+ Meer informatie

Herleefd verleden

4 minuten leestijd

< 5,

De zondvloed

„Want Ik zie, Ik breng eenen watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven: al wat op de aarde is, zal de geest geven. Maar met 11 zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij en uwe zonen, en uwe huisvrouw en de vrouwen uwer zonen met »

u. Deze woorden sprak eenmaal de Schepper van hemel en aarde tot de godvrezende Noach. De ondergang van de eerste wereld was nabij. M)et grote scherpte had reeds Noach het oordeel aangekondigd, maar de wereld spotte, zij geloofde het naderend oordeel niet. Zelfs de voortdurende waarschuwingen van Noach deden geen nut. Maar nog kwam het einde niet, alles bleef gelijk het was, 120 jaren lang. Maar God ging door, bij. Alle levende ziel werd verdelgd, alleen Noach bleef over en wat met hem in de ark was. De geschiedenis van de vreselijke zondvloed is ons allen bekend en niemand kan twijfelen of het is gegaan zoals het in het Boek der Boeken is beschreven.

De oude heidenvolken stelden echter de zondvloed anders voor dan het in Gods onfeilbaar Woord is beschreven. Op hun heidense manier hebben zij er een sage van gemaakt. Archeologen zijn dit te weten gekomen door opgravingen in Mesopotamië. De Engelsman George Smith vond aan het einde van de vorige eeuw in een puinberg te Koekoensdijk, 384 lemen tafels, die met reeds gevonden tafels het verhaal vormden van Oetnapistji en de zondevloed. Oetnapisjti is Noach. De oudheidkundigen hebben ze ontcijferd. Wij laten een gedeelte van deze verbasterde geschiedenis van de zondvloed volgen, en u zult dan zien, dat de goden een woordje meespreken:

„Alles wat ik had, nam ik mee, de gehele opbrengst van mijn leven laadde ik in het vaartuig; familie en alle maagschap, de dieren des velds, het vee van de weide en handswerklieden,

alles scheepte ik in. Ik besteeg het vaartuig en sloot de deur.

Toen de jonge dag stralend rees, pakte aan de verre horizon een zwarte wolk zich samen....

De heldere dag wordt plotseling duister, de broeder ziet de broeder niet meer, het volk des hemels kan elkaar niet meer onderscheiden.

De goden waren vol vrees voor de vloed, ze vloden en vluchtten tot in de hemel van Anoe,

de goden kropen gelijk honden tegen de wand en lagen stil ....

Zes dagen en zes nachten lang zwollen storm en vloed, er heerste een orkaan over het land.

Toen de zevende dag aanbrak, ging de storm liggen,

de vloed, die als een oorlogsleger gewoed had, werd weer glad;

zacht werden de golven, de stormwind hield op, en de vloed steeg niet meer.

Ik keek uit over het water, zijn razernij was verstomd,

tot leem waren alle mensen geworden! Tot aan de daken reikte het moeras! ....

Ik keek uit naar land, naar de horizon der zee,

ver, zeer ver dook een eiland op.

Tot aan de berg Nissir voer het schip, tegen de berg Nissir strandde het en stond als verankerd ....

Toen de zevende dag aanbrak, liet ik een duif los, ik zond haar uit,

zij vloog weg en keerde weer, mijn duif, daar zij geen plekje vond om te rusten, kwam zij terug.

Ik zond een zwaluw uit, ik liet haar vliegen,

zij vloog weg en keerde weer, mijn zwaluw,

daar zij geen plekje vond om te rusten, kwam zij terug.

Ik zond een raaf uit, ik liet hem vliegen, hij vloog weg, cle raaf, hij zag dat de waterspiegel daalde;

hij vindt voedsel; hij vliegt rond, hij krast en keert niet meer terug.

Het is mij niet mogelijk alles te behandelen, wij zouden het gehele blad nodig hebben. Wie hier meer van wil weten, raadplege het werk „Goden, Graven en Geleerden" door C. W. Ceram.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.