+ Meer informatie

Het Abma-rapport en de Diakonale praktijk

27 minuten leestijd

Vóór-schrift,

Met genoegen zet ik me er toe datgene, wat ik op de conferentie van diakenen in Apeldoorn op 23 april heb gezegd ter inleiding op de discussies, voor Ambtelijk Contact persklaar te maken. Het verslag in de pers van het op die vergadering gesprokene is op zijn minst zeer eenzijdig, en daardoor ook niet geheel juist.

Bepaalde uitspraken moet men in lezen in het kader van het geheel van mijn betoog om ze juist te beoordelen. Ik ben blij dat ieder, die lezen wil, daartoe via Ambtelijk Contact de gelegenheid krijgt en zelf oordelen kan over wat ik. gezegd heb. Het is onbegonnen werk om een krantenverslag te rectificeren via eeij ingezonden stuk. Daarom heb ik daarvan ook afgezien en liever gewacht op de mogelijkheid om in het orgaan van ambtsdragers de tekst van mijn referaat te kunnen publiceren. Deze opmerking moest me eerst van het hart, zodat ik haar niet als een P.S.-je achteraan zet, maar haar voorop laat gaan.

Inleiding.

De bedoeling van het Comité was, dat ik een samenvattend overzicht zou geven van hetgeen in Ambtelijk Contact Maart 1965 onder de titel DIACONALE HANDREIKING over de arbeid der diakenen is geschreven. Daarbij werd mij tevens gevraagd eventuele vragen, die reeds vóór de vergadering gesteld werden in mijn toespraak te beantwoorden. Vandaar de tweedeling in de titel, die niet door mij, maar door het comité gekozen werd: het rapport en de practijk, zoals die via 31 vragen aan de orde komt.

We willen niet diskussiëren om de diskussies, maar om elkaar te stimuleren, meer nog om te handelen Van die bedoeling ga ik uit en zo wil ik graag mijn taak vervullen. Ik zal daarbij de volgende punten behandelen:

1. Het diaconaat in het NT.

2. Diaconaat in de practijk van de gemeente.

3. Speciale taken van de diakenen — hierbij wil ik vooral op vragen ingaan.

4. Werelddiaconaat.

5. Practische aangelegenheden.

Het diaconaat in het NT.

In het Nt komt de term diaken in de zin vaij specifieke ambtsdrager twee maal voor, nl. in Fil. 1:1 en 1 Tim. 3 : 8. Het werk van de diakenen komen we stellig tegen in Handelingen 6. De broeders, die daar tot een bepaald werk aangewezen worden, krijgen een specifieke diaconale taak. maar nergens wordt daar of in het vervolg van de Handelingen duidelijk, dat men hen speciaal als diakenen zag in de ons bekende bedoeling van het begrip.

Men zal het zich zo moeten voorstellen. Terst waren er de apostelen. Zij hebben een dubbele taak. Enerzijds zijn zij de oog- en oorgetuigen van hetgeen de Heiland gedaan en gezegd heeft vanaf het begin van zijn optreden tot aan zijn hemelvaart. Dat is de norm voor hem, die in de plaats van Judas tot apostel gekozen moet worden. Handelingen 1 : 21/2.

Dit deel van het apostelambt is onoverdraagbaar, omdat hun situatie onherhaalbaar is. Zij alleen kunnen de taak van getuigen vervullen, omdat zij er bij geweest zijn en voor het door de Here Jezus gesprokene en gedane de vingers als met een eed kunnen opsteken.

Daarnaast hebben de apostelen de leiding van de gemeente m Jeruzalem, zoals blijkt uit Handelingen 5:2 en 6:2. Als we nu de ontwikkeling in Handelingen volgen, zien we dat er naast de apostelen andere ambtsdragers voorkomen. Zij worden de oudsten genoemd. Zij nemen de gaven in ontvangst, welke Saulus en Barnabas hadden ingezameld. 11 : 29, 30. Zij namen beslissingen over leer en leven. 15 : 2, 4, 6, 22, 23.

Deze beslissingen werden doorgegeven in naam mede van de oudsten, 16:4. Zij ontvangen het verslag, dat Paulus in Jeruzalem over zijn werk uitbrengt, 21 : 18 en 23. Verder blijkt, dat zij regeren, 1 Tim. 5 : 17 en dat zij de kudde weiden 1 Petr. 5 : 2. We kunnen concluderen, dat deze oudsten de leiding van de gemeente hebben in de meest brede zin van het woord. Het valt ook op, dat zowel Petrus (1 Petr. 5: 12) als Johannes zich oudsten noemen (3 Johan-nes: 1).

