+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

65

De geschiedenis van Kleingeloof, waarvan de Pelgrim vroeger onder het volk des Heeren heeft horen spreken, is bij zijn komst in die streek weer helder in zijn herinnering gekomen, zodat hij er ons iets van kwam mede te delen tot onderwijzing.

Maar nu schijnt het ons toe, dat de man daarover wel wat al te ver kwam uit te weiden, tot grote schade voor het vorderen op de weg. Althans is de les van de herders er door op de achtergrond gekomen, zodat het wakend bidden en het biddend waken weinig of niet beoefend werd. Terwijl dat in verband met dit woord: „Neemt u in acht voor de Vleier”, toch wel van betekenis zou geweest zijn. Zo liepen de pelgrims met enige zorgeloosheid verder tot zij aan het punt kwamen, waar de weg zich splitste, doch zo, dat de beide paden voor zover zij zien konden, parallel liepen. Zij bleven dus eens even staan om te overwegen welk van de beide paddn te kiezen. Terwijl zij daar zo stonden te beraadslagen, kwam er iemand naar hen toe met een zwarte gelaatskleur, maar in een helder wit kleed gehuld. Deze vroeg hun waarom zij daar zo stonden. Zij antwoordden, dat ze op reis waren naar de Hemelstad, maar niet wisten welke weg te kiezen. „Volg mij maar”, zei de man, „want ik ga dezelfde weg”.

Dat deden zij, maar weldra had het pad waarop zij zich bevonden, zulke bochten en kronkelingen, en de stad waarheen zij hun koers richtten, geraakte zo zeer uit het gezicht, dat zij haar na enige tijd bijna uit het oog hadden verloren.

En toch bleven zij die man, die onbekende man, nog volgen. Een engel was het niet, en hij had ook geen goddelijke opdracht. Evenmin was het een kind des Heeren, want die dragen op aarde geen lange witte klederen. Goed doorgedacht lag het dus voor de hand, dat men hier te doen had met een verschijning uit de duisternis. En dat werd de argeloze en biddeloze pelgrims pas duidelijk toen het te laat was. W ant eensklaps had hij, zonder dat zij er iets van bemerkt hadden, hen in een net gelokt, en zij zaten er zo zeer in verward, dat zij ten einde raad waren.

Op hetzelfde ogenblik wierp de man zijn wit gewaad af en dat verried zijn afkomst.

Toen zagen zij waar zij waren. Daarom lagen zij daar enige tijd te klagen, want zij konden er zich niet uit redden.

Hier zitten de pelgrims te jammeren door niet te luisteren naar de ernstige vermaningen van de herders, en geen gebruik te maken van de aantekeningen voor het kennen van de rechte weg.

Laat ons deze jammerklachten ter harte nemen, want wij denken gewoonlijk maar al te licht over de zonden van nalatigheid. Door te wijken van het rechte spoor, brengen wij onze ziel in doodsgevaren, onder de macht van de vorst der duisternis.

Had de Heere niet ontfermend op hen nedergezien dan hadden zij hun reis niet kunnen vervolgen. Maar Hij stelt ook in dit geval de kinderen des lichts, die blinken in ijver voor Zijn naam en zaak, in Zijn dienst tot bevrijding van arme pelgrims, door het net waarin zij verward zijn open te scheuren.

Zeker, dat ging wel met de nodige bestraffingen gepaard, maar uit liefde tot hun behoud, door voortaan de voorzichtigheid der rechtvaardigen ter harte te nemen.

Luister naar de Heere door u te oefenen in de kennis van de Waarheid, want dat is uw zwaard in de strijd tegen de zonde, satan en ongeloof.

Wordt u loom en lusteloos in de dienst des Heeren, dan moet u daar niet in toegeven. „Welnu dan, opdat de loomheid van deze plaats niet de overmacht over ons verkrijge, is het goed een nuttig gesprek aan te vangen”, stelde de pelgrim voor. En dat werd volgaarne door Hoop aanvaard. Op het vaderlijk vragen van de Pelgrim: „Waarmee zullen wij dan aanvangen?” wordt door Hoop kinderlijk geantwoord: „Daar waar God met ons is aangevangen”.

