+ Meer informatie

Over de praktijk van het huisbezoek

10 minuten leestijd

De redactie van ‘Ambtelijk Contact’ heeft mij gevraagd in te gaan op een aantal punten die te maken hebben met de praktijk van het huisbezoek. Voor de Bijbelse en historische achtergronden van het huisbezoek verwijs ik naar mijn lezing die is opgenomen in Ambtelijk Contact (juli 2016). In dit artikel gaat het met name om de volgende vragen:

1. is het beter om met twee ambtsdragers op huisbezoek te gaan of is één ook voldoende?
2. hoe groot mag het adressenbestand zijn?
3. hoe vaak huisbezoek: minimaal eenmaal per jaar?

Laat ik vooraf eerst nog zeggen dat kerkenraden om uiteenlopende redenen allemaal naar hun eigen bestaande praktijk zijn toegegroeid. De overwegingen in dit artikel zijn niet bedoeld om daar kritiek op te uiten. Het gaat er mij meer om te laten zien dat elke keuze zijn eigen plus- en minpunten heeft. Zolang ambtsdragers zich daar goed van bewust zijn, kunnen de sterke punten benut worden en de zwakke punten zoveel mogelijk vermeden.

Samen of alleen

In Ambtelijk Contact verscheen in het decembernummer van 2010 een artikel van de hand van ds. D. Quant over de vraag of men beter samen op huisbezoek kan gaan of alleen. Dit artikel is te vinden via Digibron. Ik sluit me graag aan bij wat hij naar voren heeft gebracht en werk dat nog wat verder uit.

Van ouds was de situatie in onze kerken zo dat ouderlingen in koppels van twee op huisbezoek gingen. Als Bijbelse achtergrond daarvoor werd vaak verwezen naar Mat. 18:15-20. Daar staat dat wanneer iemand gezondigd heeft, hij vermaand zal worden door twee of drie personen. Want op de verklaring van twee of drie getuigen staat elk woord vast (vs 16). Het bredere verband van Mat. 18 spreekt over zonde en vergeving. Over het verloren schaap dat met liefde en volharding gezocht wordt (vs 10-14) en over de vergeving die we op grond van Gods kostbare genade voor onszelf ook aan elkaar dienen te geven (vs 21-35). Een prachtig Bijbelgedeelte om mee te dragen in het hart bij elk huisbezoek. Huisbezoek is in de Calvinistische traditie sterk verbonden aan het Avondmaal. Als het gaat over aanmoedigen om te komen of soms ook over het afhouden van het Avondmaal, dan luistert het heel nauw. Terecht en heel begrijpelijk dat in zulke situaties twee ouderlingen het huisbezoek afleggen.

Er zijn nog andere overwegingen die pleiten voor het afleggen van huisbezoek in koppels van twee. Het is namelijk voor ouderlingen die voor het eerst in het ambt functioneren, een mooie leerschool om samen met een ervaren broeder op huisbezoek te gaan. Dit argument wordt ook wel eens gebruikt om een diaken te koppelen aan een ouderling. Op zich kan dat wel, als men maar recht doet aan het eigene van ieders ambt. Naast een coachend aspect met overdracht van ervaring, zou je bij huisbezoek door twee ouderlingen ook nog kunnen denken aan het elkaar kunnen ondersteunen en aanvullen. Elke ouderling staat nu eenmaal ergens in het gewone leven en in het geestelijke leven. De een is bijvoorbeeld wat ouder en heeft geen kinderen meer thuis wonen. De ander is wellicht wat jonger en voelt de situatie van jonge gezinnen beter aan. De een heeft veel geestelijke wijsheid ontvangen in persoonlijke worsteling op de weg van het leven, de ander heeft uit eigen ervaring minder meegemaakt, maar is meer gevormd door goede theologische boeken, ambtsdragersconferenties en andere mogelijkheden van toerusting.

Toch zijn er ook goede argumenten om alleen op huisbezoek te gaan. In de praktijk komt het voor dat hele persoonlijke dingen eerder in een één-op-één gesprek naar voren komen, dan in een gesprek met meer personen. En in het huisbezoek gaat het er toch om dat er van hart tot hart gesproken wordt over de diepe dingen van het leven met God - of het verlangen daarnaar? Puur gesprekstechnisch is het trouwens ook veel moeilijker goed te communiceren met drie of vier personen dan met twee. Je moet elkaar als ambtsdragers heel goed aanvoelen om te voorkomen dat je elkaar in een gesprek in de weg gaat zitten (‘die vraag kwam te snel en klonk te ongevoelig’ of ‘dat onderwerp had ik pas later aan de orde willen stellen’ of ‘die stilte liet ik expres vallen’).

