+ Meer informatie

Petrus Dathenus

8 minuten leestijd

(2.)

Uit de brieven van Datheen aan Calvijn gezonden blijkt duidelijk dat hij hoge achting voor Calvijn had. In 1556 heeft Calvijn enige weken in Frankfort doorgebracht en ongetwijfeld zullen zij toen elkaar wel ontmoet hebben. Voor die tijd hadden zij ook al met elkaar gecorrespondeerd, want niet alleen over de toestand te Frankfort, maar ook in andere kwesties heeft Datheen aan Calvijn om raad gevraagd. Van de brieven, die bewaard gebleven zijn is de eerste brief van 2 November 1555. Uit naam van ö, Lasco zendt Datheen aan Calvijn een afschrift van de brief, die aan de koning van Polen is gezonden. Tevens noemt Datheen zich in deze brief gelukkig, thans met een zo groot man als Calvijn in aanraking te komen.

De volgende brief van Calvijn is gedateerd 20 September 1558 en gaat over enkele moeilijkheden, die zich te Antwerpen hadden voorgedaan. De eerste moeilijkheid ging over de particuliere samenkomsten. Zijn deze geoorloofd en wettig en doet men er goed aan zich daarom aan gevaar bloot te stellen? De overheid liet deze samenkomsten niet toe en erkende de daar gesloten huwelijken niet en hield de kinderen uit zulk een echt geboren voor onwettig.

Een andere moeilijkheid was of de personen, die zulke samenkomsten bijwoonden, hun kinderen bij de Papisten mochten laten dopen, wanneer er geen andere godsdienstoefeningen in het openbaar werden gehouden.

Over deze kwestie had men vanuit Antwerpen aan Datheen om raad gevraagd. Deze vond die zaken echter zo belangrijk, dat hij niet alleen durfde te beslissen en daarom aan Calvijn in deze brief om advies vraagt.

Tenslotte schrijft Datheen ook enkele brieven aan Calvijn over de toestand in Frankfort. Wat toch was er inmiddels te Frankfort gebeurd?

De Lutherse stadspredikanten waren een lastercampagne tegen de Gereformeerden begonnen. Ja. drongen er zelfs op aan, dat de Raad de vreemdelingen voor de keus zou stellen: óf zich in leer en ceremoniën geheel aan het Lutheranisme te conformeren, óf van al hun voorrechten te worden beroofd. Bovendien werd ook de bevolking tegen de vreemdelingen opgehitst.

Teneinde raad nam de Raad dan ook 22 April 1561 het besluit aan de vluchtelingen de vrije uitoefening van hun godsdienst te verbieden. Zo waren zij dus opnieuw genoodzaakt hun zwerftocht aan te vangen.

Doch de Hollandse vluchtelingen zullen eerst nog een gesprek met de stadspredikanten aanvragen en aandringen op heropening van het kerkgebouw, alvorens te vertrekken. Tevens is het besluit van de Frankfortse Raad aanleiding tot een nieuwe briefwisseling tussen Datheen en Calvijn. Want een zeer ernstig gevolg van dit Raadsbesluit is, dat nu ook de bediening der Sacramenten moet achterwege blijven. Datheen was van gedachte, dat het in deze noodtoestand wel geoorloofd was, de kinderen in de samenkomsten der Luthersen te laten dopen, mits men daarbij verklaarde, de Lutherse doopsopvatting niet geheel te kunnen delen. Enige tijd handelde men overeenkomstig dit advies, totdat Gasper van der Heyden — die ook predikant bij de Hollandse vluchtelingenkerk te Frankfort was geworden — er zich tegen begon te verzetten.

Het meningsverschil nam een zó ernstig karakter aan, dat Datheen en van der Heyden tenslotte besloten advies in te winnen bij Calvijn. 28 April 1562 zond Datheen dan ook een schrijven aan Calvijn. In deze brief schreef hij o.m. , , Nadat ons hier door een Raadsbesluit de bediening ontnomen was, hebben de meeste onzer landgenoten hun kinderen bij de dienaren der Duitse kerken ten doop gepresenteerd. Want over de leer van de doop hebben wij met die predikanten nooit strjjd gehad en zij hebben alleszins dragelijke ceremoniën bij de doop, want duivelbanningen en dergelijke dingen zijn bij hen niet in gebruik. Echter vragen zij aan het kind, of het gelooft en aan Satan zijn afscheid geeft; waarop de doopheffer in zijn naam antwoordt: Ja. Iets dat wij niet voor noodzakelijk houden, maar evenmin goddeloos kunnen noemen. Intussen wordt van niemand enige verloochening van de leer gevraagd, maar wij hebben altijd standvastiglijk en zeer vrijelijk de waarheid beleden en de dwalingen berispt. Nu heeft echter dit laten-dopen-bij-de-Duitsers grote ergernis gegeven aan onze broeders landgenoten, die in Brabant en Vlaanderen zijn en vervolgens ook aan hen die te Santwich en te Londen in ballingschap leven; zodat zij ons beschuldigen van ik weet niet welke afval van de zuiverheid der leer en van onoprechtheid en ons door hun brieven ernstiglijk vermanen onze zonde hierin te erkennen."

