+ Meer informatie

KERK EN OVERHEID (2)

7 minuten leestijd

Uit het artikel van br. De Hek van deputaten contact met de ousrheid (AC nou. 2006) blijkt dat de contacten tussen de kerk en de (plaatselijke) ouerheid gering zijn. Naar verwachting zal de komst van de WMO hier wat verandering in brengen. Zijn het over het algemeen de kerkenraden die meestal via de predikant de contacten met de burgerlijke overheid onderhouden, in het kader van de WMO zullen het vooral de diaconieën zijn. Meerdere keren heeft staatsecretaris van VWS mevr. Ross-van Dorp aangegeven dat zij in de WMO een belangrijke plaats voor de kerken ziet. Onlangs nog op een congres waarin haar het resultaat van een onderzoek naar vrijwilligerswerk en mantelzorg door kerkleden werd aangeboden, gaf ze dat onomwonden aan.

Het is duidelijk dat de overheid niet zonder bijbedoelingen naar de kerk kijkt. De kerk als leverancier van vrijwilligers in een tijd dat de verzorgingstaak afbrokkelt is een aantrekkelijke gedachte. Het gedachtegoed van solidariteit dat politiek breed wordt aangehangen móet de kerk natuurlijk wel aanspreken. Wanneer de kerk daar een bijdrage aan mag leveren en haar diaconale roeping in de samenleving mag innemen, dan kan dat inderdaad wel eens een grote werfkracht hebben. Ook de eerste christengemeenten zijn immers gegroeid door de diaconale presentie?

DE VERZORGINGSSTAAT

In de 3e en 4e eeuw (keizer Constantijn de Grote!) werd het christendom staatsgodsdienst; de kerk verloor haar diaconale roeping voor de samenleving. Zo ook in Nederland met de kerk in de 19e en 20e eeuw. Met de komst van de armenwet (1854) en de bijstandswet (1965) als sluitstuk was de verzorgingsstaat geboren. Niemand hoeft meer arm te zijn. Voor iedereen is er een basisvoorziening. Wanneer aan het eind van de 20e eeuw de economische recessie inzet en de kosten van de gezondheidszorg de pan uit lijken te rijzen vanwege de dubbele vergrijzing, grijpt de overheid in. Eerst via het plan Dekker en uiteindelijk is het de huidige staatssecretaris gelukt een stelselwijziging in te voeren, waarbij niet meer de staat de eerstverantwoordelijke voor vormen van zorg is, maar de medeburger. Meedoen, zo luidt het adagium ervan. Hierbij wordt niet alleen gedacht aan het mee kunnen en mogen doen van allerlei gemarginaliseerden, maar vooral ook aan het inzetten van de gezonde en sterke burger die vrijwillig omziet naar zijn medemens. Na tientallen jaren van individualisering wordt het volk opgeroepen weer solidair te zijn, naastenliefde te betrachten.

Dat hier ambivalent naar gekeken wordt, zal u duidelijk zijn. Hopelijk wint onze bewogenheid met de medemens het in deze strijd. Tegelijkertijd willen we onze politieke vrienden en ook deputaten ‘overheid’ vragen er attent op te zijn dat de overheid niet verzaakt te voldoen aan haar roeping om een schild voor de zwakken te zijn. Zal de overheid de juiste keuzen maken? Blijft zij garant staan voor de zorg aan de zwaksten in onze samenleving?

DE WMO

Vooralsnog bevat de WMO slechts de overheveling van de huishoudelijke zorg van de AWBZ naar de plaatselijke overheid. Samen met de WVG en de Welzijnswet heeft de plaatselijke overheid mogelijkheden de samenleving zo in te richten en te mobiliseren dat er goede basisvoorzieningen beschikbaar zijn. Daarbij bestaat het verlangen dat zich een samenleving ontwikkelt waarin de burgers weer naar elkaar omkijken: de ‘civil society’. Wanneer buurvrouw moeilijk ter been wordt, dan willen onze kinderen toch wel om de beurt de boodschappen voor haar doen? We zijn toch ook bereid haar naar het ziekenhuis te rijden wanneer dat van pas komt? En de auto van de buurman een goede wasbeurt geven kan toch zeker ook wel? Het zijn met name de kerken die een dergelijke zorg voor elkaar nog kennen. De meeste kerkelijke gemeenten kennen wel een of andere hulpdienst. Ervaring is er dus wel, zowel in uitvoerende zin als ook in coördinerend opzicht.

Het is te begrijpen dat de burgerlijke gemeenten nu, en de zorgaanbieders straks, likkebaardend naar de kerk kijken. Zou de kerk dit niet ook voor hun andere medeburgers in de samenleving willen doen? Kan het kerkgebouw niet een soort wijkpost worden, waar informatie te halen is en misschien ook wel een laagdrempelige opvang voor sociaal zwakkere wijkbewoners? Kunnen in datzelfde kerkgebouw niet ook vormen van kinderopvang georganiseerd worden voor werkende ouders die het ‘hypotheekvirus’ niet konden ontlopen?

WMO PLATFORM

De WMO schrijft de wethouder voor, dat hij zijn beleid in overleg met de burgers (afnemers) zal moeten ontwikkelen. Veelal stelt de wethouder daar een WMO platform voor in, waarin vertegenwoordigers van patiënten, cliënten en burgers in participeren. Naast de gemeenteraad die haar politieke invloed kan laten gelden op het WMO beleid zal dit platform haar invloed hebben, soms zelfs met instemmingsrecht. Het platform kan de signalen doorgeven van plekken waar het niet goed gaat in de plaatselijke samenleving. Ze kan helpen de goede prioriteiten te stellen.

