+ Meer informatie

TER OVERWEGING

13 minuten leestijd

Dr.ir. J. Blaauwendraad, Het is ingewikkeld geworden (pleidooi voor gewoon gereformeerd). Uitg. Groen, Heerenveen 1997. 80 blz. f 19,90.

Zelden zal een boekje nog vóór zijn verschijnen zoveel aandacht hebben getrokken als het hier voor liggende. Door het verslag in de christelijke pers van een lezing die prof. Blaauwendraad gaf voor de VGS - waarin hij de hoofdzaken van de inhoud van dit boekje aan de openbaarheid prijs gaf - werd de aandacht van velen getrokken. Verschiliende kranten en tijdschriften die in onze kring verschijnen publiceerden een interview; het is goed dat we nu kennis kunnen nemen (zonder tussenkomst van een verslaggever) van de gedachten van de auteur. In het dagelijks leven is hij rector magnificus van de TU Delft. Hij behoort tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika. In de loop der jaren, bij het luisteren naar en het verwerken van de wekelijkse prediking, is hem meer en meer het gevoel bekropen dat langzamerhand het “goud” van het Evangelie is ingeruild voor een niet op de Schrift te stoelen systeemdwang. Door lezing van de oude schrijvers - die hij hoog acht - is dit gevoel tot overtuiging geworden; in dit boekje legt hij er rekenschap van af. Het is een ontdekkend boek, dat vooral gericht is op de eigen kerkelijke kring. Zal het open en eerlijk besproken worden? Dat is een spannende vraag; zelfkritiek is binnen de kerk (ik bedoel dit niet alleen voor de Geref. Gemeenten) niet zo vanzelfsprekend. En toch hebben we het altijd weer te toetsen: is onze prediking echt naar de eenvoudige norm van Schrift en belijdenis, of komt er in de loop van de tijd “bijgeruis” die mensen zelfs kan verhinderen een helder zicht op de Heiland te krijgen? Een vraag om voor te beven… Een voorbeeld: ik schrok ervan toen ik las (op blz. 24 en 25) dat een tekst als Joh. 3: 3 vaak bepreekt wordt, maar een tekst - even verderop - als Joh. 3: 16 niet of nauwelijks. De gedachte kwam bij me op: dat zal toch bij ons niet zo zijn? Laat iedere kerkelijke gemeenschap in eigen kring zijn winst doen met dit geschrift, waarmee de auteur geestelijke moed toont. Het gebodene vraagt ook om een vervolg; ik zou het op prijs stellen wanneer de auteur, wanneer hij dat op zich zou nemen, nog dieper graaft dan hij al gedaan heeft en niet alleen de geschiedenis induikt naar de oude schrijvers, maar nog verder, vergelijkenderwijs, naar de Schrift. We kunnen dan nóg meer verwachten.

M. Stol, Langs ‘s He(e)ren wegen (notities van een voorbijganger). Uitg. Kok, Kampen 1997. 159 blz. f 27,50.

De heer Stol, lid van de Geref. Kerken in Nederland en hoogleraar in o.a. het oude spijkerschrift aan de VU, houdt de gereformeerde gezindte nauwlettend in het oog. Daartoe heeft hij gedurende een periode verschillende toog- en ontmoetingsdagen die binnen de geref. gezindte gehouden worden bezocht; hij brengt daarvan verslag uit in dit boekje. Het is een ontdekkende tocht door Nederland geworden. Wat onze kerken betreft kunnen we lezen van de jubileum-schooldag van enkele jaren terug in Apeldoorn en van de in diezelfde periode gehouden toogdag van Bewaar het Pand. Ambtsdragers zullen onze kerkelijke toogdagen (proberen te) bezoeken en zullen er iets van herkennen. Voorts nemen we een kijkje bij de Schooldag van de Geref. Kerken (vrijg.) in Kampen, een ontmoetingsdag van het Gekrookte Riet (NHK) en een dag, georganiseerd n.a.v. het 140-jarig bestaan van de Theol. Universiteit van de Geref. Kerken (syn.) in Kampen.

Het is een geschrift met anekdotische trekken. Maar vergist u zich niet: het houdt ons ook een spiegel voor: hoe komen wij bij iemand die ons van nabij gadeslaat over? En is alles wat wij principieel laden, echt principieel? De auteur spreekt met kennis van zaken (in ieder geval met kennis van feiten), doordacht en in alle relativering meestal gefundeerd; hij heeft ook publicaties uit de geref. gezindte goed bijgehouden. De spiegel die ons wordt voorgehouden, stemt tot nadenken.