Het werk werd zo omvangrijk en breidde zich zo uit, dat de apostelen het niet meer alleen afkonden. Zij hadden hulp van andere ambtsdragers nodig. Daartoe werden de oudsten aangesteld. De practijk noodzaakte hen om deze broeders in het ambt te plaatsen. Dat was wel bizonder het geval in de gemeenten, die op Paulus’ zendingsreizen gesticht werden, 14 : 23.

Deze oudsten worden ook opzieners genoemd. Uit vergelijking van Handelingen 20 vers 17 met vers 28 blijkt dat met deze beide namen dezelfde personen werden aangeduid. Met zie ook Titus 1 vers 5 èn vers 7, terwijl blijkt uit 1 Tim. 3 : 1-4 in vergelijking met Titus 1 : 7-9. dat aan de oudsten en aan de opzieners dezelfde eisen gesteld werden.

Deze splitsing heeft zich nu blijkbaar verder doorgezet. De practijk noodzaakte er toe ambtsdragers te belasten met die taken, welke wij speciaal diaconale taken noemen. Iets daarvan zien we al in Handelingen 6, zonder dat ik daar nu speciaal van het aparte diaconaat zou willen spreken. De diakenen worden niet gesteld voor de eis om te kunnen onderwijzen en te kunnen weerleggen, 1 Tim. 3 : 2 en Titus 1 : 9. Wel moeten zij kunnen besturen 1 Tim. 3 : 4 en 12. Zij mogen niet op winstbejag uit zijn 1 Tim. 3 : 8, terwijl voor de opzieners geldt, dat zij niet geldzuchtig mogen zijn, 1 Tirfi. 3 : 3 . De diakenett mogen niet met twee tongen spreken 1 Tim. 3:8.

Intussen zijn er nog enkele andere Schriftgegevens, waarin we de inhoud van het diaconaat omschreven vinden. Ik denk dan met name aan passages uit Mattheus 25 waar de Here Jezus spreekt over het te eten en te drinken geven, het herbergen van vreemdelingen, het bezoeken van gevangenen en zieken, vers 35 en 36. In datzelfde licht zullen we Hebreeën 13 : 16 moeten verstaan; weldadigheid en mededeelzaamheid mogen niet vergeten worden. In dit kader past ook de collecte, welke voor de behoeftigen in Jeruzalem gehouden wordt door de gemeente in Azië en Griekenland, 2 Cor. 8 : 4 en Rom. 15 : 26.

Het diaconaat is dus te omschrijven als het betonen van de barmhartigheid van Christus aan de mens in de nood en het bieden van nulp in Zijn naam aan behoeftigen.

Het NT legt dus veel nadruk op de eenheid der ambten met practische, func-tionele, doelgerichte verscheidenheid. Voor die eenheid zou ik heel sterk willen opkomen. Ik acht het totaal verkeerd Wanneer men door de onder scheiding van de ambten tot een scheiding zou komen. Men is in de eerste plaats ambtsdrager in de kerk van Christus, en dan pas ouderling of diakert. Dit heeft practische gevolgen, waarop ik in het vervolg nog zal terugkomen.

Nu kan ik ingaan op een vraag die mij gesteld werd — ik zal de vragen anoniem behandelen. Misschien kunt u raden waar ze vandaan komen.

Is het niet juister, dat de ambtsdragers zonder meer verkozen worden, en dat er dan nadien een interne werkverdeling zou worden toegepast, zodat een ambtsdrager zelfs nu eens als diaken en dan weer als ouderling zou kunnen optreden, al naar gelang van de behoefte. Dat zou het werk vergemakkelijken?

Ik wil beginnen met te stellen, dat het opzichzelf niet onmogelijk is om het zo te doen als in het eerste deel van de vraag gezegd wordt. Vanuit mijn pleidooi voor de eenheid van de ambten zit er iets in. Prof. Dr, K. Dijk heeft deze mogelijkheid .reeds geopperd in zijn brochure over de eenheid der ambten. Er is geen „waterdichte” scheiding tussen de ambten. Men denke aan de keur stem, welke een classis kan geven aan een diaken. Op de classis Den Haag deed zich onlangs het geval voor, dat een kleine kerkeraad geen diaken kon afvaar-digen. Een der broeders opperde toen de mogelijkheid, dat deze kerkeraad een derde ouderling zou afvaardigen, die keurstem als diaken kon krijgen. Op die manier zou de overgang van ouderling naar diaken ook niet meer als een degradatie gezien worden.

