+ Meer informatie

OPENINGSWOORD OP DE LANDELIJKE VOORJAARSCONFERENTIE voor ambtsdragers van de Christelijke Gereformeerde Kerken gehouden op zaterdag 23 mei 1998 in de Ichthuskerk in Amersfoort

8 minuten leestijd

Het thema van deze conferentie is de vraag of u en ik, die het grote maar tegelijk verantwoordelijke voorrecht genieten ambtsdrager in de kerk van Christus te zijn, voldoende zijn toegerust om met de bijbel en de vragen daarom heen in de ambtelijke praktijk verantwoord om te gaan. Naar mijn stellige indruk moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. De bijbel wordt door ons natuurlijk met de traditionele regelmaat nog wel gelezen en af en toe werpen we misschien ook nog wel eens een blik in de belijdenissen van de kerk om te zien wat daarin vanuit de bijbel over de christelijke geloofsgeheimenissen wordt nagesproken, maar dat kweekt op zich nog niet het vermogen aan om met de Heilige Schrift op huisbezoek, in de toetsing van de prediking op haar bijbels gehalte en toepasselijkheid naar de gemeente toe en in de confrontatie met anders denkenden op adequate wijze om te gaan. Want er is vandaag nogal wat aan de hand.

In de theologische wereld gaat vandaag enorm veel om, aan oude en nieuwe vragen en af en toe, eigenlijk steeds meer, aan zaken die het fundament van ons christelijk geloof raken. Vroeger gingen deze dingen misschien grotendeels langs het gewone kerklid heen en ambtsdragers verdiepten zich in theologische vraagstukken alleen voorzover zij er zich persoonlijk bij geïnteresseerd voelden.

Vandaag is dat anders. Niet alleen wetenschappelijk, maar ook in gepopulariseerde vorm bereikt een vloed van boeken en geschriften het brede kerkelijke publiek, waarin gedachten over de meest fundamentele geloofsstukken worden ontvouwd, soms in bevestigende, ook veel in ontkennende zin. Met de woorden “ontkennende zin” wordt hier bedoeld dat vraagtekens worden gezet bij de wijze waarop de christelijke kerk bepaalde geloofswaarheden door haar geschiedenis heen voor zeker heeft gehouden. Nieuw, verbeterd en eerlijker Schriftonderzoek zou op sommige punten van de christelijke geloofsleer in een andere richting wijzen. Zo staat de houdbaarheid van de belijdenis van Jezus als God en mens ter discussie.

Uit een vloed aan geschritten en artikelen van de laatste jaren rijst een beeld op van Jezus, dat ontdaan is of ontdaan wordt van de hoge en verheven christologie zoals deze uit de oude belijdenissen van de kerk op ons toekomt en zoals deze in de gereformeerde theologie en in de gereformeerde prediking steeds gangbaar is geweest. Met name de driedelige serie van dr. Den Heijer “De Messiaanse weg” gaat daarin heel ver. Bij de daarin ondernomen studie is rekening gehouden met de inzichten en resultaten van de historisch-kritische exegese, wat bij de schrijver tot de vergaande consequentie heeft geleid, dat het traditioneel-kerkelijk en dogmatisch beeld van Jezus ingrijpend moet worden gecorrigeerd. De traditioneel-ehristelijke visie op de waarde van het Oude Testament met betrekking tot Jezus Christus is door de theologische ontwikkeling aan herziening toe. Uit deze en andere geschritten (ook buiten eigen land) spreekt een duidelijke tendens (hier en daar met overtuigend lijkende argumentatie onderbouwd) om in het beeld van Jezus Christus een grotere plaats in te ruimen voor zijn Jood- en menszijn en het te ontdoen van het aureool, waarmee de kerk van de eerste eeuwen de persoon en het werk van de Here Jezus als Heiland der wereld heeft omgeven.

Niet nieuw

De vragen die hier liggen zijn niet nieuw, maar ze komen nu sterker en met meer wetenschappelijke pretentie aan de orde. Vroeger gingen ze aan het gewone kerklid voorbij en ook nu gaat er aan theologische studies nog wel veel buiten de gemeente om, hoewel er in de gemeenten met betrekking tot deze dingen misschien meer omgaat dan men oppervlakkig gezien denkt. Deze dingen raken namelijk het hart van de gemeente. Als in prediking, catechese en pastoraat de gemeente wordt geleerd antwoord te geven op de vraag wie Jezus Christus is, zullen - als daartoe aanleiding bestaat en duidelijke redenen aanwezig zouden zijn - oude, verkeerde of overtrokken termen en begrippen moeten worden bijgesteld. Als de oude dogmatische beeiden van Jezus Christus als Zoon van God, Heiland der wereld, Verzoener van onze zonden, Eersteling uit de doden en Enige Middelaar tussen God en mensen (christenen en Joden) nog voluit geldend blijken, zullen alle relativeringen daarvan, zoals deze nu zich aan ons opdringen, moeten worden weersproken. Wat is hier waar, wat is niet (meer) helemaal waar en wat is helemaal niet waar? Is er buiten Jezus Christus geen zaligheid? Is het alleen zijn zoenoffer dat mensen in een herstelde relatie tot God plaatst of zou kunnen blijken dat ook andere wegen mensen bij God doen uitkomen? Is een correctie op de traditionele visie van Jezus Christus als Heiland der wereld mogelijk, zonder dat het onbegrijpelijke geheimenis van Christus’ kruisdood en opstanding geweld wordt aangedaan? Betekent een sterkere accentuering van het Jood en mens zijn van Jezus tegelijk ontgoddelijking in de zin waarin Hij in de christelijke geloofsleer voor goddelijk wordt gehouden?

