+ Meer informatie

DE SCHAT VAN CHRISTUS’ BRUID over de volharding in het geloof

8 minuten leestijd

HOE HOUDEN WE HET VOL?

Kunnen we er zeker van zijn dat een gelovige de eindstreep haalt - de eeuwige heerlijkheid?

Daarover klinken allerlei geluiden. ‘Natuurlijk’, zegt de een, ‘eens een kind van God, altijd een kind van God’. Dat zou betekenen dat volharding in het geloof een vanzelfsprekende zaak is: linea recta naar de hemel.

‘Nee’, zegt een ander, ‘want je weet het maar nooit wat er onderweg gebeurt. Je ziet immers zoveel mensen afhaken vandaag, onder wie jongeren en ouderen van wie je eerst grote verwachtingen had en die zo oprecht leken te geloven. Volstrekte zekerheid heb je nooit’.

Nu zou het misschien niet zo moeilijk zijn om bij elk van deze opvattingen wat etiketten te plakken. De eerste opvatting zouden we kunnen lokaliseren in evangelische kring, de andere in roomse vaarwateren. Daar zit zeker wat in, maar laten we maar dichtbij huis blijven. Komt u deze geluiden nooit tegen in de gemeente?

Bij de eerste mening kunnen we de vraag stellen: leert de Schrift ons zo’n spanningsloze rechte lijn? De werkelijkheid van het geloofsleven blijkt complexer te zijn. Wat spreekt de Schrift veel over de strijd die de gelovige te voeren heeft - ik kom er straks nog op terug. Bij de tweede mening komt de vraag op: komen we in de Schrift een ‘afval der heiligen’ tegen? Dat blijkt niet het geval te zijn, al lijken sommige Schriftplaatsen in een andere richting te wijzen. Waarom staan er immers zoveel oproepen en aansporingen in Gods Woord: om te volharden (Matt. 10:22), om te blijven in Christus (Joh. 15:4), om niet te vallen

(1 Cor. 10:12)? En lezen we ook niet van een afwijken van de waarheid (2 Tim. 2:18), schipbreuk lijden van het geloof (1 Tim. 1:18), van de genade vervallen zijn (Gal. 5:4), afvallen van het geloof (1 Tim. 4:1)? En wordt daarover niet een zeer zware straf aangekondigd (Hebr. 10:29)? Spreekt de brief aan de Hebreeën ook niet over de onmogelijkheid om hen die eens verlicht zijn geweest en afvallig werden, wederom te vernieuwen tot bekering (Hebr. 6:4-6)?

DE VOLHARDING: GAVE EN OPGAVE

We hebben een belijdenisgeschrift dat bij uitstek de leer van de zekerheid van de volharding voor de gelovigen heeft ontvouwd: de Dordtse Leerregels. Aan het eind van hoofdstuk vijf, dat geheel aan dit onderwerp gewijd is, tintelt de diepe vreugde over de Bijbelse leer van de volharding der heiligen, als gezegd wordt: ‘de Bruid van Christus heeft haar (deze leer, PB), altijd, als een schat van onwaardeerbare prijs, zeer teder bemind en standvastig verdedigd’.

De volharding is een van elementen uit de heilsorde, waarin we de Heilige Geest aan het werk zien in de uitdeling van het heil dat Christus verworven heeft.

De volharding is daarom vóór alles gave van God: Hij zorgt er Zelf voor dat de zijnen het volhouden op de marsroute van het geloof. Hij brengt hen ook eenmaal allen Thuis.

Dat is geen vanzelfsprekende zaak, juist als we zien waartoe een gelovige vanuit zichzelf in staat is. De Dordtse Leerregels verwoorden het zo (V,3): ‘Vanwege deze overblijfselen van de inwonende zonde, en ook vanwege de aanvechtingen van de wereld en van de satan, zouden de bekeerden in die genade geen stand kunnen houden, zo zij aan hun eigen krachten overgelaten werden. Maar God is getrouw, die hen in de genade, hun eenmaal gegeven, barmhartig bevestigt en tot het einde toe krachtig bewaart’.

Nee, afval der heiligen is er niet - dankzij Gods genade alleen. Zou die afval er wel zijn, dan zou dat betekenen dat het heil uiteindelijk toch van onszelf afhangt. Dat zou teveel eer voor de mens zijn en tegelijk de vastheid en zekerheid van Gods verkiezende liefde ondermijnen.

Wat wel gebeurt, is dat mensen met een tijdgeloof (Luk. 8:13) het Evangelie de rug toekeren - daarop zien verschillende teksten die eerder genoemd werden.

De rijke belofte dat de Here de zijnen bewaart tot de zaligheid betekent echter niet dat de gelovigen op een rustbankje worden gezet. Integendeel, overal vinden we aansporingen zoals onder het eerste kopje vermeid.

Op welke manier krijgt de volharding namelijk gestalte? Langs de weg van het geloof. De apostel Petrus spreekt in 1 Petrus 1 over ‘de erfenis die in de hemelen bewaard is voor u’. Maar vervolgens zegt hij ook van de gelovigen: ‘u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid...’ (vers 4 en 5).