Als het om de kennis van feiten gaat, moet wel één ding recht gezet worden: de open avonden voor studenten bij een van onze hoogleraren - tevens mederedacteur van ons blad - (blz. 70 en 71) verliepen niet op de wijze waarop de auteur dat blijkbaar uit een regionaal kerkblad heeft opgediept. Het was bepaald geen “huwelijksmarkt”, om het maar helder te stellen. Juist omdat precies dit detail in een landelijk dagblad (in een artikel n.a.v. dit boek) is uitvergroot, is het goed dat klip en klaar hier zo te stellen en recht te zetten.

Laurens W. Bilkes, Theological ethics and Holy Scripture (the use of Scripture in the works of James M. Gustafson, R. Paul Ramsey and Allen D. Verhey). Uitg. Groen, Heerenveen 1997. 274 blz. f 49,95.

Drs. L.W. Bilkes (van 1980-1988 predikant van de Chr. Geref. Kerk van Ermelo, daarvoor en daar-na predikant binnen de Free Reformed Churches of North America) heeft zijn theologische studie voltooid door de succesvolle verdediging van zijn proefschrift aan onze Theologische Universiteit te Apeldoorn; zijn promotor was prof. dr. W.H. Velema, terwijl als co-promotor optrad prof. dr. J.W. Maris. Een hartelijke gelukwens met het behalen van de doctorstitel is op zijn plaats.

In het (in het engels geschreven) boek worden drie Amerikaanse protestantse ethici voor het voetlicht gehaald; zij zijn volgens de schrijver karakteristiek voor het hedendaagse en recente protestantisme aan de overkant van de oceaan. Het zijn Gustafson, Ramsey en Verhey. Na in het eerste hoofdstuk een overzicht te hebben gegeven van de plaats van de Heilige Schrift in de Amerikaanse protestantse ethiek in de geschiedenis en heden komt de schrijver in de volgende hoofdstukken tot de bespreking van de genoemde ethici. Zijn conclusie is dat voor allen geldt dat zij afwijken van de oude gereformeerde lijn; Gustafson, omdat bij hem de Schrift vrijwel niet meer aan de orde komt (het gaat om Christus alleen zonder “verworteling” in de Schrift); Ramsey, omdat de Schrift bij hem wel mee mag spreken bij ethische standpunten, maar niet meer de doorslaggevende faktor is; Verhey, omdat hij van mening is dat, alhoewel de Schrift een belangrijke faktor is bij het innemen van ethische standpunten, zij toch te zeer getekend is door de andere tijd en omstandigheden waarin zij geschreven is om als algemeen-normatief te gelden.

De schrijver ziet bij alle drie het gevaar van relativering van het Schriftgezag, zij het bij de een meer dan bij de ander. Vervolgens laat hij in het vijfde hoofdstuk zien hoe zijn eigen standpunt is: de tien geboden zijn voluit geldig; het volle Woord van God moet mogen schijnen in alle praktische kwesties waarmee de christelijke gemeente in deze tijd in aanraking komt. Hier had het boek (veel) uitgebreider mogen zijn, en wellicht ook moeten zijn. Want de vraag naar de gereformeerde hermeneutiek laat zich niet zo snel in algemene kaders drukken. Ook voor ons zijn er ontzaglijke vragen, waarbij duidelijk wordt dat de bijbel niet zomaar een handboek is voor ethische vragen. Dr. Bilkes zal vanuit Abbotsford zeker nog eens van zich laten horen als voortzetting van de aanzet die hier geboden is.

Maarten Luther. Laat ieder ‘s Heeren goedheid loven (het heeriijk Confitemini). Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1997. 141 blz.

De heer P. den Ouden verzorgde deze vertaling (met in- en uitleiding) van de parafrase die Luther in de bange tijd dat hij op de Coburg verbleef (1530) maakte van Psalm 118. Bange tijden, omdat de keizer dreigende plannen had geuit t.a.v. de kerk. Het is een belijdenis en een lofzang geworden, die weldadig is om vandaag nog te lezen. Men komt onder de indruk van de kracht van het geloof, dat weliswaar bestreden wordt door zonde, ongeloof en duivelse aanvechtingen, maar dat vast mag rusten in Gods beloften. Al voor het breekpunt in 1517 verstond Luther iets van de evangelische opvatting van de gerechtigheid Gods die we in Psalm 118 aantreffen (blz. 127). Dat is daarna alleen maar verdiept.

