+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

39.

Voorts zag ik in mijn droom, dat hij zich de volgende morgen vroegtijdig gereed maakte om de reis te vervolgen, maar de familie van het vermaarde paleis verlangde dat hij nog één dag blijven zou.

Nog een dag blijven? Dat kan voor een reiziger naar Sion droevige gevolgen hebben. Niet het genot van al het goede dat hij hier mag ontvangen, maar het doel van de reis, het ingaan in de eeuwige rust moet op de voorgrond staan.

Als de Pelgrim terug denkt aan zijn slapen in zorgeloosheid halverwege de heuvel, waarin hij veroordeeld werd door de mieren, dan vervult het zijn hart nog met smart en droefheid. Het scheelde niet veel of hij was te laat gekomen aan de poort van het Paleis Liefelijkheid om nog binnen gelaten te worden. En zou hij dan als de poort op het nachtslot geweest was, niet een prooi van de leeuwen geworden zijn? zo vraagt hij zich af.

Gelijk de eigenaar van de heuvel halverwege een lief prieël had laten bouwen, opdat vermoeide reizigers zouden kunnen uitrusten, was het Paleis Liefelijkheid door Hem geschonken tot onderhouding van de gemeenschap der heiligen. Maar zoals van het prieël geen gebruik gemaakt mocht worden voor het slapen in zorgeloosheid, diende het paleis niet voor een blijven in het genot dat daar voor een tijdelijke verkwikking tot versterking in het geloof geschonken werd.

Bemerkende dat er een sterk verlangen was in het hart van de Pelgrim verder te gaan, werd hij door de huisgenoten des geloofs gewezen op de profijtelijkheid van het blijven. Zij zouden hem dan, indien het weer helder was, een blik doen slaan op de liefelijke bergen, welk uitzicht, voegden zij er bij, hem geestelijk zou bemoedigen, omdat hij van daar uit zo veel beter het land van zijn bestemming kon zien. Hij bewilligde hierin en bleef nog die dag bij hen. Ja, dat zou hem bij al de tegenstand die hem nog wacht, tot bemoediging kunnen zijn. Het gaat om het doel van de reis, het land van zijn eeuwige bestemming, waar de Heere volmaakt gediend wordt. Wie het oog des geloofs daarop niet gevestigd heeft, zinkt in, wordt moedeloos in wegen van druk en kommer. Laat ons dan de vervulling van deze belofte: „Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een vergelegen land zien”, biddende zoeken. In het licht van deze heerlijkheid verdwijnen druk en tegenstand in het niet.

Zodra het volkomen dag was, geleiden zij hem naar het platte dak van het huis, en verzochten hem naar het zuiden te zien. Dit deed hij, en zie, op grote afstand zag hij een heerlijk bergachtig landschap, verfraaid met bomen en wijngaarden, talloze soorten vruchten en bloemen, fonteinen en bronnen, allerheerlijkst om te aanschouwen. Op zijn vraag hoe dit land heette, antwoordden zij dat dit het land van Immanuël was, en evenzeer als het Paleis open en vrij voor alle pelgrims! „En als gij u daarheen begeeft, kunt gij de poort des hemels aanschouwen, en de herders, die daar weiden, zullen u haar aanwijzen”. En toch, bij het aanschouwen van Immanuëls heerlijk land, werd zijn verlangen om de reis

te vervolgen zo sterk, dat hij zich niet meer liet weerhouden. De gedachte van te laat aan te komen bij de hemelpoort, aan te komen wanneer zij gesloten zou zijn, en dat voor eeuwig, doet hem de tijd der genade kostelijk achten.

„Maar”, zeiden zij, „laat ons nu eerst nogeens het wapenhuis bezoeken”. En dat is niet gezegd om de Pelgrim nodeloos op te houden. Hij wordt dan ook in zijn verlangen verder te reizen, niet in ’t minst bestraft, het deed al de familieleden van het paleis veeleer weldadig aan.