De volharding is dus als tweede ook opgave voor Gods kinderen. Niet dat het van henzelf afhangt, maar de genade van God werkt niet ‘als in stokken en blokken’ (Dordtse Leerregels). Het werk van de Heilige Geest gaat door ons heen, betrekt ons er helemaal in. Vandaar de vele vermaningen in de nieuwtestamentische brieven.

DRIEVOUDIGE TROOST OP EEN DRIEVOUDIG FRONT

Volharden/volhouden: dat veronderstelt dat er iets is dat inspanning vergt. Denk aan het beeld van de hardloper dat verschillende keren in de Bijbel gebruikt wordt om de strijd van het geloof te tekenen (1 Cor. 9:24-27; Fil. 3:12-14; Hebr. 12:1 en 2). Tegen welke achtergrond staat dat? We kunnen drie fronten onderscheiden waarop gestreden moet worden (zie ook vr./antw. 127 HC).

a. De satan: Gods gewiekste tegenstander, die geen middel onbeproefd zal laten om ons aan te vechten. Denk aan de manier waarop christen in de Christenreis geconfronteerd werd met Apollyon, de vleesgeworden duivel. Deze schoot zijn vurige pijlen op christen af en probeerde hem te raken waar hij hem maar raken kon. Satan weet precies onze zwakke punten te vinden en speelt daarop in. Soms met geweld, maar veel vaker met list. Wie zou er tegen hem bestand zijn? Denk aan de manier waarop hij vandaag via de media (kerk)mensen ‘inpakt’ en het denken van velen omturnt. Als het aan onszelf zou liggen, zouden we allemaal voor de bijl gaan. Maar dan die troost en zekerheid: ‘de God des vredes zal de satan weldra onder uw voeten verpletteren’ (Rom. 16:20). Let wel: de Here doet dat, maar Hij schakelt de voeten van de gelovigen erbij in!

b. De wereld: hier uiteraard niet opgevat als Gods mooie schepping, maar als de Gode-vijandige wereld, die vol van ongerechtigheid is en ons op dat terrein ontstellend veel te bieden heeft. Dan klinkt de oproep: ‘Heb de wereld niet lief, noch wat in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde van de Vader is niet in hem...’ (1 Joh. 2:15). Diezelfde Johannes schrijft: ‘Dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof (5:4).

De volharding voltrekt zich dus door het geloof. Tegelijk wordt alle eer van de overwinning alleen aan de Here gegeven (Rom. 8:37).

c. Ons eigen vlees: dat hardnekkige ‘ik’ dat zich aan de Wet van God niet onderwerpt, ook wel genoemd: de vijand binnen de poort. In de Dordtse Leerregels V, 1-5 worden daar indringende dingen over gezegd, en ik kan u alleen maar aanraden om dat eens rustig te lezen en te overdenken - een goudmijn voor het geestelijk leven.

DRIEVOUDIG FUNDAMENT VOOR DE ZEKERHEID VAN DE VOLHARDING

De zekerheid van de volharding ligt niet in de vrome of actieve mens. Er zou niets van terecht komen! De zekerheid dat ik de eindstreep haal ligt alleen in het werk van de drie-enige God.

In de verkiezing door de Vader: dat fundament is van eeuwigheid als grond gelegd, en het is onveranderlijk (Rom. 9:11). Zijn raad, roeping en belofte kunnen niet herroepen worden (DL V, 8).

In de verdienste, voorbede en bewaring van Christus. Zijn verzoeningswerk is volbracht. In zijn voorbede heeft Hij de zijnen aan zijn Vader opgedragen en aanbevolen, omdat ze door de Vader aan Hem zijn gegeven (Joh. 17). Was dat niet de redding voor Petrus, toen hij aan een zijden draadje boven de hel hing? ‘Maar Ik heb voor u gebeden...’ (Lukas 22:32).

In de verzegeling door de Heilige Geest. De Geest is het onderpand (waarborgsom, garantie) in de harten van Gods kinderen. Onderpand waarvan? Van hun erfenis, tot de verkregen verlossing (Ef. 1:13 en 14). Die Geest blijft eeuwig bij hen (Joh. 14:16). Wie op de Here hoopt, mag het zeker weten: ‘wie God bewaart, is wèl bewaard’.

Naar de mate waarin het geloof functioneert, zal deze zekerheid van de bewaring en de volharding ervaren worden (zie DL V,9).

OP HUISBEZOEK

Tijdens pastorale gesprekken kan zowel de kant van de gave als die van de opgave van de volharding ter sprake komen, wanneer we merken dat we met iemand te maken hebben die de Here vreest. Soms dreigt iemand achterop te raken in de genade van God (zie Hebr. 12:15). Dat kan door een slordige levenswandel, lauwheid in het dienen van de Here, zich teveel laten leiden door alle beslommeringen van het leven. Dan zal het accent in het gesprek liggen op de volharding als opgave, zoals dat in de brief aan de Hebreeën veelvuldig gebeurt. Maar tegelijk altijd wijzend op Jezus, in Wie de kracht tot volharding ligt!

Is er vrees en onzekerheid, moedeloosheid in de geestelijke strijd, dan mag vooral gewezen worden op de volharding als gave. Juist waar we onszelf zo tegenvallen en zo vaak onderliggen in de geestelijke strijd, en te midden van zoveel afval in onze westerse wereld, mag de zekerheid gevoed worden: ‘de HERE zal het voor mij voleinden’ (Ps. 138:8).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.