+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

6 minuten leestijd

9.

Het voornemen van Barmhartigheid een klacht in te dienen bij het ontmoeten van de portier, over de schrikaanjagende hond, vond bijval bij de jeugdige pelgrimsreizigers. „Doe dat”, zeiden de kinderen, „en vraag de Heer van deze poort dan of hij dat dier wil ophangen; want wij zijn bang, dat het ons anders zal bijten als wij van hier gaan”.

Hoewel een hond zeer nuttig kan zijn, zo kon toch niet één van de reizigers met enige waardering spreken over de hond bij de poort. Bij het komen tot de poort en het verlaten van de poort was hij voor allen een ergernis.

Maar bij het spreken over de hond bemerken we iets goeds vanuit het hart der kinderen. Het bezwaar tegen de hond stond in verband met een weldoordacht plan. Vanuit het reisplan, dat aanvaard was, hielden zij het doel van de reis goed voor ogen, het komen in de Hemelstad. Zodat zij in het poorthuis niet konden blijven, hoe goed zij het hier ook hadden. Zij moesten verder trekken en dan zouden zij bij het verlaten van de poort weer komen in het gevaar van de hond.

Eindelijk kwam de Heere weder tot hen en Barmhartigheid viel voor Hem ter aarde en aanbad Hem, zeggende: „De Heere neme aan het offer der dankzegging, dat ik Hem breng”. En Hij zeide tot haar: „Vrede zij u, sta op! „ Maar zij ging voort, terwijl zij op de grond geknield lag, en zeide: „Gij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere, wanneer ik tegen U zou twisten, ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken”.

Barmhartigheid weet het, al zou zij over het bestaan van deze boze hond met de Heere twisten, dat Hij rechtvaardig bevonden zou worden. Het ging dus bij haar niet om enig onrecht in de Heere. Zij weet het, dat Zijn doen majesteit en heerlijkheid is. Als zij dan zegt: „Ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken”, gaat het bij haar om Zijn antwoord op deze vraag: „Wat is de reden, dat hier op Uw grond zulk een geweldige hond zich bevindt, waarvoor vrouwen en kinderen van deze poort zouden wegvlieden?”

In de grond der zaak is het Barmhartigheid hier te doen om Goddelijk onderwijs. Naar haar oordeel en naar dat van anderen moest die ondeugende hond hier door de Heere niet geduld worden in het belang van de reizigers naar Sion.

Hij antwoordde nu en zeide tot haar en tot allen, die Zijn onderwijs daarin nodig hebben: „Deze hond heeft een andere eigenaar, en wordt door deze ook op zijn erf gehouden, doch de pelgrims horen alleen zijn geblaf. Hij behoort op het kasteel, dat gij daar ginds ziet, maar hij kan vlak bij de muren komen, die deze plaats omgeven. Inderdaad heeft hij reeds menig oprechte pelgrim door zijn geblaf in het nauw gebracht. Doch zijn eigenaar houdt hem niet uit liefde tot Mij en de Mijnen, maar wél om de pelgrims te beletten tot Mij te komen, door hen af te schrikken van het kloppen aan deze poort. Enkele malen is die hond dan ook wel eens losgebroken en heeft aan sommigen Mijner vrienden veel last berokkend, doch dat maakt Mij niet ongerust, want Ik kom Mijn pelgrims tijdig te hulp, zodat hij niet in staat is hun zoveel leed te doen als hij naar zijn woeste aard wel zou wensen”. Uit dit Goddelijk onderwijs blijkt ons, dat alle dienaren van satan in de grond der zaak als boze honden staan tegenover de oprechten en niet tegenover de burgers van de stad Verderf. Maar eenmaal zullen al de burgers, die in deze stad sterven, eeuwig door hem gepijnigd worden in de buitenste duisternis.

