+ Meer informatie

Een begenadigde belijder

Guido de Brès

11 minuten leestijd

Er is in Nederland en België geen theoloog wiens hoofdwerk vaker gedrukt is. Elke lezer van dit blad zal verschillende exemplaren van dit geschrift in bezit hebben. ledere zondag wordt het in handen gehouden door de kleinste kerkganger en de oudste kerktelefoonluisteraar, zij het meestal zonder het te lezen. In bijna elk kerkboekje is immers de Nederlandse Geloofsbelijdenis te vinden. Het testament van Guido de Brés overstijgt de eeuwen.

Het is rond 1522. In de Zuid-Nederlandse stad Bergen (Mons) treedt een welsprekende jezuïeter monnik op. Onder de vele luisteraars bevindt zich een hoogzwangere vrouw, de echtgenote van glasschilder Jean de Brés. Terwijl zij luistert, bidt ze tot de Allerhoogste: „Mijn God, waarom hebt U mij niet zo'n kind gegeven? Mocht het kind dat ik in mijn schoot draag Uw woord prediken." Enkele weken later wordt een zoon geboren: Guido.
Uit de correspondentie van Guido de Brés blijkt dat hij van huis uit een trouw zoon van de moederkerk is geweest. Hoe vast hij echter ook zit aan de leer van de kerk, in zijn leven vindt een grote ommekeer plaats. Guido de Brés is zeer summier in de gegevens over zijn bekering. Tussen zijn achttiende en vijfentwintigste levensjaar moet die hebben plaatsgehad. Van de leer der Reformatie, die hij vanaf dat moment hartelijk omhelst, schrijft hij: „Ik heb geen leer gevonden die naar mijn oordeel meer zekerheid schenkt en op hechter grondslag rust dan die ik thans belijd."

Vervolging
Ook verschillende van zijn familieleden worden voor de leer der Reformatie gewonnen. Zijn enige zuster, Mailette, is gehuwd geweest met Daniël de la Deuze, een lakenkoopman uit Valenciennes, die om zijn geloof is onthoofd. Zijn broers Christoffel en Jehan zijn vanwege bijbelcolportage en -smokkel met de inquisitie in aanraking geweest. Uit de brief die Guido vanuit de gevangenis aan zijn moeder zal schrijven, blijkt ook haar godsvrucht.
Op 29 april 1550 wordt een nieuw plakkaat van keizer Karel V van kracht. Het behelst een "eeuwig besluit" om uit te roeien en te vernietigen alle sekten en dwalingen tegen de bepalingen van de moederkerk. Een storm van vervolging breekt los, die ook Bergen niet voorbijgaat. In die tijd vlucht hij naar Engeland. Onder de regering van de jonge koning Eduard VI (de Josia van Engeland) worden zij die vanwege de gereformeerde religie voortvluchtig zijn met open armen ontvangen. De Brés ontmoet er onder anderen Johannes a Lasco, Martin Bucer en zijn landgenoten Petrus Datheen, Marten Micron en Jan Utenhove.

Predikant
Het verblijf in Londen moet voor de glasschilder van grote betekenis zijn geweest. Hier heeft hij een georganiseerd gemeenteleven leren kennen, met een eigen kerkorde, liedboek en belijdenis: de "Confessio Londinensis". Van grote betekenis zijn ook de colleges in het Latijn en de bijbelexegese door Johannes a Lasco.
In 1552 keert De Brés toegerust naar de Nederlanden terug. Vanaf dat moment is hij geen glasschilder meer, maar rondreizend predikant. Het beleid tegen de aanhangers van de "nye leer" is wat gematigd. Op aandrang van zijn zuster, de koningin van Hongarije, laat Karel V in de laatste periode van zijn regering enige vrijheid van godsdienst toe. Het is in deze tijd dat Guido de Brés de gereformeerden van Rijssel (Lille) gaat dienen.
Wanneer Karel V in 1555 afstand doet van de troon en Filips II zijn plaats inneemt, breekt opnieuw een zware tijd aan voor de gereformeerden. Vele Rijsselse gemeenteleden, onder wie het bekende gezin Ogier, worden op gruwelijke wijze omgebracht. Uit de afscheidswoorden die Maarten Ogier tot de gevangenen om het geloof richt, blijkt de grote plaats die Guido de Brés inneemt in de gemeente. „Vergeet de leer van de Heilige Schrift niet en de goede vermaningen die gij van broeder Guido gehoord hebt."