Overigens is de verdeling van het werk tussen ouderlingen en diakenen een kwestie van orde. En omdat er orde moet zijn, lijkt me ook juister, dat bij de verkiezing van ambtsdragers direct bekend is voor welke taak een broeder verkozen wordt. Dat voorkomt bij de betrokken broeder ook practische moeilijkheden. Ik kan me voorstellen, dat iemand graag wil weten, welke taak hij vervullen moet, alvorens hij ja zegt. En verder omschrijft het bevestigingsformulier ook de taak van ouderlingen en diakenen apart. Dit zou bij een dergelijke opzet ook wijziging behoeven. Die wijziging behoeft dit formulier toch, maar niet om deze reden mijns inziens. De orde in de werkverdeling brengt mee, dat men weet welke taak men moet gaan vervullen.

Geheel afwijzend sta ik tegenover de gedachte, dat een ambtsdrager nu eens ouderling, dan weer als diaken zou fungeren. Dat hindert het werk en belem mert het verkrijgen van vertrouwen, hetwelk voor het werk onontbeerlijk is.

Diaconaat in de practgk van de gemeente.

Toch is het met het vorenstaande niet alles gezegd. De Eunbtsdragers blijken ook een taak te hebben bij de toerusting van de gemeente tot dienstbetoon, Efeze 4:11 en 12. Het is opvallend dat er over het diaconale werk in Hande-lingen gesproken wordt, als het met de gemeenschap en de eenheid van het lichaam van Christus mis dreigt te gaan.

Op de achtergrond van deze uitspraak van Paulus ligt de gedachte, dat de gemeente het lichaam van Christus is. De leden moeten elkaar dienen en met elkaar samen werken, gelijk Paulus dat in 1 Cor. 12. zo prachtig tekent. Het oor is zonder het oog niets, zo ook de hand zonder de voet.

De diakenen moeten de gemeenteleden stimuleren om hun dienst jegens de ahder te vervullen. Vanuit de gemeente gezien kan men spreken over een directe hulpverlening door de diakenen en over een indirecte. Deze laatste wordt daar verleend, waar de diakenen het functioneren van de gemeente als een gemeenschap bevorderen.

Men mag deze directe en indirecte taak van de diakenen niet tegen elkaar uitspelen. Waar het individuele lid lijdt en tekort komt, wordt de harmonie van het lichaam geschonden. Waar de gemeenschap niet functioneert, komt iet individuele lid in verdrukking en komt te kort.

Vanuit de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid moet ook gesteld worden, dat de diakenen niet los van de andere ambtsdragers mogen werken. Zo was het in het verleden nogal eens het geval. Ik heb wel de indruk, dat dit enerzijds voortkwam uit de onderschatting van het diakenambt door de ouderlingen (en wellicht ook door de gemeente!). Anderzijds heeft dit bij de diakenen teweeg gebracht een houding van het afbakenen van eigen domein en het handhaven van eigen positie. Zij wilden dan ook de ouderlingen niet te veel in hun werk laten kijken.

Dit is funest. Het werk moet gemeenschappelijk gedaan worden naar de aard van eigen taak. De kerkeraad is verantwoordelijk voor het diaconale werk. Dat betekent niet dat alles wat de diakenen doen op de kerkeraadstafel moet komen. Het betekent wel, dat nieuwe plannen door de diakenen — eventueel na interne voorbespreking — op de kerkeraadstafel gelegd moeten worden. Zo moeten er ook diaconale onderwerpen op de kerkeraadsagenda voorkomen.

Ik zal nu niet verder op allerlei aparte mogelijkheden ingaan. Men kan daarover meer lezen in het nummer van Ambtelijk Contact maart 1965.

Speciale taken-practische vragen.

Dienen de verslagen van het huisbezoek ook aan de diakenen te worden uitgebracht? Dat is toch vaak te tijdrovend. Wat is op dit punt het officiële standpunt van onze kerken? Kan het niet zo, dat de wijkouderling de wijkdiaken informeert?

Ik zou er voor willen pleiten, dat ook de diakenen de verslagen van de huisbe-zoeken aanhoren, of beter gezegd: meemaken. Zij hebben toch verantwoordelijkheid voor het beleid van de kerkeraad in zijn geheel. Wil men die verantwoordelijkheid kunnen nakomen, dan moet men ook weten wat er in de gemeente omgaat. Het verslag huisbezoek is daarvoor een goede informatiebron.

Mocht men door tijdsgebrek, hier niet toe kunnen besluiten, dan lijkt het me goed, dat het voornaamste, dus datgene wat diakenen eigenlijk moeten weten, hun in een vergadering van de kerkeraad wordt meegedeeld. Ik vind de onderscheiding van brede en smalle kerkeraad een onding. Men vergadert als kerkeraad. En daarmee uit! Een officieel standpunt van onze kerken ten aanzien van deze rapportering is er niet. Elke kerkeraad kan het naar eigen goeddunken regelen. Ieder mag hier doen, wat goed is in eigen oog, — zonder daarrmee in het richteren tijdperk te vervallen. Ik acht het beslist onjuist dat de wijkouderling de wijkdiaken inlicht. Incidenteel kan dit wel eens gebeuren en noodzakelijk blijken. Maar men moet het niet tot een vaste regel maken. Dan krijgt men onderonsjes, die zeer ongezond zijn voor het ambt.