Mieke de Jong, Hildegard von Bingen (1098-1179) (klein leerboek). Uitg. Kok, Kampen 1997, 60 blz. f 19,90.

In 1998 is het 900 jaar geleden dat de Duitse benedictines Hildegard von Bingen werd geboren. Zij was op zeer jonge leeftijd opgenomen in een kloostergemeenschap en heeft haar leven zeer arbeidzaam doorgebracht: ze is - vooral in rooms-katholieke kring - bekend als mystica, arts en kruidkundige. Van al die facetten kan men kennisnemen in dit boekje, geschreven door iemand die al jarenlang zich voor ogen stelt haar levenswijsheid te verspreiden.

Prof. dr. J.W. Maris e.a., Opdat zij allen een zijn (GSEV-reeks nr. 36). Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1997. 95 blz. f 17,90.

Aan het uitkomen van boeken over de kerkelijke verdeeldheid op het gereformeerde erf komt nog geen einde; dat heeft een duidelijke reden: aan die verdeeldheid zelf is nog steeds geen einde gekomen. Het Gereformeerd Sociaal Economisch Verbond bundelde in dit boekje de resultaten van een gehouden studieavond over de praktische kanten van het kerkelijk samenspreken. U vindt er bijdragen in van prof. Maris (geestelijke groei en de eenheid van de kerk), prof. B. Kamphuis (pleidooi voor eenheid), ds. W. Smouter (spanning tussen geestelijke en organisatorische eenheid), R. Kuiper (woorden moeten tot daden worden), J.S. van Wijnen (over de menselijke faktor bij samensprekingen) en ds. E.A. de Boer (over de aktuele generaal-synodale stand van zaken en het samenspreken over de Dordtse Leerregeis. Persoonlijk vond ik de laatste drie hoofdstukken het meest interessant. Ik stem met ds. De Boer in dat in de wijze waarop de GKV het contact met de NGK onderhoudt - of niet - (in haar besluitvorming op synodaal niveau) te weinig gerekend wordt in de praktijk met de beladenheid van de geschiedenis van de laatste 30 jaar (blz. 54). Ik denk verder dat de wijze waarop hij de gedachten van ds. H. Smit over de DL ter sprake brengt, goede bouwstenen biedt om een brug te slaan tussen hem en de anderen.

Drs. E.G. Hoekstra, Jehovah’s getuigen (in de serie Wegwijs). Uitg. Kok, Kampen 1997. 112 blz. f 19,90.

In kort bestek krijgt de lezer in dit boek een indruk van de achtergrond, principes, leef- en werkwijze van de Jehova’s getuigen. De auteur heeft zijn best gedaan om zo objectief mogelijk deze geloofsgemeenschap te beschrijven; eerlijk en recht doend naar alle kanten. Hij gaat daarin zo ver dat hij het adres van de getuigen in Nederland compleet met telefoonnummer (overigens onjuist!) vermeldt, op blz. 103. De ontstaansgeschiedenis vanuit Amerika wordt beschreven, daarna de voornaamste principes. In dit hoofdstuk is vooral van belang de wijze waarop de getuigen in hun eigen “wereldvertaling” afwijken van de oorspronkelijke bijbelse teksten om hun geloofswaarheden te funderen (de persoon van Jezus Christus, de drieëenheid, de heilige geest - met nadruk met kleine letters -, de werkelijkheid van de plaats van een eeuwige verlorenheid - of niet). Daarna volgen de wijze waarop e.e.a. dagelijks gestalte krijgt in de organisatie en het persoonlijk leven.

Het is goed dat een beeld op objectieve wijze gegeven wordt. Toch vraag ik me af of de auteur niet te optimistisch is geweest daar waar het gaat om de geloofstrouw van de aanhangers van deze secte. Uit andere geschriften is veel naar buiten gekomen van de groepsdwang waarmee deze gepaard gaat. Het zou m.i. juist in het kader van de objectiviteit goed zijn geweest wanneer daar meer van gezegd was; dat had goed gekund op blz. 110 in de epiloog.

Peter Hofland, Op leven en dood (over ziek zijn en doodgaan, geloof en twijfel, eeuwigheid) in de serie Hulpvaardig. Uitg. Kok, Kampen 1997.122 blz.

