+ Meer informatie

De Heidelbergse Catechismus

6 minuten leestijd

(I).

Inleiding

Op 19 januari 1563 verscheen in Duitsland een geschrift, dat meer dan enig ander ooit de aandacht der Christenwereld heeft geboeid, n.l. de Heidelbergse Catechismus.

Geen boek heeft gewichtiger invloed op het lot van ganse rijken en volkeren uitgeoefend als dit. Het was de grondslag der vrijheid van een aanzienlijk kerkgenootschap; een gids en vraagbaak onder de hevigste vervolgingen; een bron van troost en bemoediging in kerkers, op schavotten en brandstapels; het geliefde leer-en leesboek in geheime en openlijke godsdienstige bijeenkomsten, op de scholen en in huiselijke kringen. Fel bestreden, doch moedig en mannelijk verdedigd, hield het zich onder alle staatsverwisselingen staande; werd het in alle oude en nieuwe talen vertaald, ontelbare malen herdrukt, verklaard, en door duizenden als „de troone der Heilige Schriftuur, " „het portaal der kennisse Godes, " „een Godsgeschenk, " „de fouteine van levend water" beschouwd; terwijl sommigen de opstellers ervan „mannen, die gelijk de apostelen, met de Heilige Geest vervuld waren, " noemden.

De Paltzische of Heidelbergse Catechismus heet zo naar zijn vaderland, de Paltz en naar zijn geboorteplaats Heidelberg, gelegen in Zuid-Duitsland in de tegenwoordige provincie Baden, niet zo ver van de Rijn. Vroeger lag daar het keurvorstendom de Paltz, zo rijk aan herinneringen voor Nederland, die duizenden gastvrij ontving, die aan de Raad van Beroerten en aan Alva ontsnapt waren, maar wiens keurvorst met zijn gezin ook jarenlang in Nederland een veilige schuilplaats vond. Heidelberg, wier hogeschool de wieg en bakermat, de

voedster en leermeesteres was van die grote schare van eerbiedwaardige mannen, die in ons vaderland als predikers optraden; maar wier uitgeweken en verdreven hoogleraars, evangeliedienaars en burgers gedurende de dertigjarige oorlog, ook in Nederland huisvesting, voedsel en bescherming vonden.

De hogeschool van Heidelberg, zo nauw met de Catechismus verbonden, dateerde van 1385, toen de instellingsbul door paus Urbanus V werd gegeven. De stichtingsakte werd door paltzgraaf Ruprecht uitgevaardigd in 1387. Daar deze hogeschool niet aan een bisschoppelijke zetel was verbonden, maar een beschermende vorst had, kon ze zich vrij ontwikkelen. Ze deed het echter niet. De hoogleraren hielden zich onledig met woordentwist en spitsvondige nasporingen en redevoeringen. Bij gebrek aan wijsgerige en godgeleerde kennis bleven ze aan de vormen hangen en deelden aan de studenten een verward mengsel van Aristotelische wijsbegeerte en Christelijke leer in schoolse vorm, ruwe taak en barbaarse kunsttermen mede.