Is het de specifieke taak van de diakenen om nieuwe gemeenteleden op te vangen? — Neen stellig niet van de diakenen alleen. Ook de predikant en de ouderlingen hebben daarbij een taak. Wel dienen de diakenen er op bedacht te zijn hoe deze nieuwe gemeenteleden door de andere gemeenteleden worden opgevangen. Als daarvoor een stimulans gegeven moet worden, is dat speciaal hun taak. Ik denk hierbij aan het betoog van Dr. von Meijenfeldt over de diaken als componist van de gemeente. Hoewel dat boekje wat eenzijdig is, wil ik er toch graag de conclusie uit trekken, dat de diaken een speicale taak heeft ten aanzien van het functioneren van de gemeente als het lichaam van Christus.

Wat is het nut van het samenvergaderen van diakenen en evangeliesatiecommissie? Hoe kan men daadwerkelijk bezig zijn? En zijn hiervan practische voorbeelden te geven? — Deze opmerking komt in het rapport voor in het raam van het op gang gekomen zijn van het evangelisatiewerk. Het kan voorkomen, dat degenen, die evangelisatiewerk verrichten behoefte hebben aan het verlenen van daadwerkelijke hulp aan hen, met wie ze in contact gekomen zijn. Dan is het goed, dat deze brs. en zrs. weten in hoeverre ze op hulp van de diakenen kunnen rekenen. Dit contact zal er moeten zijn naar gelang van de behoefte en zal van incidentele aard zijn. Het is goed, dat een der diakenen contactpersoon is, zodat de leden van de evangelisatiecommissie weten tot wie ze zich kunnen wenden. Mij is het voorbeeld bekend, dat een lid van de evangelisatiecommissie te maken kreeg met een oude eenzame, vervuilde vrouw, die dringend in een rusthuis moest worden opgenomen. Deze broeder was ook diaken en had als zodanig wel contact behad met de maatschappelijke werkster van de GGD ter plaatse. Door haar bemiddeling kon deze vrouw in een dergelijk huis geplaats worden, — dat ze dit zelf uiteindelijk niet wilde, was niet aan de maatschappelijk werkster of de diaken/evangelisatieman te wijten!

Is de term toekenning van ondersteuning niet verouderd? Kan men niet beter spreken over bijslag of toelage? Inderdaad kan deze term verouderd heten. Ik stel er wel prijs op dat de gedachte van hulp of dienstverlening tot uitdrukking komt.

Dat huwelijksmoeilijkheden aan een predikant moeten worden doorgegeven, bedoelt toch niet dat hij de instantie die ingeschakeld wordt (bv. een bureau voor huwelijksmoeilijkheden) zou gaan controleren? — In genen dele! Dat is zijn taak niet. Hij behoort echter van de moeilijkheden op de hoogte te zijn met het oog op het verrichten van zijn taak bij de betrokken gemeenteleden.

Waarom geen nadere aandacht gegeven aan de verhouding van diaconie en jeugdzorgwerk? We hebben tooh voorlichting nodig. Of is dit een van de bekende kreten?

Deputaten meenden, dat deze zaak vrijwel nog geen plaats had in onze kringen. Omdat ze al over zoveel moesten schrijven, hebben ze niet alles ineens overhoop willen halen. Als men na deze uiteenzetting van kreten wil blijven sprekent weet ik niet wie daar meer door getypeerd is; de vragensteller of de deputaten ADMA.

Het kan moeilijk zijn om in een grote stad bejaarden op een centraal punt samen te krijgen. Verdient het dan geen aanbeveling ze te verwijzen naar een bejaardensocieteit van een andere kerk, die bij hen in de buurt wordt gehouden? — Hier sta ik beslist afwijzend tegenover. Men moet het bejaardenwerk zien als een stuk opbouw van het gemeenteleven. Daarom kan men het niet afschuiven op bejaardensocieteit van een andere kerk. Laat men liever minder middagen beleggen en dan wel .voor vervoer kunnen zorgen, dan dat men er elke week een belegt en met het vervoersprobleem niet klaar komt. Ook valt te overwegen om naar een andere dag/uur om te zien, waarop bepaalde gemeenteleden de ouderen wel kunnen „rijden”.