Er zijn ook situaties die alle ambtsdragers wel herkennen: dat het ongemakkelijk voelt om met twee ambtsdragers op bezoek te gaan bij een alleenstaand gemeentelid. Het gevaar is groot dat zo’n ontmoeting niet wordt ervaren als een uitnodiging om vertrouwelijk met elkaar te spreken. Het zal dan veel tact en wijsheid vragen om toch tot een goed huisbezoek te komen. Het is in zulke situaties veel natuurlijker om alleen op huisbezoek te gaan. Daarbij moet er natuurlijk wel op gelet worden dat (huis)bezoeken die alleen afgelegd worden, geen aanleiding worden tot grensoverschrijdend gedrag (misbruik in pastorale relaties). Liggen situaties op dit vlak gevoelig (dat kan natuurlijk ook zo zijn aan kant van de ambtsdrager) dan is het beter samen te gaan.

Een ander argument om alleen op huisbezoek te gaan is de beschikbare tijd. Samen op bezoek gaan kost tweemaal zoveel tijd als alleen. Het dagelijks leven is drukker geworden dan vroeger. Ook ambtsdragers ervaren dat in hun persoonlijk leven en in hun gezinsleven.

Nadeel bij het alleen op huisbezoek gaan, is de mogelijkheid dat er zaken aan de orde komen die vermaning en tucht raken. Dan is het beter om samen te zijn. Maar in de praktijk zal dat niet zo vaak voorkomen. Bovendien kan het huisbezoek in die situatie afgebroken worden met de afspraak dat men zo spoedig mogelijk terugkeert met een collega-ambtsdrager om verder door te spreken.

Voor beide manieren van huisbezoek doen - samen of alleen - zijn plus- en minpunten aan te wijzen. Het is goed om als kerkenraad daarover met elkaar het gesprek aan te gaan en de mogelijkheden in eigen gemeente onder ogen te zien. Wat mij betreft, heeft het meer voordelen dan nadelen om alleen op huisbezoek te gaan. Predikanten doen dat in de meeste gevallen ook (alleen heet het dan geen huisbezoek, maar zal het pastorale gesprek toch ook gericht zijn op dezelfde geestelijke diepte). Andere ambtsdragers kunnen daar ook gebruik van maken.

Hoeveel adressen?

Het is gebruikelijk om de gemeente onder te verdelen in wijken. Meestal wordt aan de wijk een eigen ouderling gekoppeld die op huisbezoek komt. De grootte van een wijk is verschillend. Dat kan ook niet anders omdat gemeenteleden verhuizen, kinderen worden geboren, anderen komen bij de gemeente, een zorgcentrum wordt ergens nieuw gebouwd, enzovoorts. Het is goed om van tijd tot tijd eens te kijken hoe groot elke wijk is. Anders kan het gebeuren dat de pastorale werklast van de ene ouderling veel groter wordt dan die van zijn collega-ouderling. Het kan natuurlijk voorkomen dat een broeder aangeeft dat hij een grote(re) wijk aankan omdat hij geen fulltime baan heeft of al met pensioen is. Maar ook dan is het goed om met elkaar te bekijken wat wijs is. Want een eventuele opvolger in die wijk zal wellicht niet dezelfde ruime mogelijkheden hebben.

Voor zover ik het kan overzien in eigen gemeente en verder om mij heen, lijkt een wijk van 25 tot 30 adressen een goede keuze te zijn. Meer adressen maakt het moeilijk om nog goed bij te houden wat er in de wijk gebeurt en daar op in te spelen. Ik ga er dan vanuit dat naast het huisbezoek er ook nog andere pastorale bezoeken worden gebracht, bijvoorbeeld rond ziekte, verjaardagen en andere bijzondere gebeurtenissen. Met een kleine rekensom wil ik de wijkgrootte toelichten. Het zal duidelijk zijn dat ik van getallen uitga die per persoon en per gemeente verschillend kunnen zijn. Het is niet meer dan een ruwe schatting. Ik ga ervan uit dat er in principe gemiddeld twee avonden per week beschikbaar zijn voor het ambtelijke werk (huisbezoek op de ene avond, vergaderingen en andere bezoeken op de andere avond).