Wederdopers
Guido de Brés vlucht via Gent naar Frankfurt. In die tijd schrijft hij zijn eerste werk: "De Staf des geloofs". Dit als tegenwicht tegen "De beukelaar des geloofs" van de fel roomse Nicole Grenier, die door zijn boek ketters terug probeert te krijgen in de schoot der kerk. Met talrijke citaten van kerkvaders probeert De Brés dit geschrift te weerleggen. In Frankfurt voert hij vele twistgesprekken met de wederdopers. Daarover gaat met name zijn "Wortel, oorsprong en fundament der wederdopers", een werk dat in Nederland vier drukken beleeft.
Vervolgens studeert hij enige tijd in Lausanne en Genéve, om in 1559 weer naar zijn geboortegrond terug te keren. Hij treedt in het huwelijk met Catharina Ramon en wordt predikant in Doornik (Tournai). Vandaaruit dient hij ook de gemeenten Valenciennes, Rijssel en Gent. Al weer onder zware omstandigheden. Dit blijkt vooral uit een brief van Jaques van Lo, die in 1561 levend wordt verbrand. Vanuit de cel schrijft hij aan Guido de Brés: „Verlaat Nederland niet en zie niet naar hen die plaats zoeken om hun gemak te houden. Let op hetgeen Christus Zijn apostelen zeide: 'Ik zende u als schapen in het midden der wolven'."

Geloofsbelijdenis
In Doornik komt De Brés in conflict met enige gemeenteleden. Zij achten het tijd om op te staan tegen de overheid, daarin gesteund door de lekeprediker Robert du Four. De Brés merkt hierin doperse elementen op. Hij beseft dat het niet door kracht of geweld, maar door de Geest des Heeren zal geschieden.
Ondanks zijn protest en dat van ouderling Jan de Lannoy gaan vele gemeenteleden op 14 september 1561 luid psalmenzingend door de straten. Ze houden halt voor het huis der jezuïeten en voor het huis van de vicaris van de bisschop. De gevolgen blijven niet uit. De plaatselijke gouverneur Floris de Montigny krijgt uit naam van de landvoogdes assistentie van enkele commissarissen om orde op zaken te stellen. Du Four weet te ontvluchten, maar ouderling De Lannoy wordt gevangengenomen. Dat brengt Guido de Brés ertoe de autoriteiten in kennis te brengen met de diepste drijfveer van de gereformeerden. In de nacht van 1 op 2 november 1561 wordt door hem of een ander een pakje over de muur van het kasteel van de gouverneur geworpen. Het bevat de Nederlandse Geloofsbelijdenis, met een begeleidend schrijven aan de landvoogdes, aan Filips II en een verweerschrift aan de lagere overheden.

Hofpredikant
Indrukwekkend is de wijze waarop hij zich verwoordt, met name tegenover de koning. „Verleen ons tenminste, genadige heer, in Gods naam, wat geen mens zelfs aan de dieren kan weigeren, namelijk dat ons roepen als van verre tot uw oren komt, opdat uwe majesteit na ons gehoord te hebben, ons schuldig oordeelt, de brandstapels dan vermeerdert, de pijnigingen vermenigvuldigd worden in uw koninkrijk. Daarentegen, indien onze onschuld u blijkt, dat gij ons dan tot een steun en toevlucht tegen het geweld van onze vijanden moogt zijn."
Hiermee bereikt De Brés echter het tegendeel. Op 4 november wordt hij vogelvrij verklaard. Twee maanden later ontdekt men zijn verblijfplaats: een tuinhuisje van Piat Morgeulx. Er worden geschriften gevonden van de reformatoren, brieven van onder anderen Calvijn, tweehonderd exemplaren van de geloofsbelijdenis en aantekeningen voor Crespins martelarenboek, waaraan De Brés veel medewerking heeft verleend.
Hij ontvlucht nu de Nederlanden en herenigt zich met zijn gezin in Sedan, waar hij hofpredikant wordt van de edelman Henri Robert de la Marck. Door zijn publicaties is hij inmiddels een man van gezag in de gereformeerde kerken. Dat blijkt uit het feit dat er in 1564 onderhandelingen plaatsvinden tussen hem en Willem van Oranje, om te komen tot een samensmelting van luthersen en gereformeerden op basis van de Wittenbergse concordie. Een jaar later spreekt hij erover met Jean Taffm, die op zijn beurt Beza raadpleegt. De laatste acht samengaan zinloos. Volgens Beza valt met de luthersen niet te onderhandelen. Helaas is dat in de praktijk maar al te waar gebleken.

Beleg
In juH 1566 gaat De Brés naar Antwerpen. Aan het eind van dezelfde maand komt er een dringend verzoek van Peregrin de la Grange om naar Valenciennes te komen. Het overgrote deel van deze stad is de leer der Reformatie toegedaan. Als op 18 augustus in Antwerpen de beeldenstorm plaatsvindt, wordt dit voorbeeld een kleine week later in Valenciennes gevolgd.
De landvoogdes wil de gemeente terwille zijn. Men mag buiten de vesting hagepreken houden, maar moet de kerken weer afstaan. Daar de kerkenraad, overigens zonder instemming van Guido de Brés, de eis op tafel blijft leggen dat een aantal kerken voor de gereformeerden behouden moet blijven, wordt Noircarmes met een leger naar Valenciennes gestuurd. Op zondag 22 maart 1567 wordt de stad ingenomen, nadat men tevergeefs heeft gewacht op toegezegde hulp van onder anderen Willem van Oranje, Lodewijk van Nassau en admiraal De Colligny.
De Brés en De la Grange weten in de nacht van 28 op 29 maart over de muur te ontsnappen. Hun vrijheid is niet van lange duur. In een herberg in het nabijgelegen St. Amand wordt hun medevluchteling Herlin door een boer herkend als vluchteling uit Valenciennes. Er wordt melding van gemaakt bij de plaatselijke overheid en kort daarna worden ze meegevoerd naar de gevangenis in Doornik en elf dagen later naar het gevang te Valenciennes.