Moet de diaconie niet iets doen aan de buitenlandse arbeiders? — Hier ligt in de eerste plaats een taak voor de kerk(eraad); dat betekent waarschijnlijk ook en vooral voor de evangelisatiecommissie. Dan en daarna kan ook de diaconie een taak hebben. Overigens is het heerlijk als een plaatselijke gemeente hier een taak ziet.

Hoe kan het samenspel van wijkouderling en wijkdiaken bevorderd worden? — Dat er een samenspel moet zijn, dient in de kerkeraad besproken te worden. Men kan eenmaal per jaar op de noodzakelijkheid van dit samenspel wijzen, bijvoorbeeld wanneer nieuwe ambtsdragers in de kerkeraad verwelkomd worden. Van die gelegenheid kan tevens gebruik gemaakt worden om de broeders op hun zwijgplicht te wijzen. Ik acht het goed en nodig, dat elke ambtsdrager dit eens per jaar hoort.

Er zijn gemeenteleden, die elkaar menen te dienen door elkaar te ontlopen. Wat kan hieraan gedaan worden? — Door de diakenen niet zoveel. Hier ligt in de eerste plaats een taak voor de prediking en voor de ouderlingen. Wellicht is het mogelijk zulke gemeenteleden eens samen iets te laten doen. Geeft hun zo mogelijk samen een taak.

Wat te doen als bejaarden op zichzelf willen blijven wonen, terwijl er de mogelijkheid is van opname in een bejaardencentrum, en terwijl ze bij afwijzing van die mogelijkheid telkens diaconale en zusterhulp nodig hebben? — Men kan deze mensen nooit dwingen, wel dringen, eventueel kan men anderen, die met hen nog beter bekend zijn, vragen eens over deze zaak te praten, hetzij de predikant, hetzij een gemeentelid. Men zal echter te allen tijde moeten blijven helpen.

„Werelddiaconaat”.

Als ik hierover iets zeg, wil ik beginnen te stellen, dat onze vergadering een geheel andere is dan een synodale vergadering, waar men van deputaten rekenschap kan vragen eventueel beleid van kritiseren. Ik spreek liever over het diaconaat over de grenzen en acht dit spraakgebruik meer in aansluiting bij het voorbeeld van de collecte welke voor de gemeente van Jeruzalem werd gehouden. Als zodanig is het een bijbelse gedachte.

Ik,wil constateren, dat er aan een dergelijk diaconaat over de grenzen in onze kerken behoefte blijkt te bestaan. Jammer dat men zich vastgebeteri heeft in het verdedigen van een bepaald beleid. Daarover zijn de discussies voor eea groot deel gegaan de laatste maanden. Hoe juist de verdediging van en de toelichting op een bepaald beleid ter zake ook zijn, men kan er de boot mee missen. Dat is metterdaad geschied als we letten op wat onze kerken deden rondom de actie voor India. Daarom zijn zulke discussies weinig vruchtbaar.

Als men nu steeds weer terug komt op de synode Haarlem/Santpoort 1962 wil ik er toch op wijzen dat de laatste synode Zwolle/Apeldoorn een instructie ter zake van deze kwestie van de tafel heeft geveegd. Het bezwaar tegen de instructie van de Classis Den Haag/P.S. van het Westen was, dat ze te vaag was. Dat kan zo zijn. Intussen heeft men zichzelf de mogelijkheid ontnomen om in de eerste drie jaar op dit punt iets te doen. Het moet nu weer opnieuw in de kerkelijke weg aan de orde gesteld worden, terwijl de mogelijkheid er geweest is in 1965/66 op dit punt iets te besluiten. Deze kans heeft de synode Zwolle/Apeldoorn zichzelf ontnomen. Een uitstel van drie jaar was niet nodig geweest. Er lag iets op tafel.

Ik ben het met de intentie van de uitspraak van Haarlem/Santpoort geheel eens, dat er op dit punt niets gedaan kan worden zonder combinatie met dc” evangelieprediking. Dat een dergelijke hulpverlening geschiedt door de kerk maakt haar tot iets totaal anders dan wat als een vorm van algemene hulp/ dienstverlening gedaan wordt. Dat zal bepalend moeten zijn voor de manier waarop de hulp geboden wordt.

Overigens is het goed, dat degenen die voor deze zaak zo warm lopen ook eens heel nuchter nagaan wat onze kerken zouden kunnen doen. Het komt mij voor, dat een bedrag van één ton per jaar heel wat is voor onze diaconieën. De zending heeft in 1965 een kwart miljoen mogen ontvangen. Zeg, dat het twee ton per jaar wordt. Wat kan men daarvoor doen in het kader van de hulpverlening? Ik zie niet in hoe dit mogelijk is buiten samenwerking met andere kerken. Met twee ton kan men geen zelfstandig project financieren. Ik ben van mening, dat deze hulp dan gegeven moet worden in samenwerking met kerken, die ook lid zijn van de Geref. Oecumenische Synode. Dat wij zo weinig contacten hebben met andere kerken is op dit punt stellig van invloed geweest, schreef mijn broer J. H. Velema terecht in de Kerkklok.

