+ Meer informatie

BEROEPINGSWERK

8 minuten leestijd

De Kerkorde bevat enkele bepalingen die voor het beroepingswerk van grote betekenis zijn. Men vindt deze in het begin van de Kerkorde. In artikel 4 wordt de toelating tot het ambt van een dienaar des Woords geregeld. Hier is sprake van het beroep dat op een kandidaat wordt uitgebracht. Die kandidaat kan bij ons beroepbaar verklaard zijn door de classis of door het curatorium. In het eerste geval gaat het om een man met singuliere gaven, zoals deze in artikel 8 van de Kerkorde worden genoemd en omschreven. In het tweede geval gaat het om iemand die langs de gewone weg van de studie tot het ambt is gekomen.

Er liggen hier geen bijzondere moeilijkheden die een bespreking zouden vergen. Misschien is het alleen goed om te wijzen op wat onze Kerkorde in zulk een geval bepaalt, dat niemand mag worden beroepen, „die niet vooraf door het curatorium van de Theologische Hogeschool of volgens artikel 8 K.O. beroepbaar is gesteld”.

Men doet er goed aan om de hele procedure van de beroepbaarstelling in acht te nemen. Een wezenlijk element daarin is het examen of onderzoek, dat aan het einde van de studie plaats vindt. De uitslag van dit examen dient te worden afgewacht voordat de procedure van het beroepen in werking wordt gesteld. In vroeger tijden gebeurde het wel, dat tijdens de uitslag van het examen in de officiële bijeenkomst van het college van hoogleraren met het curatorium, officiële afgevaardigden van een kerkeraad bij het aanbieden van gelukwensen als bij toverslag een beroepsbrief voorde kandidaat te voorschijn haalden en aan de betrokkene overhandigden. Wie over zulk een gang van zaken zijn gedachten laat gaan stuit op enkele vragen. Hoe zou de kerkeraadsdeputatie gehandeld hebben, wanneer de betrokken kandidaat voor zijn examen zou zijn gezakt, hetgeen toch niet onmogelijk moet worden geacht. Waar zou dan die beroepsbrief met officiële handtekeningen van de kerkeraad en van de consulent zijn gebleven? En hoe zou men in zulk een geval moeten denken over het aanroepen van de Naam des Heren, waarvan in een ordentelijke beroepsbrief sprake is? Heeft men in zijn gebeden te voren in de gemeente alles in de eventualis gesteld, d.w.z. heeft men zó gebeden, dat men een zegen vroeg voor het geval dat de kandidaat mocht slagen? Wie wat dieper over deze dingen nadenkt zal gelukkig zijn wanneer hij constateert dat deze dingen vandaag niet meer voorkomen. Het is de vraag, of het gedrang om sommige kandidaten altijd een goed teken is. De profeet zegt: wie geloven haasten niet. Dit is niet een woord dat traagheid wil bevorderen, maar het wil in ieder geval ook geen overmatige en ongelovige haast aanmoedigen.

Het is recht en billijk, dat in het geval van de beroepbaarstelling de gewone procedure wordt gevolgd. Dit betekent, dat de namen van de kandidaten aan de gemeente worden bekend gemaakt. In de concept-regeling voor de verkiezing en beroeping van dienaren des Woords lezen we dat de namen van de op de nominatie gestelde personen een en andermaal door afkondiging in de kerkdienst ter kennis van de gemeente gebracht behoren te worden. Dit één en andermaal wil, naar de bedoeling van de Kerkorde zeggen: op twee achtereenvolgende zondagen. De bedoeling is immers geen andere, dan dat de gemeente op een behoorlijke wijze ervan kennis kan nemen. Zou men de tekst formeel lezen, dan zou men immers zo ver kunnen gaan, dat de namen b.v. voor en na de dienst worden gelezen, zodat de hele procedure op dezelfde zondag nog zou kunnen worden afgewerkt. Maar dit is in strijd met de bedoelingen van de Kerkorde, die immers de gemeente wil inschakelen.

De uitdrukking van dit concept geeft aanleiding tot een opmerking over een gebruik dat in onze kerken steeds meer ingang heeft gevonden. Er was sprake van de namen van de op de nominatie gestelde personen, in het meervoud. De z.g. enkelvoudige kandidaatstelling komt in onze Kerkorde niet voor. Wèl kan een kerkeraad „per acclama-tie” beroepen. Maar dit laatste is werkelijk iets anders dan de z.g. enkelvoudige kandidaatstelling.

Een beroep dat bij acclamatie wordt uitgebracht is uitdrukking van het feit dat de kandidaat of de te beroepen predikant unaniem door de gehele gemeente wordt begeerd. Men juicht het toe, zonder dat er andere geluiden gehoord worden. Zó geschiedde het in de vroege kerk wel, dat letterlijk de gemeente als één man riep in een spreekkoor: wij begeren die en die. Daarvandaan komt ook de uitdrukking „acclamatie”, door toejuiching met algemene stemmen aannemen, zonder hoofdelijke stemming aanvaarden.

