+ Meer informatie

Na de patrouille een gevreesde vijand

5 minuten leestijd

Midden in Batakland ligt het schitterende Toba-meer. In de tijd, dat Nommensen in Silindoeng was, woonde in de omgeving van het meer de priester-koning Singa-Mangaradja. Hij werd genoemd de beschermer van het heilige meer. Wee degene die zich als vreemdeling zou wagen in de nabijheid van deze geduchte koning! Het Toba-meer was het centrum van de voorvaderverering en het bolwerk van het heidendom. Tot nu toe was er nog nimmer een Evangelieprediker geweest, wat zeer te begrijpen valt. En 't was hard nodig dat de mensen verlost werden van de gruwelen die er geschiedden. Er wordt verteld, dat er op de markt mensenvlees werd aangeboden! De Bataks konden het kopen en mee naar huis nemen om op te eten.

Zou Nommensen.... ? Ja, maar dat zal toch wel te gewaagd zijn! En toch wil hij met alle geweld een bres slaan in dat gruwelijke bolwerk van satan. Maar hoe zal hij dat aanvangen? Wel, hij doet als een veldheer: hij zendt eerst een patrouille uit om de zaak te verkennen.

Op zekere dag woi'den drie paarden gereed gemaakt. De berijders van deze dieren zijn jonge, moedige helpers van de zendeling. Het zijn mannen waarop Nommensen kan rekenen. Het wordt een uiterst gevaarlijke tocht. Tussen Silindoeng en het Toba-meer ligt een heel grote steppe, begroeid met erg lang gras (alang-alang) en varens. Het is al moeilijk om daar door heen te dringen. Maar de mannen kennen het klappen van de zweep. Het zijn inboorlingen van de streek en voor geen klein geruchtje zijn ze vervaard. Als echte verkenners spieden ze naar alle kanten om te zien of er geen onraad is. Ja, ze zijn wel voorzichtig. Ze weten dat ze onverhoeds kunnen aangevallen worden; dat vergiftige pijlen door de lucht kunnen snorren en als die gevaarlijke dingen hen raken, zijn ze onherroepelijk verloren. Ze schieten aardig op en zijn zo ver gevorderd, dat het geen zin heeft om terug te keren.

Eindelijk .... nee maar, nu moeten ze de paarden toch even stil houden! Daar houdt de alang-alang op en vóór hen zien ze een meer, zo ver het oog maar reiken kan. Langs het strand liggen verscheidene dorpen. Een prachtig panorama! De mannen worden stil vanwege het overweldigende natuurschoon. En ze worden ook stil als ze bedenken hoe vele mensen hier wonen, die nog nooit gehoord hebben van de enige Naam, waarin zij hebben leren geloven door middel van hun grote meester Nommensen.

Plotseling .... wat schrikken ze op! Een ruiter houdt zijn briesend paard vlak bij hen stil. Het paard is nat van het zweet en de neusgaten spalken telkens wijd open. Het beest heeft hard moeten rennen. Wie is de ruiter? De mannen hebben haast geen tijd om te denken en te kijken, wie de rust ineens komt verstoren. Maar toch, in een oogwenk hebben ze Radja Pontas herkend, het opperhoofd, dat om onderricht tot Nommensen was gekomen. Ze hebben geen tijd om te vragen wat deze man hier komt doen.

„Ga dadelijk terug, " schreeuwt de man. „Ge zijt ontdekt, dadelijk weg van hier!" „De dorps-bewoners zijn al op weg hier naar toe!"

Nauwelijks heeft Radja Pontas dit geroepen, of in de verte klinkt het krijgs-geschrei reeds.

Er is geen tijd om zich te bedenken. De paarden worden gewend en in razende ren vluchten de opgeschrikte mannen de grassteppe in om te ontkomen aan de wreedheden van de vervolgers. Dat wordt een vlucht van belang. Het is om het leven en dan kan men heel wat doorstaan.

De patrouille komt in veiligheid bij de zendeling aan. Nommensen hoort het verslag van zijn mannen en begrijpt, dat de tijd nog niet rijp is. Als het opperhoofd niet had gewaarschuwd! De mannen waren dan verloren geweest.

Enkele jaren gaan voorbij. Weer gaat er een patrouille naar het Toba-meer. Een patrouille? Neen, een machtige vijand komt het heilige gebied binnen. Is de kracht van cle geduchte priester-koning clan gebroken? Dat zou men denken, maar het is wel anders. De Heere gebruikt soms middelen waar wij niet op rekenen. De mens wordt er vaak buiten gelaten. Zo is het ook hier. Een vreselijke ziekte, de cholera, teistert het gebied van het Toba-meer. Vreselijk, wat een sterfgevallen! Honderden mensen bezwijken onder cle geweldige aanval, die niet is te keren. En de priesters dan? En de tovenaars? De mannen, die op alles raad weten? Die mensen hebben het wel erg druk om cle boze geesten te bezweren, maar het helpt niet. Ook onder de tovenaars vallen slachtoffers. Men staat machteloos. Wat gaat er toch gebeuren rondom het heilige meer?

Zou overal die vreselijke bezoeking zijn? Ook in het dal van Silindoeng? Ja, ook bij cle nederzetting van Nommensen is de cholera, maar. ... de zendeling wendt geneesmiddelen aan en die middelen wil cle Heere zegenen.

Dat weten de mensen van Tobaland niet, maar ze horen wel zeggen, dat daar veel minder mensen sterven. Hoe is dat mogelijk? Ze gaan nadenken en de meesten komen tot de slotsom: „Die God van de Christenen moet machtiger zijn clan onze goden." Dat denken ze en er zijn ook die het durven zeggen.

Als Nommensen dat ter ore komt, moet hij handelend gaan optreden. Hij moet de tijd waarnemen gelijk een landman doet. Misschien is nu het gunstige moment aangebroken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.