Wanneer hier door deputaten iets gedaan moet worden, dan moet dat stellig door de ADMA deputaten geschieden en niet door die voor bizondere noden. Ik kan dit te vrijer zeggen nu ik zelf geen voorzitter meer ben van ADMA deputaten. Het is een diaconale zaak en daarom hoort het bij deze deputaten thuis.

Ik kan nu ingaan op een aantal concrete vragen over deze kwestie.

Er werd gevraagd of in een bepaalde formulering in het rapport het werelddiaconaat schuil gaat? — Dat is een onjuiste gedachte. Deputaten hebben zich er bewust van onthouden in de Diaconale Handreiking hierover iets te zeggen, omdat de synode van Haarlem/Santpoort een bepaalde uitspraak gedaan had. Het leek deputaten niet juist hierop nader commentaar te leveren, of voorstellen te doen. Die moeten vanuit de kerken opkomen.

Is de uitspraak van 1962 te handhaven? — Wat haar principiële strekking betreft stellig. Maar ze is onvolledig en behoeft daarom practische aanvulling. Kan een bepaalde kerkeraad zich er van distantiëren en via de kanalen van een andere kerk hulp bieden, als hij zich daartoe gedrongen voelt? — Van de principiële uitspraak kan men zich niet distantiëren. Daaraan is men gebonden. Wil menjmet inachtneming hiervan via andere jfcanaleii hulp bieden, dan is dat OPJ zichzelf mogelijk, hoewel het me niet gewenst lijkt. We moeten op dit punt de eenheid bewaren en wachten tot er iets gedaan kan worden. De gelden kunnes gereserveerd worden. Als er iets gaat gebeuren zal er stellig veel nodig zijn. schiet de kerk niet tekort? — Ja, inzoverre er iets gedaan had moeten en kunnen worden. Zie wat ik hierover boven schreef.

Welke stappen moeten er nu ondernomen worden? — Een instructie, die via de kerkelijke vergaderingen op de synodetafel komen moet. Ik las dat de classis Utrecht zulk een instructie te behandelen krijgt, al vernam ik niets over de inhoud ervan.

Is de verhouding kerk-werelddiaconaat gelijk aan die van kerk-zending? — Neen, stellig niet. Het diaconaat over de grenzen kan alleen mdar beoefend worden in. samenhang met de evangelieprediking. Daarom is het diaconaat over de grenzen nooit als een zelfstandig iets te zien, maar altijd verbonden met evangelieverkondiging.

Is het niet misleidend te stellen, dat de kerken reeds iets gedaan hebben door hulp te schenken aan Vendaland? Dat was toch een kwestie van de zendingsdeputaten? — Misleidend zou ik dit niet willen noemen. Deze hulp is verleend. Alleen lijkt het me te gemakkelijk om te denken, dat men er daarmee is. Br kan en moet meer gedaan worden. Zielig als je denkt, met deze toch bescheilden hulp aan je taak voldaan te hebben.

Kunnen ADMA deputaten niet zo spoedig mogelijk aan de kerken advies uitbrengen op dat er teimiinste iets gedaan kan worden? — Neen, Dat zou beslist onjuist zijn. Adma deputaten hebben daar geen opdracht voor en mogen dat ook niet eigener beweging gaan doen. Dan zou men de grootste chaos in het kerkelijke leven krijgen. Men moet de kerkelijke weg en de kerkelijke stijl volgen.

Practische aangelegenheden.

Er is een stichting op Geref. Grondslag, waarin onze diaconie participeert, die door het gemeentebestuur uitgenodigd werd om deel te nemen aan een stichting voor bizonder maatschappelijk werk op algemene, niet speciaal christelijke grondslag. Kan onze diaconie via deze stichting haar geld daarvoor geven? — Er zitten twee kanten aan deze vraag. Of het diaconale geld er voor besteed kan wojden hangt af van de principiële vraag of men aan deze algemene stichting deel ian nemen. Als men op de laatste vraag ja zegt, meen ik dat men ook diaconaal geld er voor besteden kan. Men zou meer details moeten kennen om hierop een welgefundeerd antwoord te geven. Wat is het doel van deze stichting? Waarom heeft de geref. stichting meegedaan?

