+ Meer informatie

Gemeente des Heren (1)

7 minuten leestijd

Een vraag

Zowel bij een bespreking van de geloofsleer in het kader van de vormingscursus als in een consistorie werd een vraag gesteld over de betekenis van de woorden „gemeente des Heren” of „gemeente van onze Here Jezus Christus”, waarmee een preek nogal eens begint.

Ook werd de opmerking gemaakt, dat de aanspraak van de gemeente vroeger meestal luidde: „geliefde gemeente en allen die met ons zijn samengekomen om Gods Woord te horen en Zijn heilig aangezicht te zoeken”. Ik weet niet, of het nog wel zo gezegd wordt, maar ouderen zullen het zich waarschijnlijk herinneren. Moesten we maar niet bij het oude blijven?

Als men ernaar informeert, waarom de aanspraak „gemeente des Heren” meer en meer gebruikelijk is geworden, wil men misschien nagaan, of er een bepaalde gemeentebeschouwing achter ligt die niet geheel in overeenstemming is met Schrift en belijdenis. Dat wordt dan niet met zoveel woorden gezegd, maar het kan in de vraag opgesloten zijn.

Wanneer de predikant in de eredienst geregeld „gemeente des Heren” of „gemeente van onze Here Jezus Christus” zegt, zouden de leden van de gemeente kunnen denken, dat ieder van hen in dezelfde zin de Here toebehoort en het eigendom van Christus is. Maar er is toch reden om onderscheid te maken?

Wat zegt de Schrift?

De aanspraak „gemeente des Heren” heeft een bijbelse grond.

Wij zouden kunnen uitgaan van het woord gemeente, zoals dat al in het Oude Testament voorkomt. Het duidt de verbondsgemeente aan, met name als het voor Gods aangezicht vergaderde volk, het volk dat vergaderd is om Hem te dienen. Niet altijd staat er uitdrukkelijk bij, dat de gemeente Zijn gemeente is, maar soms wel, zoals in Num. 27: 17, 1 Kron. 28: 8 en Micha 2: 5. Israël wordt niet alleen gemeente des Heren genoemd, het is ook het volk van God, het volk dat Hem toebehoort. Hij verkiest en verlost Zijn volk en Hij heiligt het, opdat het Hem toegewijd zal zijn. Vgl. Deut. 7: 6, Exod. 6: 6 en Lev. 22: 31-33.

De relatie tussen de Here en Zijn gemeente is in het Nieuwe Testament nog sprekender.

De gemeente uit Joden en heidenen is het nieuwe volk van God, waarvan de oudtestamentische woorden gelden die aangehaald worden in 1 Petr. 2: 9 en 10. De brieven aan de Corinthiërs zijn gericht aan de gemeente Gods te Corinthe (1 Cor. 1:2, 2 Cor. 1:1). Ook op andere plaatsen in de apostolische brieven treffen wij deze benaming aan, o.a. in een hoofdstuk waarin het gaat over het ambtelijk werk: 1 Tim. 3: 5 en 15.

Volgens Hand. 20: 28 sprak de apostel Paulus bij zijn afscheid van de oudsten of ouderlingen in Milete van hen als van opzieners die de gemeente Gods hebben te weiden. En in 1 Thess. 2: 14 noemt hij de gemeenten: gemeenten Gods in Christus Jezus.

Christus heeft Zelf gezegd, dat Hij Zijn gemeente zal bouwen op deze petra, zoals in Matth. 16: 18 Staat. Het gaat er nu niet om wat hier bedoeld is met het woord „petra” — het is een veelbesproken tekst — maar om de uitdrukkelijke verzekering in dit kerkfunderend woord van Christus, dat de gemeente Hem toebehoort: het is Zijn gemeente. Het is de gemeente die Hij ook Zelf in stand houdt.

In de Brief aan de Hebreeën wordt de gemeente getekend als het volk van God dat onderweg is evenals Israël in de woestijn. Niet Jozua, maar Jezus brengt het volk van God in de ware rust. Christus is in Hebreeën ook de Hogepriester over het huis van God (Hebr. 10: 21 vgl. Hebr. 3:1-6).