Rekening houdend met o.a. vakanties, ga ik ervan uit dat er gedurende 40 weken per jaar bezoeken in de wijk gebracht worden. Bij een wijkgrootte van 30 adressen kan dan in het eerste jaar na het aantreden van de wijkouderling 1 huisbezoek per avond worden gebracht, uitgesmeerd over 30 weken. Voor de andere bezoeken zijn dan nog 10 weken over en waar nodig kan ook de tweede avond per week worden ingezet. Na het eerste jaar van de wijkouderling ga ik ervan uit dat hij 2 huisbezoeken per avond kan doen (1 uur per huisbezoek). Dan zijn er 15 weken nodig om de hele wijk rond te komen. Er zijn dan 25 weken over voor het overige bezoekwerk in de wijk. In de praktijk zal dit niet altijd zo uitkomen - al was het alleen maar wegens de soms moeizame manier waarop afspraken voor huisbezoek gemaakt kunnen worden. De genoemde richtgetallen geven wel aan dat het wijs is op tijd te beginnen met plannen en afspreken van de huisbezoeken. Lukt het niet om twee huisbezoeken per avond te houden, dan is een langere periode nodig om de wijk helemaal rond te komen. Is er maar één avond per week beschikbaar voor het ambtelijk werk, dan zal het moeilijk worden naast de huisbezoeken ook nog andere bezoekjes af te leggen. In dat geval kan het goed zijn om ook anderen in te zetten voor het bezoekwerk in de wijk.

Minimaal eenmaal per jaar?

In artikel 23 van de kerkorde staat dat de ouderlingen ‘jaarlijks huisbezoek afleggen’. Het reglement voor de kerkvisitatie vraagt onder ‘pastoraat’ of alle gezinnen elk jaar huisbezoek ontvangen. Kerkordelijk ligt de zaak duidelijk: huisbezoek dient minimaal eenmaal per jaar te worden afgelegd bij alle gemeenteleden. In de praktijk is het echter niet altijd meer zo duidelijk.

Hoe het in andere classes ligt, weet ik niet. Maar in de classis Rotterdam is het geen uitzondering als er gemiddeld eenmaal per anderhalf jaar huisbezoek wordt gebracht. En daar is ook begrip voor. Want naast de toegenomen drukte van het leven die ik boven al noemde, heb ik de indruk dat er veel meer een beroep wordt gedaan op pastoraal meeleven door de ouderlingen dan in het verleden. Naast het huisbezoek zijn er nog tal van andere pastorale situaties waarbij bezoek verwacht wordt: ziekte en rouw, relatieproblematiek, eenzaamheid, psychische ziekte (w.o. burn-out), aftakeling van het verstand, zorg om (klein)kinderen, enzovoorts.

Als artikel 23 van de kerkorde spreekt over het jaarlijkse huisbezoek, wordt in het kort ook aangegeven wat de inhoud van dat bezoek is: ‘daarbij zullen ze de leden van de gemeente vertroosten, vermanen en onderwijzen, onder andere met het oog op de avondmaalsviering. De ouderlingen zullen tevens trachten anderen te bewegen tot het geloof in Christus’. Het zijn grote woorden die wijzen op een belangrijk doel: dat de gemeente leeft uit de volheid van het heil van Christus. Elke ambtsdrager die dat op zich in laat werken, zal zich ook onder de leiding en de zegen van de Heilige Geest van harte willen inzetten om hieraan mee te werken.

Als het in de praktijk moeilijker wordt om elk jaar huisbezoek af te leggen, vraagt dat om bezinning. Want als de geestelijke bedoeling van het huisbezoek schade lijdt, lijdt de hele gemeente schade. Er zullen in elke gemeente wel broeders en zusters zijn waar het niet zo erg is als eenmaal per anderhalf jaar huisbezoek wordt gebracht. Maar hoe groter de ruimte tussen de huisbezoeken, hoe moeilijker het wordt van elkaar te weten wat er leeft in het hart en hoe moeilijker het wordt als kerkenraad om te weten wat er leeft in de gemeente.

Wat mij betreft, is het een goede zaak om het jaarlijkse huisbezoek ook daadwerkelijk ieder jaar af te leggen. Om daar op een reële manier ruimte voor te maken, zouden naast de ouderling (en in overleg met hem) andere gemeenteleden met pastorale gaven ingezet kunnen worden voor het overige bezoekwerk.

Dr. Van Pelt is predikant in Oud-Beijerland en docent pastoraat en diakoniek aan de TUA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.