In het algemeen lijkt het me niet juist zulks te doen. Maar er kunnen omstandigheden zijn. die deelname geoorloofd of zelfs noodzakelijk maken. Zonder nadere bijzonderheden te kennen kan ik hier niet definitief op antwoorden; Wel zou ik zeggen: deze problemen moeten door de betrokken diaconie in het bestuur van de geref. stichting grondig doorgesproken worden. Dan moet men zien, wat er daarna te doen valt.

Zijn er nog meer exemplaren van het ADMA rapport te krijgen? — Ja bij br. Stafleu, Damastraat 73. Den Haag, voor 50 cent per stuk.

Kan er niet een bureau samen met andere kerken worden gesticht. Een bureau voor onze kerken alleen gaat onze draagkracht ver te boven? — Ik meen dat dit niet mogelijk is. Dit is zulk specifiek kerkelijk werk, dat men het niet met een gemeenschappelijk bureau voor meer kerken doen kan. Wel zal men van de ervaring van andere kunnen profiteren en leren.

Kunnen ADMA deputaten niet wat meer doen aan voorlichting over bejaardenhuizen? Daaraan hebben onze kerken dringend behoefte. — Neen. Er is een geref. stichting, waaraan deputaten steun verlenen. Zij kunnen het werk van deze stichting niet gaan doen. Wel vraag ik me af, of er niet meer geprofiteerd kan worden van de ervaringen, die de Chr. Geref. Stichting voor een Bejaardencentrum in Rotterdam heeft opgedaan.

Kunnen de Deputaten ADMA niet meer aktiviteiten ontplooien en bijvoorbeeld een maandelijks bulletin uitgeven? — Dat lijkt me onmogelijk. Hun werk vraagt om meer mankracht. De laatste synode stond daar niet zonder meer afwijzend tegenover, maar heeft toch ook nog niet kunnen besluiten tot het stichten van een bureau. Zolang dat niet het geval is, kan men van deze deputaten niet meer vragen dan ze nu doen.

Moet de arbeid van de zending alleen door de zendingscollecte of ook uit andere bronnen gefinancierd worden? — Ik vermoed dat op de achtergrond van de vraag het probleem van de hulp aan hongerend Vendaland ligt. In zoverre het om zendingswerk gaat, hebben zendingsdeputaten zelf voor inkomsten te zorgen. Inzoverre het ook om diaconale zaken en taken gaat, is te overwegen of andere deputaten daar niet bij betrokken moeten worden.

Wij wijzen het standpunt van de vrijgemaakt gereformeerde kerk ten aanzien van de ABW af. — Hier behoef ik dus niet te diep op in te gaan, omdat het geen vraag is. Ik ben het met deze brs. eens. In de diskussie kan er wellicht nog verder op worden ingegaan. Hoe indringend de brochure van Prof. Veenhof over deze materie ook is, — en het is dubbel de moeite waard om die te lezen! — ik kan zijn standpunt niet delen. Het gaat er om dat de ABW een recht geeft aan de Nederlandse staatsburger. We zijn niet meer in het stadium van overleg en beraad. Het ontwerp is wet geworden. Als er nu langs deze weg hulp te verkrijgen is, kan men dan zeggen: daar mogen kerkmensen geen gebruik van maken? Ik waardeer het in Prof. Veenhof, dat hij er op wijst, dat deze regeling voor hen, die tot geen kerk behoren, een goed recht heeft. Maar kan men op deze wijzen onderscheid maken tussen de mensen in ons volk? Kan men zeggen: niet-christenen mogen van dit recht gebruik maken, christenen behoren er geen gebruik van te maken? Lijkt dat niet iets op discriminatie tussen staatsburgers? Bovendien lijkt het me noodzakelijk, dat er bij afwijzing van de ABW in de kerk tegen gewaarschuwd wordt, als tegen een zonde dat men van dit recht gebruik maakt. Ik zou dat niet kunnen doen.

Ik begrijp de bezwaren van Prof. Veenhof zeer wel en zie ook het gevaar van de welvaartsstaat, maar ben tegelijkertijd van mening, dat men er niet mee komt om deze ABW af te wijzen. Is het wel consequent om het sluitstuk van de sociale wetgeving, zoals de ABW genoemd is, af te wijzen? Het daaraan voorafgaande wel te aanvaarden? Hierbij wil ik het laten, — voorshands! Tenslotte twee vrij „technische vragen”. Een over een handleiding voor de toepassingen van de sociale verzekeringswetten en een over de aanvullende ondersteuning tot een aanvaardbaar maximum. Deze beide vragen heeft br, P. Stafleu uit Den Haag willen beantwoorden. Met dank voor zijn heldere uiteenzettitig neem ik zijn antwoord hier letterlijk over:

Er bestaat een klein, handig boekje, waarin de voornaamste bepalingen van de verschillende sociale verzekeringswetten worden vermeld, nl. „De kleine gids voor de Nederlandse Sociale Verzekering”, dat voorf0,25 is te verkrijgen bij de Raden van Arbeid. Ieder jaar verschijnt een nieuwe druk.