Wanneer een kerkeraad de overtuiging heeft dat een bepaalde predikant door de gehele gemeente begeerd wordt, dan ligt de weg van een beroep per acclamatie open. Maar ieder begrijpt dat dit niet een formele kwestie kan zijn. Het lijkt wel dat een beroep „bij enkelvoudige kandidaatstelling” een wat afgezwakte vorm van een acclamatie-beroep is. Alleen heeft men nu niet te maken met een unanieme stemming, maar pleegt men in de regel genoegen te nemen met een van te voren vastgesteld percentage van de stemmen, dat door de kandidaat „gehaald” moet worden. „Haalt” hij dat niet, dan gaat in de meeste gevallen een beroep bij enkelvoudige kandidaatstelling niet door. Men hoort vrij algemeen een percentage van 70 of 75 procent van het totaal noemen. En dit lijkt dan ook wel redelijk.

Maar nu de zaak op zichzelf. Men bedient zich soms van minder deugdelijke argumenten, wanneer deze methode in het beroepingswerk wordt gevolgd. Dikwijls wordt als argument aangevoerd, dat men een kandidaat die eenmaal op een tweetal heeft gestaan en „daar afgevallen is” (men bedoelt: niet gekozen is), niet weer opnieuw op een tweetal kan plaatsen. Men zegt dan, dat men die broeder nu kwijt is. Hij komt niet meer in aanmerking om opnieuw op een tweetal geplaatst te worden. Hij zou dan toch niet komen: een dominee gaat niet naar een gemeente, die eerst een ander verkoos. Maar ieder die er aan denkt wat het beroepingswerk in werkelijkheid is, zal tegen deze redenering ernstige bezwaren kunnen inbrengen. Dient het beroepingswerk om de hoogmoed van predikanten te strelen? Indien de Here zegt: ga, dan dient men te gaan. En het is natuurlijk wel interessant om te weten hoe veel mensen hun stem uitbrachten op een kandidaat, maar in feite doet het er weinig toe. Daarom kan men voor deze argumentatie niet erg warm lopen.

Een ander argument dat de kerkeraad beweegt om tot enkelvoudige kandidaatstelling over te gaan, staat in verband met het voorgaande; wat oneerbiedig gezegd, komt het er op neer dat men op deze wijze niet zo veel kandidaten „verspeelt”. Maar wie het met het voorgaande eens kan zijn, zal weinig verbeelding nodig hebben om dit argument ook al niet zo heel geweldig te vinden.

Bovendien loopt men gevaar om op deze manier een wezenlijk grondrecht van de gemeente uit het oog te verliezen. De vrije keuze van de gemeente wordt erg belemmerd, wanneer de enkelvoudige kandidaatstelling regel wordt. Daar komt nog bij, dat men hier en daar deze vorm van enkelvoudige kandidaatstelling ook reeds gaat toepassen bij de kandidaatstelling voor ouderlingen en diakenen. Juist hier zal men voorzichtig moeten zijn en niet al te spoedig moeten zeggen, dat er in een gemeente geen geschikte kandidaten voor het ambt zijn. Juist hier kan het een vorm van heersen over een gemeente worden, wanneer men de weg van de enkelvoudige kandidaatstelling kiest. De verhoudingen zijn soms kleiner en daardoor ook veel gevoeliger. Het is en het blijft het meest in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoeling van het gereformeerde kerkrecht, zoals ons dit uit de beginselen der reformatoren bekend is, dat we de gemeente in staat stellen om te kiezen.

Wie nu in het licht van het bovenstaande de vraag overweegt, of er sprake kan en mag zijn van voorafgaand overleg in het beroepingswerk, zal verstaan hoe voorzichtigheid hier geboden is. Wij kennen niet de gewoonte van een toezegging van beroep. Men geeft dan aan een bepaald persoon de belofte dat hij daar en daar beroepen zal worden. Een kerkeraad die het beroepingswerk serieus neemt, en het met ernst en biddend behartigt, zal zeker informeren naar geschikte kandidaten. In zulk een informatieve periode zal ook een gesprek met een eventuele kandidaat zeker ingebouwd kunnen worden. Maar men zij hier zeer voorzichtig. Nooit mogen wij vergeten, dat men in oprechtheid moet kunnen blijven bidden om de leiding van de Heilige Geest. En dat brengt met zich mee, dat men niet vast alle wegen uitstippelt, zodat de Geest geen andere weg kan gaan dan die wij hebben bedacht. Men mag een predikant ook niet in verzoeking brengen, door hem een beroep in het vooruitzicht te stellen, terwijl het er in werkelijkheid niet van komt. Terwijl men evenmin een gesprek al te zwaar moet vullen. Ik bedoel met het laatste, dat het een groot verschil maakt, van wie men een verslag hoort van zulk een gesprek. Hoort men een predikant erover, dan geeft hij te kennen, dat hij zich geheel vrij heeft opgesteld. Hoort men, nadat hij voor het beroep heeft bedankt, de kerkeraad erover, dan blijkt het vaak daarom een zo grote teleurstelling te zijn, omdat de predikant sprak alsof hij het beroep al had.

Onder de mensen komt de uitdrukking voor van sommige predikanten, dat zij beroepenjagers zijn. Dat is een kwade zaak. Op deze manier wordt datgene wat van het beroepingswerk ten diepste het geheim uitmaakt geheel uit het oog verloren. Alle spreken over dit werk, en ook elk gesprek, dat in verband ermee wordt gevoerd, zal in het teken moeten staan van het geweldige feit, dat de Here zijn dienaren gebruikt om zijn eigen werk te doen. Hier past voorzichtigheid die voortkomt uit eerbied voor dit eigen werk van de Here.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.