopt het gevaar de zin van het Avondmaal te verduisteren” (19). De conclusie luidt dan: “Waar zodanige overeenstemming tussen kerken bestaat, raken de verwerpingen in de reformatorische belijdenissen de huidige stand van de leer van deze kerken niet meer” (20).

De tweede “leerveroordeling” die bij de “huidige stand van de leer” niet langer geaccepteerd kan worden, betreft de “Christologie”. Leuenberg zegt daarover: “In de ware mens Jezus Christus heeft zich de eeuwige Zoon en daarmee God zelf tot heil in de verloren mensheid begeven. In het woord van de belofte en het sacrament doet de Heilige Geest en daarmee God zelf Jezus als de Gekruisigde en Opgestane voor ons tegenwoordig worden” (21). In het geloof aan deze zelfovergave van God in zijn Zoon zien wij ons ten aanzien van de historische gebondenheid aan traditionele denkvormen voor de taak gesteld nieuw te doen uitkomen wat de gereformeerde traditie geleid heeft bij haar bijzondere interesse voor ongeschondenheid van de godheid en mensheid van Jezus en wat de lutherse traditie heeft geleid bij haar bijzondere interesse voor zijn volledige persoonseenheid” (22). De conclusie luidt dan: “Met het oog op deze stand van zaken kunnen we thans de vroegere verwerpingen niet meer onderschrijven” (23).

Tenslotte wordt als derde “leerveroordeling” gewezen op de predestinatie: “In het evangelie wordt de onvoorwaardelijke aanneming van de zondige mens door God beloofd. Wie daarop vertrouwt, mag zeker zijn van zijn heil en Gods verkiezing prijzen. Over de verkiezing kan daarom alleen gesproken worden met het oog op de roeping tot het heil in Christus” (24). “Het geloof doet weliswaar de ervaring op dat de heilsboodschap niet door allen wordt aanvaard, maar het eerbiedigt het geheim van Gods handelen. Het getuigt tegelijkertijd van de ernst van de menselijke beslissing alsook van de realiteit van de universele heilswil van God. Het getuigenis van de Schrift aangaande Christus belet ons om een eeuwig raadsbesluit van God tot uiteindelijke verwerping van bepaalde personen of van een volk te aanvaarden (25). “Waar zulk een overeenstemming tussen kerken bestaat”, aldus ook nu de conclusie, “betreffen de verwerpingen in de reformatorische belijdenissen niet de stand van de leer van deze kerken” (26).

Deze drie conclusies - “constateringen” genoemd - worden besloten door nog eens te concluderen dat de verwerpingen van de reformatorische belijdenissen” niet de “stand van de leer” - uiteraard heden ten dage - weergeven. Maar, wordt er meteen aan toegevoegd: “Daarmee worden de verwerpingen waartoe de vaderen besloten, niet als onjuist gekwalificeerd, maar ze zijn geen verhindering voor kerkelijke gemeenschap” (27). En de “verschillen in vormgeving van de eredienst, in de gestalten van vroomheid en in de kerkorden” - verschillen “die in de gemeenten vaak sterker worden gevoeld dan de traditionele ieerverschillen” - kunnen “overeenkomstig het Nieuwe Testament en de reformatorische criteria inzake kerkelijke gemeenschap” geen “kerkscheidende factoren” vormen (28).

Nadat op deze wijze belangrijke punten uit de confessie van de kerk van de Reformatie - niet het minst uit de Nederlandse belijdenisgeschriften - als achterhaald en dus niet meer ter zake - om zo te zeggen - “gedevalueerd” zo niet “gedeconfessionaliseerd” zijn, komt er een laatste hoofdstuk: “Verklaring inzake de verwerkelijking van de kerkelijke gemeenschap” (IV). Gesteld wordt dat de “kerkelijke gemeenschap in de zin van deze Konkordie betekent dat kerken met verschillend belijdenisbestand op grond van de verkregen overeenstemming inzake het verstaan van het evangelie elkaar gemeenschap in woord en sacrament toestaan en een zo groot mogelijke gemeenschappelijkheid in getuigenis en dienst aan de wereld nastreven” (29).