Ds. Hofland is gereformeerd predikant in Wezep en doet in dit boekje een handreiking voor vrijwilligers in het pastoraat die (evenals hij zelf) in aanraking komen met mensen op de grens van dit leven. Het boekje geeft alles wat in die situaties boven komt: vragen rond de verhouding tussen zonde en ziekte, twijfel en aanvaarding, aanwijzingen voor het begraven enz. De schrijver doet z’n best om de lezers - die geroepen zullen worden in Gods naam nabij te zijn in zulke situaties handvatten te geven, tot nadenken te dwingen, opdat hun ‘er zijn’ zegenrijk kan zijn. Daarbij vindt men veel wat van nut is.

Graag had ik de opbouw van het boek wat strakker gezien. Nu pendelt het heen en weer tussen psychologie en theologie, tussen psychologische hulpverlening en pastoraat. Ook keren soms gedachten op verscheidene plaatsen terug (bijv. de vragen rond de verhouding tussen ziekte/dood en zonde in de hoofdstukken 4 en 15 (!) en de vragen rond dalen van de kist bij de begrafenis op blz. 90 en 105). Dat maakt het geheel wat fagmentarisch. De auteur had ook soms wel meer toespitsing mogen geven vanuit de Schriften, wat mij betreft, bij de ordening van de gedachten van zijn lezers (bijv. als het gaat om verloren gaan en behouden worden en de noodzaak van het geloof daarbij).

Anderzijds treft men ook waardevolle gedachten aan bij het lezen, bijv. als het gaat om de dood als laatste vijand. Ik denk dat het boekje het meest tot z’n recht komt wanneer het dient als uitgangspunt bij een gezamenlijke studie van ambtsdragers en andere hulpverleners. Discussievragen nodigen daar aan het eind van elk hoofdstuk bij uit.

Drs. W. van Herwijnen. Hoe kan ik verder? Over charismatisch pastoraat in crisissituaties. Boekencentrum, Zoetermeer 1997.154 blz. f 24,90.

De schrijver is gereformeerd predikant in Haarlem (voorheen in Kampen). Hij heeft eerder geschreven over pastoraat aan zieken en over blijdschap in de geloofsbeleving.

Dit boek is speciaal gewijd aan crisissituaties. Hij bespreekt pastorale hulp aan mensen in die situaties.

Uit alles blijkt dat de schrijver een bewogen pastor is, met een sterk invoelend vermogen. In de gesprekken gaat hij praktisch te werk. Het Woord moet het doen. Hij geeft ook praktische aanwijzingen met nadruk op het werk van de Heilige Geest. Hij spoort aan dat werk te zoeken en te beleven. Charismatisch ziet voor mijn besef vooral op die tendens in de pastorale hulp. Daarnaast wijst hij op de dienst die gelovigen elkaar kunnen bewijzen. Hij brengt de ziekenzalving binnen het pastoraat in praktijk.

Een warm geschreven boek met waardevolle pastorale handreikingen. Het voorlaatste hoofdstuk bestaat uit de beschrijving van tien crisissituaties. De inhoud wordt gevormd door gesprekken van gemeenteleden met de pastor en omgekeerd. Indringend en soms ontroerend.

Als ik Job niet had. Tien denkers over God en het lijden, onder redactie van Albert de Lange en Onno Zijlstra. Uitg. Meinema, Zoetermeer 1997. 208 blz. f 34,50.

Dit boek is samengesteld door een werkgroep van onderzoekers van de Gereformeerde (synodale) universiteit in Kampen. In het Woord Vooraf lezen we dat het deze onderzoekers “niet gaat om een onkritisch hememen van de boodschap van de Reformatie zonder de maatschappelijke. culturele, filosofische en theologische ontwikkelingen van onze tijd serieus te nemen”.

De onderzoekers hebben bij Kierkegaard, J.H.Gunning jr., Noordmans, Paul Tillich, Franz Rosenzweig, HJ. Iwand, Levinas Marquardt en Mark C. Taylor nagegaan hoe zij de verhouding van God en het lijden zien.

De studies zijn knappe samenvattingen van dit thema bij de besproken auteurs. Het zijn in zekere zin detailstudies over genoemde theologen.’ Hun levensgeschiedenis wordt kort verteld. Dr.Den Hertog, die Iwand behandelt, laat duidelijk zien wat de samenhang van het thema met het leven van Iwand is.

In het opstel ter afsluiting, van prof. Neven over Barth, treffen we het programma (niet onkritisch hernemen van de boodschap van de Reformatie) heel duidelijk aan.

Een informatieve bundel voor degenen die zich met de besproken auteurs bezighouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.