+ Meer informatie

KLEINE GEMEENTEN

6 minuten leestijd

In het hierna volgende zal enige aandacht worden besteed aan tot ons kerkverband behorende kleine gemeenten. Hieronder te verstaan gemeenten met minder dan 200 (doop)leden. Eerst zal enig cijfermateriaal worden verstrekt omtrent deze kleine gemeenten, daarna zal aandacht worden besteed aan de huidige positie van deze gemeenten en tenslotte zal worden nagegaan wat deze gemeenten in voorkomende gevallen voor elkaar kunnen betekenen.

Teneinde een indruk te geven van de ontwikkeling die er na de oorlog (de laatste 40 jaar) in het aantal kleine gemeenten is geweest, volgt hieronder een overzicht:

Het aantal kleine gemeenten bleef in de afgelopen 40 jaar stabiel. De samenstelling onderging echter een belangrijke wijziging. Van de 53 kleine gemeenten in 1954 zijn er hiertoe in 1994 nog 29 te rekenen.

Ook de leeftijdsopbouw veranderde sterk. Het aantal belijdende leden steeg van 47.1% tot 60.2% van het totaal, terwijl het aantal doopleden dienovereenkomstig daalde, namelijk van 52.9% tot 39.8%.

Per 1 januari 1954 behoorden tot de kleine gemeenten van toen gemiddeld 57 belijdende en 65 doopleden; per 1 januari 1994 bestonden de kleine gemeenten van nu gemiddeld uit 79 belijdende en 53 doopleden.

In de afgelopen jaren zijn acht gemeenten geïnstitueerd waarvan het aantal leden bleef beneden de 200. Van deze gemeenten zijn er vier in het bezit van een eigen predikant.

In de afgelopen 40 jaar zijn er 8 gemeenten opgeheven. Het ledental van deze gemeenten varieerde per 1 januari 1954 van maximaal 117 (doop)leden tot minimaal 20 (doop)leden. Gemiddeld bedroeg het ledental van deze gemeenten per die datum 67. Bij de opheffing lagen de ledentallen uiteraard lager.

In de afgelopen periode groeide bij 18 gemeenten het ledental tot boven de 200; bij 10 gemeenten daalde het ledental tot onder de 200 (w.o. 5 gemeenten in de grote Steden in het westen van ons land).

Tot zover enig cijfermateriaal.

In de naoorlogse periode is de positie van de kerk sterk gewijzigd. Door allerlei factoren is de kerkelijke meelevendheid drastisch teruggelopen. Dit geldt met name voor de grote kerken (N.H.K, en G.K.N.). Deze teruggang is in de stedelijke gebieden het grootst.

Als gevolg van de koers die door de grote kerken werd gevolgd, zoals de wijze waarop met de Bijbel werd omgegaan en de standpunten die op ethisch terrein werden ingenomen, werd de kloof tussen die kerken en onze kerken (en andere kerken van gereformeerd belijden), uitzonderingen daargelaten, groter.

Deze koerswijziging werd ook merkbaar in de gedragingen van de leden van deze kerken. Het leven van elke dag, zowel persoonlijk als maatschappelijk, werd steeds meer bepaald door wat men (de wereld) ervan vond en steeds minder door wat de Bijbel erover te zeggen heeft (helaas gaan deze verschijnselen ook onze kerken niet geheel voorbij).

Dit had tot gevolg een beperking van de mogelijkheden van samenwerking op allerlei gebied, terwijl hierdoor ook contacten in het persoonlijk leven bemoeilijkt werden.

Door deze ontwikkeling kwamen we als gemeenten meer apart te staan en werden wij als leden hiervan meer op elkaar aangewezen. Onze gemeenten, vooral de kleine overzichtelijke gemeenten, ontwikkelden zich tot gemeenschappen.

Niet alleen op zondag, tijdens en na de erediensten, ook in de week ontmoette men elkaar. Dit gebeurde vooral in gemeenten waarvan de leden nogal verspreid wonen.

Deze contacten zijn vooral voor jongeren van groot belang. Mist men deze in de eigen gemeente, dan zoekt men die in een genabuurde gemeente. Is een gemeente nogal verouderd, dan kan dit jonge gezinnen afstoten en het proces van veroudering versnellen. Het is daarom belangrijk dat een gemeente aantrekkelijk is voor de jeugd. Is dit niet het geval dan kan het voortbestaan van de gemeente, op lange termijn gezien, op het spel komen te staan.