Een eenvoudige en duidelijke lijst van „allerlei stichtingen en instellingen vopr algemeen of christelijk hulpbetoon” en een overzicht van „de mogelijkheden tot immateriële hulp” lijkt mij — gezien de veelheid van adressen en mogelijkheden — wel wat veel gevraagd.

Er is een „Gids voor het Maatschappelijk Werk” (uitgave N. Samsom N.V., Alphen a.d. Rijn), waarin praktisch alle gegevens over het (algemeen en christelijk) maatschappelijk werk worden vermeld, o.a. een overzicht van de huidige vormen van organisatie en samenwerking, een beschrijving van de instellingen, adressen enz.

Dit boekwerk omvat twee boekdelen (uitgave 1954) met drie supplementen (het laatste supplement is van mei 1964), in totaal ruim 2.000 bladzijden! Beknoptere uitgaven zijn mij niet bekend.

Wel zijn er vele regionale en plaatselijke gidsen voor maatschappelijk werk, waarin hoofdzakelijk korte beschrijvingen en (plaatselijke) adressen worden vermeld, veelal uitgegeven door gemeentebesturen of (voormalige) Sociale Raden (o.a. een gids voor maatschappelijk werk in Deventer!)

Het lijkt mij overigens niet op de weg van deputaten ADMA te liggen om ten aanzien van bovengenoemde onderwerpen een (eigen) geschriftje uit te geven. Bovendien wie kan dit samenstellen en wie houdt de vele wijzigingen bij?

In het hoofdstuk „Diaconie en overheid” (blz. 377 van Ambtelijk Contact) staat o.m., dat aan de overheid de rechtsplicht is opgelegd tot het verlenen van bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan. D.w.z. dat de overheid verplicht is een geldelijke bijdrage te geven aan personen, die geen inkomen hebben of een inkomen hebben beneden een bepaalde norm. Die norm wordt door de overheid zelf bepaald. Er zijn minimum-normen (voor echtparen, alleenstaanden, inwonende gezinsleden), welke worden vastgesteld bij Algemene Maatregel van het Bestuur Deze normen zijn echter zeer laag. De gemeentebesturen zijn bevoegd hogere normen te stellen en praktisch elke gemeente doet dit. Nu is de diaconie bevoegd om boven het bedrag, dat door de overheid wordt uitgekeerd, aan de betrokkene een bijdrage te geven. Wordt daardoor het totale inkomen van de betrokkene niet té hoog ten opzichte van de gemeentelijke bijstandsnorm, dan blijft de gemeentelijke bijstand ongewijzigd.

Over het algemeen zal het zó zijn, dat wanneer de diaconie een bijdrage geeft van ten hoogste 25 % van de bijstandsnorm, de gemeentelijke bijstand niet zal worden verminderd. Gaat de diaconale bijdrage 25 % van de bijstandsnorm te boven, dan zal de gemeentelijke bijstand wel worden verminderd.

Met de zin „Deze bijstand mag door de diaconie tot een aanvaardbaar maximum worden aangevuld” (blz. 277, 18de en 19de regel) wordt dus bedoeld, dat de gemeentelijke bijstand niet wordt aangetast, wanneer de diaconie de bijstand aanvult tot als regel ten hoogste 25 % boven de bijstandsnorm.

Dit percentage (dit „aanvaardbare maximum”) wordt door de gemeentebe-sturen vastgesteld en kan dus plaatselijk verschillen.

Voorts wordt gevraagd, hoe hoog het gemiddelde voor een bejaard echtpaar of een bejaard alleenstaande is. Deze vraagstlling is niet juist. Een „bejaard” echtpaar of alleenstaande geniet A.O.W. en komt niet zo gauw in aanmerking voor bijstand.

De bijdrage, welke een diaconie kan geven wil de bijstand ongewijzigd blijven, ligt gemiddeld voor een echtpaar opf12,50 per week, voor een alleenstaande opf8,— per week en voor inwonende kinderen opf2,50 per week. Met nadruk moet erop worden gewezen, dat dit plaatselijk verschillend is.

Tenslotte:

We kunnen ons werk alleen maar doen, als we bewogen zijn door de liefde van Christus. Hij is gekomen om te dienen en niet om gediend te worden. Laat dat uw vreugde zijn te mogen dienen. In alle werk vraagt de Heiland aan ons zoals eens aan Petrus: Hebt ge Mij lief? Het antwoord op die vraag is beslissend voor al onze arbeid in het diaconaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.