+ Meer informatie

Verkiezing en verwerping

4 minuten leestijd

(4)

Niet het minst bij het stuk der uitverkiezing komt het duidelijk aan de dag, hoe er duizenden bij duizenden godsdienstige mensen zijn, die tot de geestelijke familie van de rijke jongeling behoren, en die niet alleen tegen de verkiezing Gods gekant zijn, maar zelfs zover gaan, dat zij deze waarheid bruut loochenen. „Er is geen uitverkiezing tot zaligheid", zeggen zij. „Christus heeft voor alle mensen voldaan, en God is zo liefderijk, dat Hij ieder, hoofd voor hoofd, de hemel gunt, en dat Hij in spanning wachtende is, of de mens Zijn genadevolle aanbieding aanvaarden wil."

Tegen zulk een verminking van de waarheid der Schriften verzet het volk, dat in oprechtheid God vreest, zich met geheel zijn ziel en met alle kracht. En zij zijn daarbij geheel in het voetspoor van onze Dordtse Vaderen, die over dit belangrijke punt een strijd gevoerd hebben met de Arminianen, zoals uit de „Vijf Artikelen tegen de Remonstranten", waaruit we onlangs een gedeelte overnamen, ten duidelijkste blijkt.

De uitverkiezing is een onomstotelijke waarheid, door Gods Woord klaar en helder geleerd. Een waarheid, die de hoogmoedige zondaar terneerwerpt, maar die tegelijk van onuitsprekelijke vertroosting is voor degenen, die hun heil in God hebben gevonden, en zonder Hem en Zijn verkiezende liefde niet zalig konden worden. Hoe weinig de mens, ook na ontvangen genade, gezind is om de Heere te dienen en uit eigen aandrift in Hein te geloven, heeft de nu godzalige Ds. Ledeboer eens zo treffend gezegd, toen hij opmerkte: „De Heere is van mijn zaligheid het begin en het einde; ik kan er geen zucht en geen traan aan toedoen; als ik met één been in de hernel stond, en ik zou uit mij zelf ook het andere been er in moeten brengen, dan zou ik nog voor eeuwig omkomen."

Toch zijn er onder de gekenden des Heeren, die met vreze en beven bevangen zijn, als zij aan deze eeuwige raadslag Gods denken. „Als ik eens niet uitverkoren ben!" zo zuchten ze vaak in bange vertwijfeling.

We wensen daarom, met de hulpe des Heeren, het stuk der verkiezing nader te bezien, opdat de troost, die cle Heere zelf er in gelegd heeft, ook genoten mag worden door hen voor wie hij bestemd is.

De eerste vraag, die in deze zaak om een antwoord roept, is deze: „Wie heeft God verkoren? " Of, met andere woorden: „Wie zijn de voorwerpen van Gods verkiezende liefde? "

En dan beginnen we met te antwoorden, dat God mensen heeft verkoren.

Er zijn drie soorten van levende schepselen, n.1. engelen, mensen en dieren. E11 van die drie soorten wezens, zijn het de mensen, op wie God de Heere in reddende liefde heeft neergezien.

De dieren zijn niet tot een eeuwig leven bestemd. Als hun adem nederwaarts naar de aarde keert, is het bestaan van het dier ten einde. Pred. 3 : 21. Van de dieren heet het: ood is dood. En al is het niet uitgesloten, dat op de nieuwe aarde, onder de nieuwe hemel ook de dierenwereld vertegenwoordigd zal zijn, aangezien God machtig genoeg is om de nieuwe schepping op allerlei wijze te versieren, — één ding staat vast, n.1. dat er voor het dode dier geen opstanding des vlezes is, en geen eeuwig leven. Wel zucht de ganse schepping, óók de dierenwereld, onder de vloek der zonde, maar naar Gods vrijmacht is het dier toch geen deelgenoot der redding en 19

verlossing. In Gods verkiezing is er geen plaats voor het dier.

De engelen, en we denken hierbij aan de gevallen engelen, zijn evenmin tot zaligheid uitverkoren. Wel spreekt de Schrift over uitverkoren engelen, 1 Tim. 5 : 21, maar dat is een uitverkiezing geweest om staande te blijven. Als we echter van uitverkiezing spreken, hebben we het oog op de redding uit de poel der verlorenheid, en van zulk een uitverkiezing is ook bij de gevallen engelen, bij de duivelen geen sprake. De Heere is in Zijn vrijmacht de engelenwereld met Zijn erbarmende, verlossende liefde voorbijgegaan; zoals de Apostel zegt in Hebr. 2 : 16. „Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan." Ja, het zaad Abrahams! De mensen zijn het tot wie Gods welbehagen uitgaat. Voor de dieren geen voortbestaan. Voor de engelen geen redding. Maar: ln de mensen een welbehagen!", zo klonk het in Efratha's velden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.