De gemeente van Christus heeft er recht op te weten hoe vandaag, in de ontmoeting tussen Jodendom en Christendom, bij de verschijning van (ogenschijnlijk) goed gedocumenteerde studies rond de vraag wie Jezus nu eigenlijk was, blijvend antwoord moet worden gegeven op de vraag: maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? Mijn Verlosser en mijn God, hebben door de eeuwen heen miljoenen geloofd en beleden. De Verzoener van mijn zonden, hebben evenveel miljoenen, hun brekend oog op het kruis gericht, gestameld. De enige weg tot God, geloven wij. En terecht, menen wij.

Veel meer moeilijke vragen, in elk geval vragen die het de ambtsdrager moeilijk kunnen maken

Denken we eens aan het Godsbestuur in het grote wereldgebeuren en in ons eigen kleine leven.

Twijfel en onzekerheid over de sturende hand van God in ons leven manifesteren zich niet alleen bij ongelovigen en onkerkelijken. Veel jongeren, die op de rand van geloof en van hun betrokkenheid bij de kerk balanceren, lijden bewust of onbewust ook aan deze twijfel. Wel vanuit een andere instelling, maar ook de gelovige, ook de kerkelijke mens, ook hij of zij die zich in bijbelse zin kind van God mag weten, kan ermee overhoop liggen.

Christenen staan niet buiten het grote wereldgebeuren en ook hen kan, als zij kijken naar het bonte gewriemel en gewemel op deze planeet, naar alle turbulente gebeurtenissen en rampen, naar alle onrecht en vernedering van mensen door mensen, wel eens de wurgende vraag bespringen: hoe moet ik in en achter al deze dingen de hand van God zien en welke zekerheid mag ik nu hebben dat mijn kleine leventje, met alles wat daarin aan vreugde en verdriet, aan voorspoed en tegenspoed omgaat, bij God bekend is en dat mijn signalen van dank bij voorspoed en mijn schreeuw om bijstand wanneer het tegenzit, inderdaad door Hem worden opgevangen? En treft in deze wereld het kwaad niet evenzeer de goeden als de siechten?

Het geloof in een persoonlijk God

Het geloof in een persoonlijk God die, als we dat zo mogen zeggen, tot al zijn schepselen in een levende en emotio’nele en tot zijn kinderen in Jezus Christus in een bijzondere relatie staat, is ouderwets aan het worden. In een combinatie van modern levensgevoel en moderne theologie wordt dat geloof bij stukjes en beetjes als fundament onder het leven van velen weggegraven. Over het wie, wat, waar en hoe van God, wordt in discussies veelal op zwevende, versluierende wijze en in omstandige termen gesproken. Om het eigenlijke wordt vaak heen gedraaid met woorden, die niet ten volle ontkenning, maar ook geen erkenning inhouden en die luisteraars en kijkers vaak met wezenlijke vragen en teleurgesteld achterlaten. Opmerkelijk is hoevelen onder de intelligentia in christelijke kringen, het een gênante zaak vinden om nog ronduit voor hun geloof in een persoonlijk God uit te komen. Het staat modern om vragen over het persoonlijk geloof in algemene en vooral relativerende termen te beantwoorden, in elk geval in termen die elke gedachte aan of affiniteit met de “primitieve” geloofsopvattingen van het voorgeslacht uitsluiten. Men hoort vaak spreken over de waarden van het Evangelie, die waard zijn in alle sferen van ons bestaan uitgangspunt voor ons doen en laten te zijn, maar dan wel ontkoppeld van de gedachte dat we in dat alles met een persoonlijk God te maken zouden hebben.

Geen eenduidige visie op de bijbel

Ambtsdragers krijgen hierover in hun praktijk wel eens indringende vragen toegeschoven. Dan moet er met goede kennis van en een goed inzicht in de verbanden van de Heilige Schrift kunnen worden geantwoord. Op die aanwezige kennis moet elke ambtsdrager zichzelf maar toetsen. Met dat inzicht ligt het moeilijk, eenvoudig omdat binnen de kerken (in brede zin) steeds minder sprake is van een eenduidige visie op de Heilige Schrift. Ontstaan, auteurs, inspiratie, canonisering, historiciteit van in de bijbel beschreven gebeurtenissen en wonderen, relevantie van geboden en verboden voor onze tijd: zie daar enkele trefwoorden, waar omheen in de laatste decennia heftige discussies zijn en nog steeds worden gevoerd.

Op dit laatste willen ons vandaag heel in het bijzonder bezinnen.

Mijn grootvader van moeders kant, ouderling van de Geformeerde Gemeente van Aagtekerke, onder de toenmalige, later christelijk gereformeerd geworden Ds. Kok, maakte bij diepzinnige discussies over geloofsvraagstukken nogal eens de door hem zelf bedachte of van anderen geleende opmerking: “Een druppel liefde is meer dan een zee vol kennis”. Die uitspraak correspondeert met het voorgelezen schriftgedeelte uit 1 Corinthe 13.

Ik spreek graag de wens uit dat bij de zee van kennis die vandaag misschien over ons heen komt, die ene druppel liefde niet zal ontbreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.