+ Meer informatie

WE WORDEN OUDER EN ZIEKER (consequenties voor het pastoraat)

11 minuten leestijd

Schets van de situatie

Het is een bekend feit dat onze Nederlandse samenleving langzaam maar zeker vergrijst. De financiële consequenties daarvan worden met regelmaat in de media onder onze aandacht gebracht. Men denke aan de bekostiging van de AOW (rond 2015) en aan de gezondheidszorg. Al een aantal jaren worstelt de regering met de vraag hoe een en ander in goede banen te leiden is.

Bekend is ook hoe dit alles gekomen is. Aan de ene kant is er het dalend aantal geboorten in Nederland, aan de andere kant de op indrukwekkende wijze toegenomen kennis van de medische zorg. Daardoor kunnen mensen, die vroeger door een bepaalde kwaal menselijkerwijs ten dode waren opgeschreven, nu in veel gevallen geholpen worden. Zij zien hun leven “verlengd”, tot hun vreugde! Te denken is aan de behandeling van hart- en vaatziekten, en ook van bepaalde vormen van kanker. Keerzijde van die situatie is dat bij die groter wordende groep ouderen andere kwalen duidelijker naar voren komen. In ons land worden jaarlijks niet minder dan 22.000 mensen (4 op de 5 ouder dan 65 jaar…) door een herseninfarct of -bloeding getroffen, met meer of minder ernstige gevolgen. De verwachting van deskundigen is dat tot het jaar 2000 in verband met de vergrijzing nog een toename van 50% te verwachten is.

Wie regelmatig in ziekenhuizen en verpleeghuizen komt, ziet daar de gevolgen van het feit dat wij “ouder en zieker” worden voor ogen. En vooral daar waar de vergrijzing zeer sterk doorzet (de verstedelijkte gebieden in ons land) is de nood hoog en zijn wachtlijsten voor verpleeghuizen en zorgcentra lang…

Situatie in onze eigen kerken

Als we bezien hoe onze eigen kerken met deze - ruw geschetste - situatie te maken krijgen, dan ontkomen we niet aan een verfijning. Er zijn gedeelten in ons land waar de verhouding tussen het aantal jongeren en het aantal ouderen gunstig ligt. Met name in het oosten en noorden van ons land is dat het geval (uiteraard in algemene zin gesproken). Maar ook in het westen kom je zulke gemeenten tegen, met name daar waar de zogenoemde groeikernen zijn: in plaatsen als Zoetermeer, Purmerend, Almere, Hoofddorp zijn veel (jonge) gezinnen uit onze kerken terecht gekomen die in de steden waar ze eerst woonden (Den Haag, Amsterdam) geen woning met tuintje konden krijgen. In zulke plaatsen zijn de laatste jaren dan ook nieuwe gemeenten gesticht. Wie zondags daar op de kansel staat, ziet het: het is “fris en groen”. De keerzijde van deze medaille is echter, dat in die steden de ouderen overbleven en dat het evenwicht dat daar was tussen jong en oud, in veel gevallen danig verstoord is.

Vergelijking van het Jaarboek van 1950 met dat van 1993 leert dat in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam de verhouding tussen doop- en belijdende leden 43 jaar geleden nog ruim 4 op 3 was, en nu ruim 2 op 1 (overigens daalde het totaal aantal leden in die steden van 6955 tot 3341…). U mag in rekening brengen dat de leeftijd waarop men belijdenis doet verlaagd is, maar dan nog zijn de cijfers sprekend: de verhouding tussen ouderen en jongeren wordt steeds onevenwichtiger. We worden ouder…

Enkele bijbelse gegevens

In de Heilige Schrift wordt zonder enige terughoudendheid geschreven over de werkelijkheid van het ouder (en vaak ook zieker) worden. De meest bekende tekening daarvan vindt men in Pred. 12. In een machtige beeldspraak schetst Prediker het langzaam minder worden van allerlei lichaamsfuncties. Voor veel ouderen is het lezen van dit gedeelte werkelijkheid, pijnlijke werkelijkheid. Het Evangelie licht dan toch ook weer op in de woorden: “De geest keert weer tot God, die hem geschonken heeft…” Over het wijken van onze krachten bij het ouder worden spreekt ook Psalm 71 op verschillende plaatsen.

