+ Meer informatie

Stad heeft ook meihoekjes noc%

8 minuten leestijd

UTRECHT - Een stad leeft, wordt wel eens gezegd. Maar als de koele rekenmeesters het bij de inrichting voor het zeggen hadden, zou er van het natuurleven in de bebouwde kom al snel niets meer overblijven. Een kantoorgebouw brengt nu eenmaal meer geld op dan een grasveld met her en der wat boompjes. Om te voorkomen dat een stad verandert in een grijze betonmassa is er de stadsecoloog, die zorg draagt voor de flora en fauna in de stad. Want ook in hartje Utrecht moeten waterlelies bloeien en libellen hun rondjes draaien.

Mevrouw I. Massop, de Utrechtse stadsecoloog, studeerde biologie en werkte aan kortlopende projecten via een ingenieursbureau. Omdat ze ook wel eens wilde zien wat haar inspanningen na verloop van tijd opleverden, ging ze bij de gemeente werken. Ze is regelmatig in de Utrechtse wijken te vinden om er het groen te inspecteren.

Toen mevrouw Massop in 1987 aangesteld werd, kwam zij in een nieuw gecreëerde baan terecht. Een van de eerste dingen die onder haar leiding aangepakt werden, was de uitbanning van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen door de gemeente. Inmiddels is dat doel bereikt, via een keuze voor andere beplanting (rozenperkjes en sierheesters vervangen door gras), door het onkruid met de hand weg te schoffelen (wel een tamelijk dure oplossing) en door het uitgeven van perkjes aan buurtbewoners, die zo'n stukje groen adopteren en het schoon houden. Utrecht heeft zo'n tweehonderd "adoptanten", die gezamenlijk twaalf hectare groen onder hun hoede hebben.

Een belangrijke taak van de stadsecoloog is verder het adviseren bij de opstelling van bestemmingsplannen (Massop: „Daar is veel te halen"). De stadsecoloog is in dienst van de afdeling openluchtrecreatie en groenvoorziening, die weer onderdeel is van de dienst Openbare werken.

A chteraf in vullen

Tot voor kort kende Utrecht het fenomeen stadsecoloog dus nog niet, en dat was te merken. Massop: „In het verleden ging het nogal eens zo dat eerst de wegen, straten en huizen werden gepland. Wat overbleef was groen. Dat mocht achteraf ingevuld worden. Nu wordt er al in de planvorming aandacht aan besteed, omdat er naast de openluchtrecreatie-functie ook het ecologische aspect is. Onlangs is het stedebouwkundig plan voor de oostrand van Utrecht afgerond en daar ben ik veel bij betrokken geweest. Vooral in de laatste jaren is er in dit opzicht een kentering opgetreden. Dat wil niet zeggen dat de ecologische aspecten altijd zo gewaardeerd worden, omdat natuurlijk ook economische factoren een rol spelen. Verkeersbelangen bij voorbeeld: er moeten toch ook wegen komen. Dat soort belangen heb ik vaak tegen en dat zal altijd wel zo blijven. Een kantoor levert nu eenmaal meer op dan wat groen. Maar als je voor een kantoor kiest, zijn daar ook weer wegen bij nodig, parkeerruimte en ruimte voor kabels en leidingen. Het is belangrijk om de consequenties van een keuze te doorzien".

Ecologische vijvers

Aan de hand van het voorbeeld van de inrichting van de oostelijke rand van Utrecht, begrensd door de A-27 en de A-12, legt mevrouw Massop het belang van haar inbreng als ecoloog uit. Het is vooral noodzakelijk om bestaande aansluitingen op groengebieden binnen de stadsgrenzen in stand te houden, zodat de aanwezige dieren als het ware een poort hebben om de stad in en uit te gaan. Wanneer nu zo'n uitvalsmogelijkheid geblokkeerd wordt door woningbouw, heeft dat ecologisch vergaande gevolgen. Het gaat bij de totale hoeveelheid groen in een stad dus niet zozeer om de oppervlakte als wel om de ligging en de bereikbaarheid ervan voor dieren. De stadsrandzone levert veel planten en dieren (denk aan het Amelisweerd-gebied), die via bij voorbeeld de Utrechtse singels ver in de stad doordringen. Zo kan het gebeuren dat in de stad bossoorten voorkomen, zoals boomklevers en boomkruipers, die je daar niet snel zou verwachten.

Een ander voorbeeld van ecologisch verantwoorde inrichting van het stadsgroengebied is de aanleg van twee vijvers langs de pas verdubbelde NS-spoorlijn naar Amersfoort. Toen het talud van de spoordijk verbreed moest worden, zag de afdeling openbare werken zijn kans schoon en stelde een herinrichtingsplan op. Een gedeelte van de aanwezige grasvelden en bomen zou moeten verdwijnen om de aanleg van twee zogenaamde "ecologische vijvers" mogelijk te maken.