Na vervolgens de verschillende meningen in de gemeente te hebben weergegeven en zijn vrees voor een scheuring te hebben geuit, vraagt hij of Calvijn zijn gevoelen hieromtrent „door enige passende en duidelijke bewijsplaatsen uit de Schrift bevestigd" aan Datheen wil kenbaar maken.

Dit schrijven werd 18 Juni 1562 door Calvijn beantwoord. Hij begint met te zeggen, dat 't beste is indien de goedgezinden en Godvrezenden zich opmaken om een ander toevluchtsoord te zoeken. Calvijn schrijft: „Het is mij niet onbekend hoe lastig en kostbaar die verandering zijn zal en van hoeveel ongemakken zij vergezeld is." Vervolgens gaat Calvijn breedvoerig uiteenzetten, dat het toch niet aangaat de Doop te vragen in een Kerk, die ten opzichte van het Avondmaal afwijkende gevoelens voorstaat. Wie nu, zonder te protesteren tegen de Lutherse Avondmaalsleer, toch de Doop voor zijn kinderen in de Lutherse kerk begeert, verloochent daarmee zijn eigen belijdenis, zo betoogt Calvijn. Nu had Datheen juist nadrukkelijk verklaard: „wij hebben altijd standvastiglijk en zeer vrijelijk de waarheid beleden en de dwalingen berispt." Blijkbaar heeft Calvijn de bedoeling van Datheen niet geheel begrepen, want Calvijn's brief gaat uit van de mening, dat de Gereformeerden te Frankfort hun kinderen in de Lutherse kerk lieten dopen zonder enig protest. Alleen aan het slot van zijn brief behandelt hij kort de kwestie, waarover Datheen advies had gevraagd en schrijft: „Al wie zijn kind bij de Luthersen ten doop presenteert, is, naar mijn opvatting, gehouden openlijk en ronduit zijn gevoelen betreffende het H. Avondmaal te belijden.

Maar ik meen wel verzekerd te zijn, dat de Luthersen de kinderen, die hun gepresenteerd woorden op deze voorwaarde, niet zullen willen dopen."

Om alle misverstand te voorkomen schrijft Datheen 18 Sept. 1562 nog eens een brief over deze kwestie aan Calvijn. Hij zegt in deze brief, dat Calvijn's standpunt geheel met het zijne overeenkomt nl. dat men óf als balling van woonplaats moest veranderen óf hij het ontvangen van de doop moest betuigen een andere opvatting te hebben van het artikel van het Avondmaal. „Altijd hebben wij openlijk voor de Raad en de predikanten betuigd, wat over het Avondmaal en de Doop ons gevoelen was, " zo schrijft Datheen; van prijsgeven van eigen overtuiging is dus geen sprake geweest. Op deze brief geeft Calvijn 17 October antwoord en schrijft: „Wat ons betreft, wij kunnen niet anders oordelen, dan dat diegenen goed gedaan hebben, die aanstonds na de sluiting van het kerkgebouw en het verbod van godsdienstoefening hun koffers gepakt hebben en naar elders verhuisd zijn. Aan de andere kant zou het onmenselijk zijn, hen die door hun zaken verhinderd en teruggehouden zijn, zodat zij niet konden weggaan en zich naar een andere plaats begeven, te willen aanzien en beschimpen als verraders van de waarheid. Als men dan tegenwerpt, dat zij, die hun kinderen bij de tegenstanders ten doop presenteren, Jezus Christus aan bespotting blootstellen, wij erkennen, dat de zodanigen, indien zij de waarheid ontveinzen en niet openlijk tonen, dat zij een afkeer hebben zowel van de dwalingen ais van de tirannie en barbaarse hoogmoed dergenen aan wie zij vergunnen hun kinderen te dopen, een fout begaan, die niet verontschuldigd noch

geduld kan worden; want het is zeker dat die vetgemeste en behagelijk levende predikanten niet anders zoeken dan over Christus en over Zijn waarheid cle overhand te hebben; en wij kunnen hun onbeschaamdheid niet voeden, zonder voortdurend Christus smaadheid aan te doen. Maar indien zij er een vrijmoedige en volledige belijdenis bijvoegen, waardoor zij de aanmatiging dier eerwaarden vernederen, zie ik niet in, waarom men in het geheel diegenen moet veroordelen, die genoodzaakt zijn toe te laten dat hun kinderen gedoopt worden door hen, die daartoe als gelast en gesteld zijn, al keuren zij hen ook niet goed." Calvijn stelt zich dus op hetzelfde standpunt als Datheen.

Enkele malen heeft men nog aan de Raad een smeekschrift gezonden, waarin om een gesprek met de stadspredikanten werd verzocht. Doch telkens werd er afwijzend op beschikt.

Tenslotte hebben de theologische faculteiten van de universiteiten te Heidelberg en te Marburg nog pogingen in het werk gesteld tot oplossing van het conflict. Ja, zelfs zijn er nog gezanten van Frederik II, keurvorst van de Paltz en van Philips, landgraaf van Hessen, met hetzelfde doel naar Frankfort gekomen. Doch alle pogingen faalden. In Maart 1562 verliet Datheen, en met hem een zestigtal gezinnen, de stad, waarin hij ruim zes jaar had verkeerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.