+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

4 minuten leestijd

48.

DE SCHEPPING VAN DE MENS (3)

Het ontstaan van de ziel

We hebben besproken, dat de ziel van de mens een zelfstandige geestelijke substantie is, op het lichaam aangelegd en daarmede tot een eenheid verbonden is.

De ziel is dus door God geschapen. Maar hoe ontstaat verder de ziel van een mens? Hierover bestaan drie standpunten of theorieën.

Allereerst dat van het zgn. PRE-EXISTENTIANISME (vóór-bestaan). Men gaat van de gedachte uit, dat al de zielen in Adam tegelijk geschapen zijn en dat telkens bij een geboorte er een ziel wordt afgenomen en met het lichaam verenigd. U kunt dit standpunt vergelijken met een spaarpot.

Deze leer vinden we reeds bij Plato, de Griekse wijsgeer, 457 na Chr. geboren te Athene. Zijn gedachte over het ontstaan van de ziel komt in het kort hierop neer: het lichaam wordt door de ziel bewogen en daarom moet de ziel het eerst geweest zijn. Een gedachte uit zijn „ideeën-leer”.

Dit standpunt moet als geheel onschriftuurlijk afgewezen worden.

Een tweede theorie is die van het zgn. TRADUCIANISME (overbrenging), verdedigd door Luther en Lutherse theologen. Zij zeggen, dat de ziel zich voortplant, evenals het lichaam. God zeide tot de mens: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u. Dit houdt dus in, dat het aan de mens is gegeven, ook de zielen der nieuwe mensen door vermenigvuldiging voort te brengen.

Nauw grenzend aan deze opvatting is het zgn. GENERATIANISME, d.w.z. dat aan de menselijke natuur de gave gegeven is om te scheppen. De telingsakte is dus een scheppingsakte. Door deze zienswijze heeft men de leer van de erfzonde beter willen verklaren.

Alhoewel men voor dit standpunt verschillende Schriftplaatsen heeft willen aanvoeren, toch moet ook deze theorie van de hand worden gewezen omdat de Schriftbewijzen, die men hiervoor aangeeft, niet te verdedigen zijn als bewijsleverend. Bovendien is de gedachte, dat God aan de mens een scheppend vermogen zou hebben gegeven, geheel verwerpelijk.

De Heilige Schrift zegt zo duidelijk, dat de God de geest van de mens formeert. Zie Zach. 12 : 1: „En des mensen geestinzijn binnenste formeert”.

Daarom is de leer van het zgn. CREATIAINISME wel het meest aannemelijke Schriftuurlijke standpunt over het ontstaan van de ziel. Het is verdedigd door onze reformatoren en Gereformeerde theologen als Calvijn, Zwingli, Ursinus, Voetius, Brakel, Van der Kemp, en de latere: Kuyper, Bavinck en Honig.

Wel is het niet zo, dat alle vragen door deze zienswijze bevredigend kunnen worden opgelost, maar zij komt toch de Schrift het meest nabij.

Het Creatianisme leert, dat God telkens een ziel schept in het wordend lichaam, tussen de ontvangenis en geboorte in. Wanneer precies dit ogenblik is, kan door ons niet worden bepaald. God laat ons ten opzichte van het geboorte-wonder niet toe in Zijn werkkamer. Zo schoon en teer bezingt de dichter van Psalm 139 het:


Mijn ziel bepeinst Uw wonderdaan,
Die al ’t begrip te boven gaan.
Uw oog heeft mijn gebeent’ verzeld,
Toen ik, verborgen, saamgesteld,
Als een borduursel lag verscholen;
Van mij was niets voor U verholen.


Volgens de Bijbel is er een voortdurende schepping van zielen. Zij komen rechtstreeks van God. Zie o.m. Prediker 12 : 7: „En dat het stof wederom tot aarde keert als het geweest is, en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft”.

Zach. 12 : 1: „En des mensen geest in zijn binnenste formeert”.

Hebr. 12 : 9b: „Zullen wij dan niet veel meer de Vader der geesten onderworpen zijn en leven?”

Maar hoe zit het dan met de erfzonde? Wij worden toch geboren met een onreine ziel! „Wie zal een reine geven uit een onreine?” zegt de Schrift. En God kan dus niet een onreine ziel geven.

In de eerste plaats leren we naar de Schrift, dat de erfschuld is door „toerekening” en vóór de erfsmet gaat.

Wat deze erfsmet betreft, de verdorvenheid erven wij over van onze ouders. Het kreatianisme erkent, dat er bepaalde eigenschappen, karaktertrekken van ouders in hun kinderen ook gevonden worden. Dit in verband met het feit, dat de reine ziel, die dus van God komt, onder verband wordt opgenomen van de verdorven aard des mensen.

De gang van denken is dan als volgt:

God geeft een reine ziel, maar wanneer die in het verband komt met het menselijk geslacht, moet God krachtens de schuld der zonde die ziel Zijn beeld onthouden en komt deze dan in aanraking met de verdorven aard van de ouders, waardoor zij onrein, zondig wordt. Ps. 51 : 7: „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen”.

Hoe leert de Heere Zijn volk op de verdere levensweg bij diepere ontdekking: Graaf dieper en gij zult meerdere gruwelen vinden! Zo wordt Christus ook gepast, algenoegzaam en beminnelijk voor het ontdekte hart.

Van dat volk geldt het (Ps. 34 : 11 ber.):


Het zal, door Hem in gunst beschouwd,
niet schuldig zijn verklaard.


Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.