Ecologisch, omdat ook deze vijvers een duidelijke functie hebben als doorgangsroute voor de flora en fauna die Utrecht omringen. De langgerekte vijvers vormen een aansluiting op het veengebied en de moerasbossen aan de oostkant van Utrecht. Mevrouw Massop: „Het is een heel waterrijk gebied, van goede kwaliteit. Vanuit de Utrechtse Heuvelrug welt namelijk voortdurend water op dat honderden jaren geleden in dat zandlichaam geïnfiltreerd werd. Met de vijvers willen we proberen de waterplanten en de dieren die daar leven wat verder de stad in te krijgen. We hopen op libellen en vlinders, dat zijn ook soorten die nogal aanslaan bij de mensen. De vijvers zijn zo gemaakt, dat ze niet dicht zullen kunnen groeien. Maar de oevers zijn voor een deel glooiend, zodat er een geleidelijke overgang is van droog naar nat. De plantengroei die dan ontstaat, is weer aantrekkelijk voor vlinders en libellen. Als we die laatste inderdaad gaan zien, is dat een indicatie dat ons natuurbeheer geslaagd is, want de libel is tamelijk kieskeurig".

Muggen

De bewoners in de aangrenzende wijk hadden nogal wat bezwaren tegen de aanleg van de vijvers. Men vreesde voor zomerse muggenplagen en een verhoging van de geluidsoverlast van het voorbijkomende treinverkeer. Vooral de oecumenische werkgroep "Heelheid van de schepping", uitgaand van de Johannesgemeente en de Emmausparochie in de wijk Overvecht, zag zich geplaatst voor onoverkomelijke problemen. Het speelgebied voor de jeugd zou afnemen en het bestaande evenwicht tussen de groenvoorziening en de aanwezige dieren zou verloren gaan. De dienst openbare werken wist echter alle bezwaren te ontzenuwen.

In het voorjaar van 1992 kunnen de eerste zaden de grond in, want de natuur moet wel een handje geholpen worden. Overigens is het een van de prioriteiten van mevrouw Massop en haar collega's om meer „natte plekken" in de stad te creëren, omdat uit onderzoek is gebleken dat Utrecht in dat opzicht onderbedeeld is.

Droogteprobléem

Een verschijnsel dat zich in alle steden voordoet, is verdroging. Massop: „Je merkt het als je de stad in komt; de lucht is er droger. Doordat een groot deel van het bodemoppervlak in de stad bebouwd is, verdwijnt het meeste regenwater via de dakgoten het riool in en komt dus niet in de bodem terecht. Het is ten eerste niet goed voor de planten en ten tweede heeft ook het riool er last van, vanwege de grote hoeveelheid water die erdoorheen moet. Via het zogenaamde "afkoppelen" van daken, waarbij het regenwater apart opgevangen wordt en vervolgens op het oppervlaktewater geloosd, kan de verdroging tegengegaan worden. Een positieve kant aan de verdroging is dat je ook rotsachtige planten tegenkomt in de stad. Maar over het algemeen is het minder plezierig voor het klimaat. De bomen in de stad laten in de herfst bij voorbeeld eerder hun bladeren vallen".

Toen begin jaren tachtig (vóór Massops tijd) de Utrechtse kademuren gerestaureerd werden, kwam de werkgroep "Behoud Leefbaarheid Binnenstad" er nog net op tijd achter dat een groot gedeelte van de begroeiing van de grachtmuren hierdoor verloren dreigde te gaan. Speciaal voor die bijzondere plantjes is toen in plaats van het gangbare cement een ouderwets mengsel van kalk en zand gebruikt, dat door zijn zachtheid onder andere de karakteristieke lichte bolling van de kademuren veroorzaakt.

In dat cement konden de aanwezige planten zich wel handhaven en daarmee was een belangrijk stukje natuur gered. Hele stukken muur die zwaar begroeid waren, werden in hun geheel opzij gezet om later weer ingemetseld te worden. Zo werd een fraai stukje natuur bewaard door een op zich eenvoudige ingreep. Massop: „Heel vaak zijn dingen zo simpel. Een ander voorbeeld daarvan is het project "Kijk je wijk", waarin mensen gestimuleerd werden stoeptuintjes aan te leggen. Door een kleine wijziging ziet een straat er dan een stuk mooier uit. Je hoeft er niet allerlei bijzondere vogels en insecten te verwachten, maar wel mussen en spreeuwen en in de winter misschien wel kramsvogels die op weg zijn naar hun overwinteringsgebied".

De stoeptuintjes mogen maximaal een stoeptegel breed zijn en de gemeente leverde tijdens een projectweek twee jaar geleden zelf de benodigde beplanting. Momenteel loopt in een van de Utrechtse wijken opnieuw een dergelijk project.

Kinderen

Als stadsecoloog vindt mevrouw Massop het van belang dat mensen in een prettig leefbare stad kunnen wonen. „Ik zoek niet alleen naar wat ecologisch van belang is, maar ook naar wat het prettig maakt in een wijk te wonen. Je moet je realiseren dat veel mensen hun wijk nauwelijk uit komen. Mensen die niet zo mobiel zijn, moeten ook in de directe omgeving kunnen recreëren. Ik was dit voorjaar in Parijs, in een enorme kantorenwijk. Er was wel wat groen, maar dat was heel erg strak aangelegd. Het kwam allemaal heel doods over. Er waren wel kinderen aan het spelen, maar op de stenen. Daar zou ik niet willen wonen. Een stad heeft ook rommelhoekjes nodig, vooral voor kinderen ook. Waar alles niet zo precies hoeft en geordend is. Mensen moeten een beetje de ruimte hebben om zich te kunnen bewegen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.