„Maar hoe”, zo sprak hij verder tot Barmhartigheid, „hebt gij zo weinig ondervinding, dat gij u zo laat opschrikken door een hond? Zelfs de bedelaars aan de weg zullen zich liever blootstellen aan het blaffen, grommen, ja mogelijk aan het bijten van een hond dan een aalmoes te moeten missen. En zou dan een hond, een hond op het erf van een ander, een hond, wiens geblaf Ik dienstbaar maak aan het welzijn van pelgrims, iemand beletten tot Mij te komen? Ik verlos hen uit de leeuwenkuil en Mijn eenzamen van het geweld des honds”.

Wat dunkt u, is dat geen heerlijk onderwijs voor pelgrims, die met de vragen van het hart en de raadsels van hun leven komen tot de Heere.

Barmhartigheid geloofde het wel, dat de Heere rechtvaardig is in al Zijn handelingen, maar door het ontvangen onderwijs kan zij dat nu verdedigen. De Heere wil boze honden gebruiken om ons te oefenen in het geloof, dat zoekt te schuilen onder de schaduw van Zijn vleugelen.

Nu zei Barmhartigheid: „Ik sprak in mijn onwetendheid, en nu moet ik bekennen, dat Gij alle dingen wel hebt gemaakt”.

Van de Heere heeft zij het geleerd te bidden, te zoeken en te kloppen. Al biddende heeft zij genade ontvangen om de stad van haar geboorte te verlaten. Al zoekende en zuchtende heeft zij de enge poort gevonden. En al kloppend zo hard als maar mogelijk was, is de poort haar geopend om binnen geleid te worden. Een drievoudig snoer van Gods liefde door Christus, waarmee haar hart in het uurtje der minne werd omstrengeld. En vanuit die liefde heeft zij zich aan het drievoudig snoer krampachtig vast mogen houden. Vanuit de overdenkingen van het ongeloof werd het haar gedurig toegeroepen terug te keren naar de stad, die zij kwam te verlaten. Maar zij mocht tot roem van Gods genade, door al die bestrijdingen heen, volharden in het zoeken van de Heere, en zie, het werd bekroond.

Daarop begon Christinne van hun reis te spreken en naar de weg te vragen. Toen bereidde Hij hun een middagmaal, en wies hun voeten, en richtte hun schreden in het rechte spoor, zoals Hij tevoren met de Pelgrim had gedaan.

Duidelijk is het ons, dat de Heere Zijn zorgende, onderwijzende en trekkende liefde uitstrekt over Zijn pelgrims, die het aangezicht kwamen te keren naar Sion. En het doet niet ter zake of zij oud of jong, zwak of sterk zijn, want in de Heere zijn zij allen één van hart en zin. Gelijk als Mefibóseth mochten zij allen eten aan des Konings tafel.

Ik zag toen in mijn droom, schrijft de man, die door Gods Geest verlicht dromen mocht dromen, rakende het geestelijke leven, dat zij, terwijl het weer zeer gunstig was, hun tocht vervolgden.

Het nieuwe leven van Gods genade wil verder, streeft naar het door Hem vastgestelde doel, het jaagt naar de volmaaktheid.

Dan zit men niet vast op een bepaalde bevinding of op een droggrond van gemoedelijkheden. Een gezond geestelijk leven verlangt te vervolgen in het kennen van de Heere.

Toen hief Christinne het volgende lied aan:


Gezegend zal de dag mij heten,
Toen ’k eerst ter pelgrimsreize toog,
Gezegend eveneens moog’ wezen
De man, die daartoe mij bewoog.


Eer ik ging zoeken ’t eeuwig leven,
Heb ’k lang gewacht; ’k erken het, maar
Nu haast ik ook, versnel mijn schreden,
’t Is beter laat dan nooit, voorwaar,


Voor tranen vreugd, voor vrees geloven,
Zo wordt het; wij aanschouwen ’t al,
Zo toont ’t begin - naar het oude spreekwoord
Wat straks het einde wezen zal.


Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.