Na de oorlog is de mobiliteit sterk toegenomen. Dit schept mogelijkheden om zich aan te sluiten bij die gemeente waar men zich het meest thuis voelt of, na een verhuizing, lid te blijven van een gemeente waarin men zich opgenomen weet. Ook de kinderen zullen bij deze keuze een roi spelen. En dit alles is alleen mogelijk omdat kerkelijke grenzen niet meer in acht worden genomen resp. gehandhaafd.

Het zal duidelijk zijn dat als gevolg van de hiervoor weergegeven ontwikkelingen, vooral kleine gemeenten zich in een kwetsbare positie bevinden.

Ook uit anderen hoofde is dit het geval. De geringe omvang en de samenstelling kan de mogelijkheden van een gemeente beperken. Vaak zijn kleine gemeenten niet in Staat om bepaalde taken - als gemeente - zelfstandig te vervullen. Soms behoort een eigen predikant niet tot de mogelijkheden.

Daarom is samenwerking tussen genabuurde gemeenten, vooral kleine gemeenten, belangrijk. Voorwaarde is hierbij wel dat er tussen deze gemeenten in geestelijk opzicht voldoende affiniteit bestaat.

Hierbij valt in de eerste plaats te denken aan samenwerking op kerkeraadsniveau. Deze kan vorm krijgen in gemeenschappelijke moderamina vergaderingen. Ook kunnen gezamenlijke studieavonden worden belegd in het kader van de “permanente educatie” van ambtsdragers. In deze tijd geen overbodige luxe.

In bepaalde gevallen kan het gezamenlijk beroepen van een predikant het opheffen betekenen van een reeds lang bestaande vacature. Het geestelijk klimaat in deze gemeenten moet dit dan wel mogelijk maken.

Samenwerking kan plaats vinden op het gebied van de catechese. Dit vooral indien catechesegroepen te klein dreigen te worden. Indien de afstanden het toelaten, kunnen bepaalde groepen worden samengevoegd.

Verder kan samenwerking plaats vinden op het gebied van de evangelisatie en de zending. Om een bepaald project op het gebied van de evangelisatie en zending van de grand te krijgen is samenwerking vaak geboden.

Hoewel de jeugd van verschillende gemeenten elkaar in het algemeen wel weet te vinden, behoort ook dit terrein tot het aandachtsgebied van de kerkeraad. Deze kan hierbij tenminste sturend bezig zijn.

Ook de ouderen moeten niet worden vergeten. Die zijn vaak eenzaam. Hier ligt voor de diaconieën een taak. Gezamenlijk zijn er vele mogelijkheden, zoals het beieggen van contactmiddagen en de organisatie van uitstapjes en bijeenkomsten.

Niet alleen voor ambtsdragers, maar voor alle belijdende leden zijn studieavonden, ook wel voortgezette catechisatie genoemd, belangrijk.

Niet alles leent er zich voor om op de kansel te worden behandeld. Via de media wordt een veelheid van opvattingen over de gemeenteleden uitgestort (althans indien men zich daaraan wil bloot stellen). Het is daarom belangrijk - wil men staande blijven - om te horen wat er vanuit de Bijbel over bepaalde onderwerpen valt te zeggen.

Tot slot valt te noemen het organiseren van een gemeenschappelijke gemeentedag. De leden van de verschillende gemeenten dienen hiervoor elkaar wel min of meer te kennen.

Samenvatting:

– In deze tijd zijn gemeenteleden, met name vanwege hun geïsoleerde positie, meer op elkaar aangewezen dan vroeger het geval was.

– De gemeente dient daarom ook een gemeenschap te zijn waarin men naar elkaar omziet. Kleine gemeenten hebben hierbij een voorsprong op grote gemeenten.

– Samenwerking tussen kleine gemeenten kan bevorderen dat deze gemeenten beter worden toegerust voor hun taak en meer kunnen betekenen voor de omgeving waarin deze zich bevinden.

In het vervolgartikel zal worden stilgestaan bij de positie van kleine gemeenten in stedelijke gebieden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.