Opvallend in de Schrift is ook dat de Here God geen scheiding trekt tussen ouderen en jongeren. In onze samenleving gebeurt dat wel; ieder kent de kracht van de reclame in de media. Daarin lijkt het soms dat je alleen maar echt leeft, wanneer je jong bent en onbezorgd en “wat wilt”. Oud zijn is iets dat wordt weggedrukt; gebrokenheid - zozeer een gegeven sinds Gen. 3 - wil men niet zien. In de bijbel is juist sprake van ouderen en jongeren die op elkaar betrokken zijn en op elkaar aangewezen worden. Ik denk aan Zach. 8:4 en 5, waar gesproken wordt over (het toekomstige) Jeruzalem waar op de pleinen oude mensen zitten, maar waar op diezelfde pleinen ook speiende jongens en meisjes te vinden zijn. En Pred. 12 (zie boven) begint met: Gedenk uw Schepper in uw jongelingsjaren, voordat de kwade dagen komen…”. Dat heeft bepaald consequenties voor het onderwerp van dit artikel.

De zorg voor ouderen en zieken

Eén van de kenmerken van de christelijke gemeente is dat we daar naar elkaar omzien. De gemeente van Jezus Christus leeft van het heil dat tot stand komt doordat God “naar ons heeft omgezien - wij, in de nacht verdwaalden”. Wie dat enigszins heeft gepeild in eigen leven door Gods genade, krijgt geopende ogen om te zien wat anderen in hun nood nodig hebben. Had ook de Heiland geen open oog voor ieder die in moeite was, en richtte Hij geen tekenen van Zijn Koninkrijk op in de genezing en begeleiding van zieken en zwakken in de samenleving?

Toegesneden op ons onderwerp levert dat intussen wel de nodige problemen op. Men ziet dat al in de samenleving, waar zolang mogelijk de ouderen zelfstandig blijven wonen (een groot goed!) en waar speciale thuiszorg wordt beloofd om dat te kunnen realiseren. Die zorg moet van het jongere deel in onze samenleving komen. Nu doet zich het verschijnsel voor dat in “jonge” plaatsen in ons land veel jonge mensen zijn die deze zorg (alfa-hulp, gezinsverzorging enz.) kunnen geven, terwijl er weinig ouderen zijn die dat nodig hebben. In de grote steden in het westen is het juist andersom: er is door het grote percentage ouderen veel hulp nodig, maar het aantal mensen dat die hulp kan geven, is relatief gering… In die steden wreekt zich ook nog eens het feit dat men eenzaam is (terwijl die steden zó vol zijn…), want men woont qua tijd vaak ver van elkaar vandaan, terwijl in de sfeer van het platteland via familie en vrienden die gemakkelijk te bereiken zijn, hulp gemakkelijker gegeven kan worden.

Onze kerkelijke gemeenten hebben natuurlijk met diezelfde moeiten (of gemakken) te maken. Vanuit bovenstaande bijbelse gegevens mag echter een extra inspanning van ons verwacht worden om toch de leden van de gemeenten die de moeiten van het ouder worden ondervinden, naar vermogen te helpen.

Ordening van het pastoraat

Alle pastoraat in de gemeente moet op geordende wijze gebeuren, wil het niet in de veelheid van de zaken die op ons afkomen, te gronde gaan. Wie dan ook nadenkt over de consequenties voor het pastoraat bij het ouder en zieker worden van gemeenteleden zal allereerst naar de structuur kijken, waarbinnen dat pastoraat moet gebeuren. Een goede wijkindeling is van groot belang, liefst zó dat de ouderling- en diakenwijken (en waar mogelijk ook de wijken van de contactdames/wijkdames/zusterkringen) parallel lopen. Dat vereenvoudigt onderling overleg aanzienlijk en men kan de aandacht dan gemakkelijk onderling verdelen.

Uit het noemen van deze namen (ouderlingen, diakenen, wijkdames) moge al duidelijk zijn dat de pastorale aandacht voor dit deel van de gemeente niet slechts voor rekening van de predikant komt. Het moet zelfs gezegd worden dat naarmate de laatste steeds meer ingewikkelde pastorale zaken in zijn agenda moet opnemen (veel meer dan vroeger), de aandacht voor andere pastorale zaken gedeeltelijk door anderen overgenomen moet worden. Dat is een heel verschil met bijvoorbeeld dertig jaar geleden. Al naar gelang de problematiek van het gemeentelid zal een verdeling over predikant en andere ambtsdragers en zusters van de gemeente plaatsvinden.