Als de apostel Paulus de gemeente het lichaam van Christus noemt, wijst dat op de innige betrekking die er is tussen Christus en Zijn gemeente. Er ligt een rijkdom van gedachten in deze naam. Met het oog op de vraag die ons bezighoudt, is het vooral van belang om te zien, dat de apostel niet alleen de gehele kerk, maar ook de plaatselijke gemeente te Corinthe aanspreekt als het lichaam van Christus (1 Cor. 12: 27).

Verder is het adres van de apostolische brieven van directe betekenis. Paulus schrijft aan de gemeente Gods te Corinthe, aan „de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen” (1 Cor. 1:2). Het zijn heiligen en gelovigen, heiligen in Christus Jezus (Ef. 1: 1, Fil. 1: 1).

Dat wil niet zeggen dat alle gemeenteleden in die plaatsen behouden werden — van de gemeente van Corinthe weten we uit de brieven wel, dat er kaf onder het koren was — maar het is wel een bewijs, dat de gemeente voor de apostel in wezen de gemeente des Heren en de gemeenschap der heiligen is.

Wezen en werkelijkheid

De Bijbel leert ons echter ook, dat wij ons van de gemeente des Heren geen idealistisch beeld mogen vormen. Er is meer dat bij onze beschouwing van de gemeente overwogen moet worden. Israël was het volk van God. Toch heeft de Here moeten zeggen: Lo-Ammi — niet Mijn volk (Hosea 1:9). Maar Hij bleef als de getrouwe en genadige God van het verbond met Zijn beloften tot het volk komen (Hosea 1: 10-12, 2: 22). Toen in Kapernaüm een hoofdman in Hem geloofde, heeft Jezus aangekondigd, dat velen van oost en west zouden ingaan in het koninkrijk der hemelen, terwijl de kinderen van het koninkrijk uitgeworpen zouden worden in de buitenste duisternis (Matth. 8: 11-13).

Tot de gemeente Gods te Corinthe, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen, zegt de apostel in verband met de twisten en de tweedracht in de gemeente: gij zijt nog vleselijk (1 Cor. 3: 1-4). In 1 Cor. 5 en 6 staan ernstige vermaningen. Ook uit de hoofdstukken 10 en volgende is af te leiden, dat de gemeente nog niet is wat ze als gemeente van Christus moest wezen. Israël wordt de Corinthiërs als waarschuwend voorbeeld voor ogen gesteld: 1 Cor. 10: 11.

Op de toestand in de gemeente van Corinthe is Calvijn ingegaan, toen hij het doperse radicalisme moest bestrijden waarmee hij in zijn tijd te maken had. Calvijn zegt van die gemeente: Niet weinigen — bijna het gehele lichaam was door besmetting aangetast — er was niet slechts één soort van zonde, maar zeer vele. Toch erkent de apostel dat het een kerk van Christus is en een gemeenschap der heiligen. De kerk blijft er, omdat de dienst des Woords en der sacramenten daar niet versmaad wordt (Institutie, IV, 1, 14).

Ook de Brief aan de Hebreeën bevat tal van vermaningen. Er wordt op het gevaar van de afval gewezen (vgl. Hebr. 3: 7-19, 4: 1-13 en 10: 26-31).

Uit de brieven die de verhoogde Heiland door de dienst van Johannes aan de Zeven gemeenten in Klein-Azië deed toekomen, blijkt duidelijk, dat Hij ze als Zijn gemeenten ziet. Hij wandelt te midden van de gouden kandelaren die de gemeenten voorstellen.

Maar hoe was het in Efeze, Laodicea en Sardes gesteld? De gemeente van Efeze had haar eerste liefde verlaten, in Laodicea was lauwheid en tot Sardes moest Hij zeggen: Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood. In Pergamum zijn aanhangers van de leer van de Nicolaïeten en die gemeente moet zich bekeren. In Thyatira laat men de vrouw Izebel begaan die zich niet bekeert.

Wij hebben te rekenen met de realiteit dat er mensen in de kerk zijn die niet van de kerk zijn (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 29). Dat is echter niet beslissend voor het wezen van de kerk en voor het karakter van de vergadering van de gemeente.

Wat is het een voorrecht en wat brengt het een verantwoordelijkheid met zich mee om gemeente des Heren te zijn!

Om dat te beseffen moeten wij erover spreken zoals de Heilige Schrift erover spreekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.