Konkordie - Confessie

Wie bij “verschillend belijdenisbestand” alsmede de geconstateerde “verkregen overeenstemming”, of anders gezegd: bij verschil in confessie samen met overeenstemming in Konkordie, zich afvraagt hoe een en ander “verwerkelijkt” gaat worden om tot “kerkelijke gemeenschap” te komen, resp. om die te beleven, zal uiteraard het genoemde laatste hoofdstuk raadplegen. In een van de twee onderdelen van dit hoofdstuk nl.de “Verklaring van kerkelijke gemeenschap” (IV.1), wordt daarover gezegd: “Met de instemming met de Konkordie verklaren de kerken in de binding aan de hen verplichtende belijdenissen en rekening houdend met hun tradities” (30): dat zij overeenstemmen in het verstaan van het evangelie zoals sub II en III is omschreven (32a) en dat de “leerveroordelingen” in die belijdenissen niet meer “de tegenwoordige stand van de leer” van deze kerken betreffen (32b) en dus staan ze elkaar kansel- en avondmaalsgemeenschap toe wat wederzijdse erkenning van “ordinatie” insluit en “intercelebratie” mogelijk maakt (33c). De “verwerkelijking van kerkelijke gemeenschap” wordt dan simpelweg “vastgesteld” met deze “constateringen”. En de “scheidingen” die sinds de 16e eeuw deze gemeenschap “in de weg staan” worden voor “opgeheven” verklaard. De “deelnemende kerken” hebben immers de “overtuiging dat zij gemeenschappelijk aan de ene kerk van Jezus Christus deelhebben en dat de Heer hen tot gemeenschappelijke dienst bevrijdt en verplicht” (34). In het tweede deel van dit hoofdstuk de “Verwerkelijking van de kerkelijke gemeenschap” (IV.2) wordt dan achtereenvolgens gehandeld over “Getuigenis en dienst”, “Voortgaande theologische arbeid”, “Organisatorische consequenties” en “Oecumenische aspecten” (35-49).

In het kader van “Confessie - Konkordie” is van belang dat wordt gesteld: “De Konkordie laat de verbindende geldigheid van de belijdenissen in de deelnemende kerken bestaan. Zij wil niet verstaan worden als een nieuwe belijdenis. Zij geeft een overeenstemming in het centrale weer die kerkelijke gemeen-schap tussen kerken met verschillend belijdenisbestand mogelijk maakt” (37). Maar blijvende bezinning is nodig op “de Ieerverschillen in en tussen de deelnemende kerken zonder als kerkscheidend te gelden” (39). Immers: “Op grond van hun gemeenschappelijke erfenis moeten de reformatorische kerken het eens worden over de tendensen van theologische polarisering die tegenwoordig aan de dag treden”. Erkend wordt dat “de problemen die daarmee verbonden zijn, voor een deel verder strekken dan de Ieerverschillen die vroeger de luthers-gereformeerde tegenstelling gemotiveerd hebben” (40). Wat dit alles betekent exact en concreet?

Staan confessie en Konkordie in een concurrerende verhouding tot elkaar? Zo is het wel gesteld, vooral wanneer gelet wordt op de stellingname ten opzichte van de zgn. “leerveroordelingen” in de confessie. Bij het tweede ontwerp voor de SoW-kerkorde is de Konkordie weliswaar deze concurrerende plaats kwijtgeraakt, maar daarmee is de aanvaarding door de drie participerende kerken niet ongedaan gemaakt. Hoe verhuld ook door een in zekere zin wollig en wolkig taalgebruik, opvallend is te noemen dat wel over “belijdenisbestand” e.d. wordt gesproken, maar dat geen confessie met name wordt genoemd, laat staan dat de “verwerpingen” concreet worden aangegeven. Nog opvallender is dat, terwijl “Barmen” nog een beroep op de Schrift doet, “Leuenberg” wel het “evangelie” noemt, alsook “(Heilige) Schrift” resp. “(Oude en) Nieuwe Testament”, maar deze overigens dicht laat en het woord geeft aan de “huidige stand van de leer”. Het “sola Scriptura” van de Reformatie lijkt niet of nauwelijks te bestaan. Smalend en smadend is wel eens gezegd dat de gereformeerde Reformatie eigenlijk bedoelt: “sola confessione Calvini”. Maar de Reformatie wilde niet anders dan God aan het woord laten in de confessie als akkoord van gemeenschap (dus niet: alle spreken over Boven komt van beneden, dat sluit in: God het woord ontzeggen om het zelf te nemen - een instelling die wortelt in het humanisme, eens een onderstroom ten tijde van de Reformatie, tegenwoordig veelzins een bovenstroom).

Wanneer de confessie in trouw aan Gods Woord ophoudt akkoord van geméénschap in de kerk te zijn - hoogstens nog een meter om de “stand van de leer” op te nemen, of een bijgewerkt of bij te werken ornament uit het kerkverleden - dan is in feite de gemeenschap verloren gegaan en de kerk een verzameling “benedenpraters” geworden, desgewenst in liturgisch resp. humanitair kader, in feite “concorderend” in: uit de mens, door de mens en tot de mens álle dingen!

De confessie blijve voor de kerk in binding aan Gods Woord: akkoord van gemeenschap, waarin onderling trouw bewézen èn verwácht mag worden, sámen luisterend naar en levend uit dat Woord van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.