Predikant en ouderlingen

Er zijn situaties waarin de aandacht van de predikant en ouderling zeer nodig is. Ik noem enkele situaties: bij overlijden van een partner, met wie men soms meer dan vijftig of zestig jaar in liefde alles gedeeld heeft. Bij diepgeestelijke vragen die bij het ouder worden kunnen knagen, zoals vragen over de zekerheid van het geloof, maar ook over het feit dat men bij het ouder worden soms moet zien dat (klein)kinderen lang niet altijd de wegen des Heren gaan. De vraag: “Heb ik het wel goed gedaan?” dient serieus genomen te worden en in een pastoraal kader belicht te worden, troostend en bemoedigend. Maar ook, als steeds meer ziekten het lichaam beheersen en handicaps de mobiliteit doen afnemen, de vraag naar het waarom van al deze dingen. Te wensen is dan dat we anders reageren dan de vrienden van Job destijds. En uiteraard kunnen de waaroms zich ook vermenigvuldigen wanneer de mogelijkheden van bewegingsvrijheid door ziekten en dergelijke steeds beperkter worden. In Openb. 14:4 wordt gesproken over het “volgen van het Lam, waar het ook heengaat”. Die woorden krijgen een extra dimensie in het licht van de moeiten die zich in de ouderdom voordoen. Het is aan de pastores om in uiterste voorzichtigheid en met tact samen met de gemeenteleden daar geestelijk zicht op te krijgen. Bij al deze vragen is men ook niet klaar met een enkel bezoek.

Diakenen en wijkdames

Maar ook voor diakenen en wijkdames is een specifieke plaats weggelegd bij de aandacht voor deze gemeenteleden. Lang niet altijd zijn het de vragen die in het vorige kopje genoemd werden; vaak is het ook de eenzaamheid die drukt bij het klimmen der jaren (“Er is bijna niemand meer die mij bij de voornaam noemt…”), het gevoel van afgedaan te hebben. Nu is eenzaamheid ten diepste niet door mensen op te lossen. Vaak heb ik gedacht: als iemand alleen is en op zes dagen van de maand een bezoekje krijgt, dan is hij/zij nòg 25 dagen van de maand alleen. Anderzijds: wat doet zo’n bezoekje - al blijft het weinig voor je gevoel - goed: de aandacht die er is. Gewoon “er zijn” voor die broeder of zuster, met of zonder bloemetje. Dit is soms in zeer intensieve zin nodig; daarom is verdeling over verschillende leden van de gemeente noodzaak. Men mag zelfs nog een stapje verder gaan: ambtsdragers en wijkdames mogen ook anderen in de wijk op het spoor zetten van deze noodzakelijke aandacht! In het kader van de bijbelse gegevens (zie boven) is het verheugend als in sommige gemeenten, naar mij bekend, jongeren hierin op hun eigen frisse wijze deelnemen. De gemeente is immers één? Aan de diaken is ook de taak om de wegen te vinden als het gaat om het zoeken naar concrete hulp, hetzij tijdelijk in de sfeer van noodzakelijke verzorging, hetzij permanent in de sfeer van een meer “beschermde woonvorm”.

De toekomst

Het pastoraat aan ouderen die met ziekte en handicap te kampen hebben, kan tenslotte nooit zonder dat daarin op enig moment het uitzicht ter sprake komt van datgene dat toch iedere dag dichterbij komt: de dag dat de Here ons oproept uit dit leven. Juist wanneer deze dingen in het geloof in de Here Jezus doorleeft mogen worden, komt er ook het verlangen naar het “ontbonden te zijn en met Christus te zijn”. Dat dit “verreweg het beste” is, heeft voor veel ouderen, die door hun toenemende ziekten, soms een extra accent gekregen. In Jes. 65:20 staat o.a. dat in Gods nieuwe toekomst er geen zuigeling meer zal zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard, die zijn dagen niet voleindigt. Het leven, door Christus verwonnen, overwint de dood en Gods zegen zal dan volmaakt zijn. En als we in Jes. 40 bij de aankondiging van het heil van God de tegenwerping wordt gemaakt van onze broosheid en vergankelijkheid (Jes. 40:6 en 7), dan klinkt daarna het nochtans van de betrouwbaarheid van die belofte: Zie, hier is uw God!

Het ter sprake brengen van deze tere geloofszaken in situaties van ouderdom en ziekte mag nooit te snel gebeuren (tenzij de betrokkene het zelf aangeeft in het gesprek); het zou al te snel over diepe wonden heengelegd kunnen worden en zo het tegengestelde kunnen bewerken van wat het pastoraat beoogt. Dan gaat er iets stuk, terwijl heling de bedoeling is. Wie Psalm 73 leest en op zich laat inwerken, bemerkt daarin de worsteling om de eigen ziekten, in tegenstelling tot wat men om zich heenziet. Dat heeft zijn tijd nodig. Maar dan komt ook het moment dat men in Gods heiligdom - via het gebed -verder kan gaan zien en de tegenstelling bij het einde mag zien tussen gelovigen en ongelovigen: “Al zou mijn vlees en hart bezwijken, mijns harten rots en erfdeel is God voor eeuwig” (vers 26).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.