De pelgrim moet eerst nog naar het wapenhuis, want vanwege de strijd die hem wacht, heeft hij een deugdelijke wapenrusting nodig.

Dit geschiedde en nu werd hij daar van top tot teen geharnast met een deugdelijke wapenrusting, die bestand was tegen de velerlei aanvallen, die hem op de weg zouden ontmoeten.

De gehele wapenrusting is een geschenk van de Heere. Vanuit Zijn hand worden de wapens ter hand gesteld en met erkentelijkheid aangenomen. Met eigengemaakte wapens is geen overwinning te behalen, daar slaat de vijand niet voor op de vlucht.

„Daarom”, zegt de apostel, „neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt ’ wederstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven”;

„Staat dan, uw lendenen omgord hebbende, met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid; en de voeten geschoeid hebbende met de bereidheid van het Evangelie des vredes; bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen. En neemt de helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord”.

Toen hij aldus toegerust was, ging hij vergezeld van zijn vrienden naar de poort en vroeg daar de portier of deze ook een pelgrim had zien voorbij komen. De portier antwoordde bevestigend. Nu de onderhouding van de gemeenschap der heiligen de Pelgrim meer dan ooit dierbaar is geworden, verlangt hij en dat blijkt uit zijn vraag aan de portier, naar een metgezel op zijn verdere reis naar Sion, om met hem van hart tot hart te kunnen spreken tot onderwijzing in de wegen des Heeren.

Uit liefde tot de pelgrims had de portier naar de naam van deze reiziger gevraagd, daar de weg naar Sion dicht langs het paleis heen liep. En zie, het was Getrouw, die in zijn eertijds een stadgenoot was van de Pelgrim. En nog wel zijn naaste buur. Maar nu is hij hem voor tot aan de voet van de heuvel, dacht de portier.

„Wel goede deurwachter, de Heere zij met u, en schenke u een stroom van zegeningen voor al de vriendelijkheid aan mij bewezen!”

Gewis, de portier Waakzaam is de Pelgrim tot bijstand geweest in de zware beproeving bij het staan tussen de leeuwen. Door woorden van liefde en trouw vanuit de genade des Heeren werd hij gesterkt en kwam hij binnen in verwondering over de nederbuigende goedheid des Heeren.

Nu wilde de Pelgrim verder gaan, doch Bescheidenheid, Godsvrucht, Liefde en Voorzichtigheid stonden er op, hem tot de voet van de heuvel te vergezellen. Zo gingen zij samen verder en zetten de gesprekken die zij gevoerd hadden nog voort, tot zij op het punt stonden de heuvel af te gaan.

Nu zei de Pelgrim: „Het opklimmen is mij moeilijk gevallen, maar voor zo ver ik zien kan is het afdalen niet van gevaar ontbloot”. „Ja”, antwoordde Voorzichtigheid, „dat is zo, want het is een zware taak voor de mens af te dalen in de Vallei der Vernedering en niet uit te glijden zoals gij thans. Daarom zijn wij dan ook meegegaan om u de heuvel af te geleiden”.

Hij ging nu verder naar beneden, maar hoe voorzichtig hij ook mocht voort gaan, toch gleed hij enige keren uit. Bij het delen in de genietingen van het hemelleven met de gekenden des Heeren, wordt geen veldslag geleverd, het afsterven van de oude mens niet gezocht. Dan houdt de Heere de vijand van verre en ons verdorven bestaan er onder. Maar in de Vallei der Vernedering komt de vijand weer op ons af en ons verdorven bestaan weer boven. En dat wordt bij het verlaten van het Paleis Liefelijkheid op het hart gebonden. En die les geldt ons ook.

Toen zag ik in mijn droom dat deze vriendelijke gezellinnen, nadat zij de Pelgrim tot aan de voet van de heuvel begeleid hadden, hem een brood, een fles wijn en een tros rozijnen meegaven. En daarop ging hij zijns weegs.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.