Heldhaftig
Tevergeefs probeert men De Brés en De la Grange te overreden hun geloof af te zweren. Als de gravin van Reux Guido de Brés in zijn vunzige cel bezoekt, mag hij antwoorden: „De goede zaak die ik handhaaf en het goede geweten, dat God mij geeft, doen mij gemakkelijker slapen, eten en drinken dan al degenen die mijn kwaad willen. Wat mijn boeien betreft, het is er ver vandaan, dat die mij zouden verschrikken of verontrusten. Zij zijn mij heerlijk. Ik acht ze dierbaarder dan gouden ketenen, gouden ringen en andere juwelen (...) Dit vindt zijn oorzaak niet in de boeien zelf maar in hetgeen, waartoe ik ze dragen moet, namelijk het heilige Woord van God." Men tracht hem zelfs te verleiden met een jonge dame. Heldhaftig antwoordt hij: „Houd de verzoeking van uw priesters en monniken bij u, want gij weet dat zij ondernemingsgezind zijn als het om dergelijke waar gaat."
In de brieven aan de schapen van de kudde waarvan hij een herder in ketenen is, uit hij zijn bezorgdheid over de gemeente van Valenciennes. Zeer bang is hij dat velen slechts een tijdgeloof hebben. „Sommigen zullen voortaan hun buik tot god hebben, anderen de afgoden en weer anderen zullen atheïsten worden (...) Ik zeg dit, mijn broeders, terwijl ik hete tranen ween."

Brieven
Ontroerend zijn ook de brieven aan zijn vrouw en moeder, vlak voor zijn marteldood geschreven. Eerlijk schrijft hij dat hij aanvankelijk niet verenigd is geweest met de weg des Heeren. Totdat hij mocht worden ingeleid in Gods voorzienigheid.
„Ik heb meer geleerd en vorderingen gemaakt sinds ik gevangen ben dan gedurende mijn gehele leven. (...) Onze Heere doet mij aan de ene kant mijn zwakheid en kleinheid voelen, dat ik niets ben dan een ellendig aarden vat, broos in de hoogste graad, opdat ik mij vernedere en al de roem der overwinning Hem worde toegebracht. Aan de andere kant vertroost en versterkt Hij mij op een ongelooflijke wijze en gevoel ik mij geruster en tevredener dan de vijanden van het Evangelie."
In de brief aan zijn moeder herinnert hij haar aan haar gebed enkele weken voor zijn geboorte. „Gij vroeg of uw kind mocht zijn als die jezuïet. (...) Mij dan, een ware navolger van Jezus, de Zoon van God, gemaakt hebbende, heeft Hij tot de heilige bediening geroepen. Niet om de leer van mensen, maar om het zuivere en eenvoudige Woord van Jezus en van Zijn apstelen te verkondigen."

Broeder Guido
Op zaterdag 31 mei 1567 vindt de voltrekking van het vonnis plaats. Guido de Brés vreest het schavot niet. „Nimmer had ik gedacht, dat God mij zulk een eer zou schenken. (...) De dood is niets! O! Hoe zalig zijn de doden die in de Heere sterven!" Op de markt van Valenciennes wordt hij opgehangen met zijn vriend en broeder De la Grange. Voordat hij van de ladder in de strop wordt gestoten, vermaant hij het volk de overheid te eerbiedigen maar ook te volharden in de leer door hem verkondigd.
Zijn lichaam is ter aarde besteld op Mont Anzin. Sommige historici vermelden dat hij zo ondiep is begraven, dat zijn lijk ten prooi is gevallen aan het wild gedierte. Mocht dit zo zijn, dan herinnert het ons aan Psalm 79, waarin wordt gesproken over de dode lichamen van Gods knechten die aan het gevogelte tot spijs zijn gegeven. Zijn belijdenis in ons kerkboek en bovenal zijn belijdenis in de kerker brengen ons het slot van die Psalm in herinnering. „Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid." Met een variant op het getuigenis van Maarten Ogier wil ik de lezers van ons familieblad voorhouden: „Vergeet de leer van de Heilige Schrift niet en het getuigenis dat gij van broeder Guido door middel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis ontvangen hebt."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.