Het is dit platform waarvoor ook de kerken uitgenodigd worden (of zichzelf moeten uitnodigen) voor participatie. Kerken zijn dan in dat platform niet vertegenwoordigers van een potentiële cliëntengroep (dat ook) of van leveranciers van vrijwilligerswerk (dat ook), maar van een groep sociaal (lees diaconaal) bewogen mensen. Mensen die weten wat er leeft in de samenleving, die dit kunnen signaleren en die ook ideeën hebben hoe hulp handen en voeten moet krijgen. De kerken moeten zich goed realiseren dat ze op grond van hun eigen verantwoordelijkheid aan die tafel zitten. Het gevaar dat de kerk louter als afnemer of leverancier van zorg gezien wordt, is groot. De kerk dient m.i. zijn eigen verantwoordelijkheid te behouden en vanuit haar eigen doelstellingen te opereren. De scheiding van kerk en staat die we sinds 1795 kennen, heeft hier ook alles mee te maken.

DIACONAAL PLATFORM

Evenals in een (plaatselijke) Raad van kerken de kerken gezamenlijk gesprekspartner zijn van de burgerlijke overheid, zo pleit ik ook voor een diaconaal platform. Diaconieën van alle plaatselijke kerken kunnen de handen ineenslaan. Vaak zijn de vragen rond de WMO voor elke afzonderlijke diaconie ook (te) pittig. Behalve dat is bundeling van krachten ook om andere redenen wenselijk. Sowieso zal de burgerlijke overheid graag één aanspreekpunt hebben. In de tweede plaats is het denkbaar dat het diaconaal platform meerdere taken op zich neemt. Vaak zijn er al bestaande plaatselijke diaconale initiatievemeen voedselbank, vluchtelingenhulp, een noodfonds enz. Het platform kan dienen voor een goed gezamenlijk overleg hierover en mogelijk ook voor nieuwe initiatieven. Het is niet ondenkbaar dat er vanuit de WMO gelden beschikbaar komen voor dergelijke initiatieven. Faciliteren en ondersteunen van vrijwilligerswerk en mantelzorg zijn speerpunten in de WMO. Diakenen hoeven deze taak niet allemaal zelf uit te voeren. De taak van diakenen is het diaconale werk van de gemeente te stimuleren en te coördineren. Het ligt dan ook voor de hand om uit te zien naar gemeenteleden met gaven op dit terrein, die gevraagd worden namens de diaconie te participeren in het WMO platform.

BEDREIGING OF KANS?

Over het bovenstaande zijn vragen te stellen: doen we het wel goed? Moet de kerk zich niet afzijdig houden van de overheid? Is dit een vorm van misbruik door de overheid? Andersom: Is het niet een geweldige kans om als kerk missionair-di- aconaal present te zijn in de samenleving? Kunnen we dit wel aan? Waar wordt onze verantwoordelijkheid begrensd? Kunnen we als kerk diaconaal present zijn zonder direct ook het evangelie met woorden uit te dragen?

Deze vragen houden deputaten diaconaat bezig. Samen met anderen bezinnen zij zich hierop. Over enige tijd hopen we de resultaten van die bezinning aan u door te geven. Naast deputaten ‘overheid’ zijn het ook de (diaconale) deputaten van de GKV, de GG en ook de EA waarmee we de bezinning doen. Ook zijn de medewerkers van de verschillende bureaus van genoemde kerken en Alliantie bezig goede praktijkvoorbeelden te verzamelen om t.z.t. als voorbeeld beschikbaar te stellen.

Tenslotte zou ik willen opmerken dat er over het algemeen gesproken, een grotere openheid bij de overheid is om met kerken samen te werken dan voorheen. Hierin vormt het feit dat kerken ook missionaire doelstellingen hebben niet direct een belemmering. Tegelijkertijd gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat er ook nog veel overheidsdienaren zijn die helaas nog door het oude denken besmet zijn. Zij vinden kerken die diaconaal actief zijn maar niets. Hulpverlening moet neutraal zijn. Gelukkig is dat een verdwijnend gedachtegoed. Zorg mag best plaatsvinden vanuit levensbeschouwelijke organisaties of kerken, mits deze transparant zijn in hun bedoelingen; en dat is een taak waaraan we niet voorbij willen gaan. We zijn immers ‘te allen tijde bereid rekenschap te geven aan een ieder over de hoop die in ons is’?

Afsluitend zouden we kunnen zeggen dat het in het vorige artikel door br. de Hek gesignaleerde beeld dat kerken zo weinig contacten met de overheid onderhouden, mogelijk zal gaan veranderen. Of we hier blij mee zijn en wat we er allemaal van moeten vinden, vormt nog stof van overdenking waar deputaten diaconaat zich graag samen met deputaten kerk en overheid op willen bezinnen.

De heer A. Heystek is als part-time diaconaal consulent werkzaam bij deputaten diaconaat in Veenendaal. Ook is hij part-time docent psychologie aan de Chr. Hogeschool Ede en aan de Theologische Universiteit Apeldoorn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.