„Heel goed en dat beginsel kan alleen door Zijn Geest tot wasdom gebracht worden. Doch begin gij!”

„Luister dan eens naar dit lied”, en zie de Pelgrim begon:


Voelt soms Gods volk door slaapzucht zich
bedreigd,
’t Koom hier, en hoor deez’pelgrims samen
spreken,
En zij elks hart tot leren maar geneigd,
Ras is de sluim’ring dan van ’t oog geweken,
Der heiligen gemeenschap, wel betracht,
Houdt wakker ze allen tijd, spijt satans
macht.


Zeker, Hoop heeft ons gedurig laten blikken in zijn innerlijk leven, zodat hij duidelijke blijken heeft gegeven van zijn leven met de Heere. Uit de praktijk van zijn leven is het bewezen, dat de wortel der zaak in hem gevonden werd. Maar desniettemin verlangen wij iets te mogen horen van zijn komst tot het geloof in de Heere Jezus Christus.

Nadrukkelijk wordt het Hoop gevraagd, hoe hij tot andere gedachten is gekomen, daar hij in zijn eertijds wereldburger was, gelijk als alle mensen van nature zijn. En als wereldburger was hij toen ook kermisganger. Aan de ijdelheid van de kermis was zijn hart verbonden met al zijn denken, willen en begeren.

Al wist hij dat de Heere gediend en Zijn dag geheiligd moest worden, zo zag hij er toen nog geen dierbaarheid in. Dat kan ook niet, want denkend vanuit het ongeloof dacht hij hard van de Heere. De mens staat van nature vanuit de staat der ellende in vijandschap tegenover God. En hoe is Hoop tot andere gedachten gekomen? Want dat is in de eerste plaats noodzakelijk.

Hoop hoorde de Pelgrim en Getrouw spreken van goddelijke dingen, de dingen der eeuwigheid. En dat Getrouw terwille van zijn geloof en godzaligheid op de ijdelheidskermis ter dood werd gebracht, sprak tot hem, hield hem met die dingen steeds meer bezig. En bij dat licht zag hij de dood in al de dingen van de kermis, en dat de toorn Gods gedragen zou worden door de kinderen der ongehoorzaamheid, waarvan hij er ook één was.

En zo kwam Hoop door de eerste werkingen van Gods goede Geest tot andere gedachten. Vanuit het Woord en door Gods Geest begon hij steeds dieper te denken over de dienst des Heeren en de dingen der eeuwigheid, ’t Werd hem duidelijk dat het door een onvoorwaardelijke overgave aan de Heere en Zijn dienst moest komen tot een breken met de dienst der zonde. Maar vanuit zijn verdorven bestaan kwam daar heel veel tegenop.

„Neen — betuigt Hoop — ik was niet terstond bereid het kwaad der zonde en het rechtvaardig oordeel dat daar op volgt te erkennen. Integendeel, ik trachtte zodra mijn ziel verontrust begon te worden door de invloed van het Woord, mijn ogen voor dat licht, dat mij bescheen, te sluiten”.

Gesteld onder de majesteit van Gods Woord zag Hoop het geluk van de Pelgrim en Getrouw, en dat predikte hem hoe ongelukkig hij was voor tijd en eeuwigheid. Maar hij wist zich niet te ontworstelen aan de greep van de zonde, satan en ongeloof. Hij wist ook niet wat er gaande was in zijn innerlijk leven. Hij had er niet het minste besef van, dat dat voortvloeide uit een werk Gods in zijn ziel en dat hij gesteld was onder de dierbare bearbeiding van de Heilige Geest.

Maar toch werd hij onder dat alles steeds meer afkerig van de dienst der zonde, dat deed hem de kermis verlaten. Zijn smaak was er uit, en daarom kon hij zich niet meer er in vermaken. Door de onwederstandelijke werkingen van de Heilige Geest kreeg Hoop smaak in de dienst des Heeren, in de dingen der eeuwigheid. En wat is het groot uit kracht daarvan te mogen komen tot een onberouwelijke keus de Heere te vrezen. Want dan wordt met ernst gevraagd: „Wie zou U niet vrezen, Heere en Uw naam niet verheerlijken?”

Het komt Hem toe!

Hij is het eeuwig waardig!

N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.