De Paltzgraven, oorlogszuchtig en woest, zoals bijna alle vorsten der 14e en 15e eeuw, waren te zeer in krijgszaken verdiept of aan de zinnelijke genoegens van het hofleven overgegeven en bovendien te onkundig om de belangen der hogeschool te behartigen. Een gunstige uitzondering vormde Philips de Oprechte. Onder zijn bestuur werd de grondslag gelegd voor haar hervorming en die van de gehele Paltz. Als vorst was hij ridderlijk, grootmoedig, weldadig, minzaam en beminnelijk in de omgang; als Christen zag en peilde hij de wonden der kerk en gevoelde hij de noodzakelijkheid van hervorming in leer en leven. Zo werden in zijn tijd de eerste zaden uitgestrooid van een meer Christelijke leer. In 1494 verscheen te Heidelberg een boek, waarin enige dogmata der Roomse kerk enz. werden aangetast, wat het begin was van een betere toekomst. Nog ruim dertig jaar zouden evenwel nodig zijn, eer de ware leer haar volkomenheid bereikte. Dat gebeurde onder de regering van keurvorst Frederik III, die met volle overtuiging de gereformeerde leer beleed. Hij sloeg al spoedig aan het werk om kerk en hogeschool in Heidelberg in de geest van Calvijn te hervormen. Beelden werden uit de kerken verwijderd, altaren door een avondmaalstafel vervangen, de nooddoop der vrouwen afgeschaft, de orgeldeuren gesloten, de latijnse gezangen door Luthers psalmen en geestelijke liederen vervangen; de feesten ter ere van Maria en andere heiligen werden verboden, de koorrokken en misgewaden onder de armen verdeeld, kloosters werden opgeheven en hun inkomsten werden voor kerken en scholen gebruikt. Dit gebeurde allemaal niet zonder strijd en tegenwerping, doch Frederik volgde de stem zijner overtuiging, waarin het naarstig onderzoek van cle Bijbel hem meer en meer bevestigde en ging rustig op cle ingeslagen weg voort. Vooral de hogeschool was het voorwerp zijner tederste zorg; daar toch werden de zaden uitgestrooid, clie eenmaal vruchten moesten geven. „Was de grond eenmaal goed en ontvangbaar, men kon dan tien-zestig-en honderdvoud vruchten verwachten." Alleen zij, die de Augsburgse confessie hadden aangenomen, werden tot de leerstoelen geroepen. Leraars en studenten werden onder strenge tucht gesteld.

Op 28 november 1561 telde de school reeds 60 studenten. Er kwam een leerstoel in de godgeleerdheid en Frederik III benoemde hiervoor tot hoogleraar o.a. Caspar Olevianus en Zaeharias Ursinus. Zij en de overige professoren, alle met een gloeiende ijver bezielde mannen, trachtten het ideaal van Frederik, om Heidelberg, zo niet tot de voornaamste, dan toch tot een der voornaamste zetels van het Calvinisme te vormen.

Frederik was één dier zeldzame vorsten, bij wie zich in innige vroomheid aan helder inzicht en rijp oordeel paarde. Hij was in de ware zin des woords een wijze, geen filosoof of geleerde, maar een vorst, die dacht, onderzocht en zijn ganse leven aan zijn overtuiging ten offer bracht. Hij was de enige vorst, die persoonlijk met onverschrokken moed en onwankelbare standvastigheid aan de Calvinistische belijdenis vasthield; die door zijn zedelijke adel en echte vroomheid, zonder andere bijstand dan die der waarheid, waarvoor hij leefde en stierf, ze voor cle keizer en het rijk mannelijk verdedigde. Die belijdenis moest de grondslag van de waarachtige welvaart van zijn land worden. Doch zou dit vruchten voortbrengen, clan moest nog in twee behoeften worden voorzien, clie van een leerboek, dat de waarheid aan het opkomend geslacht meedeelde en voortplantte en die van een kerkordening, clie het karakter cler nieuw ingerichte kerk bezegelde.

De vervaardiging van zo'n leerboek was geen gemakkelijke taak. In de Paltz waren reeds de catechismussen van Brenz en Luther in gebruik. De keurvorst wenste zijn onderdanen echter een cate^ chismus aan te bieden, die zowel de Brenze als de Lutherse overbodig maakte. Dag en nacht dacht hij erover na, raadpleegde er de theologische faculteit, de superintendenten en de voornaamste kerkdienaren over en liet eindelijk „een summier onderwijs of catechismus van cle Christelijke godsdienst, uit het Woord van God, beide in de Duitse en de Latijnse taal samenstellen, opdat voortaan niet alleen de jeugd in de kerken en scholen in zulk een leer godzalig onderwezen en daartoe eenstemmig gehouden werd, maar ook de leraars en schoolmeesters zelve een zekere en eenparige vorm en richtsnoer zouden hebben, hoe zij zich in het onderwijzen der jeugd zouden gedragen en niet, naar eigen goedvinden, dajgelijkse veranderingen ondernemen of tegenstrijdige leerwijzen invoeren."

Die moeilijke en gewichtige taak droeg hij op aan Caspar Olevianus en Zaeharias Ursinus. Beiden hadden de roem van geleerdheid en waarheidsliefde, beiden waren ze bedreven in het geven van onderwijs, clat zij dagelijks beoefenden.

Wij willen, voor wij hun catechismus gaan bezien, eerst nader kennis met hen beiden gaan maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.