+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

6 minuten leestijd

65.

De straf der zonde (3)

God moet de zonde straffen overeenkomstig Zijn rechtvaardigheid en heiligheid.

Onze Heidelberger zegt in zondag vier: „maar Hij vertoomt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen”.

God Zelf betuigt in Genesis 2 : 17: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven”. We kunnen de straf der zonde onderscheiden in TIJDELIJKE en EEUWIGE straffen. En daarin ligt besloten de dood in drieerlei zin: de tijdelijke, de geestelijke en de eeuwige dood.

De tijdelijke dood is de scheiding tussen ziel en lichaam. Bij deze tijdelijke dood heeft God uitstel gegeven. Adam en Eva zijn niet direkt op het eten van de verboden boom gestorven. God kwam in Zijn eeuwige barmhartigheid en genade tot hen met de belofte van verlossing in de z.g.n. „moederbelofte”.

De GEESTELIJKE dood trad onmiddellijk in. Deze is de scheiding tussen Gods gemeenschap en gunst en de mens. We zien dit duidelijk bij Adam en Eva. Zij verbergden zich direkt na het eten van de verboden boom. Door de zonde hebben zij en wij het BEELD GODS verloren.

In de les over „het beeld Gods” (les 49) hebben we besproken, dat de mens de ware kennis van God, waarin het beeld Gods ook bestond, geheel is verloren, maar dat er nog „enig licht der natuur” in hem is overgebleven. D.w.z. dat de mens nog redelijk, zedelijk schepsel is. Onze Nederl. Geloofsbelijdenis spreekt van „kleine overblijfselen derzelve, die genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen” (art. 14). Het zijn de ALGEMENE gaven en zegeningen, waarin de mens nog mag delen door Gods ALGEMENE goedheid.

Maar bedenk wel, dat hiermede niet bedoeld wordt, dat er in de mens nog enig wezenlijk „geestelijk” goed is overgebleven. Dit is de mens kwijt en hij kan het ook niet door zichzelf verkrijgen. Want de mens is GEESTELIJK DOOD. Efeze 2: „Dood in de zonden en misdaden”.

Krachtens deze geestelijke dood is de mens onmachtig geworden onder de zonde.

De eeuwige dood is het eeuwig straflijden in de hel.

Wat is eigenlijk de dood?

Velen denken, dat zij is een „vernietiging” van de mens. Die gedachte ligt ook in het standpunt van de Jehovah-getuigen, door het sterven van de ongelovigen.

„Sterven” is een voortbestaan, maar dan ten verderve voor hen, die verloren gaan. Het eeuwig verderf zal zijn een eeuwig verdervingsproces als eeuwige vloek. De Schrift spreekt van „waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt”, Mark. 9 : 46.

Sterven is de tegenstelling van leven en gemeenschap, dus disharmonie, verbreking van alle levenseenheid, van alle gemeenschap. In de hel zal er dus geen appel meer mogelijk zijn. Dat zal wat uitmaken, eeuwig onder het sarren van de duivelen te moeten verkeren, in oneindige smarten en angsten. Ja, wie zal het onder woorden kunnen brengen, wat dat lijden zal zijn.

Gelukkig zij, die hier, in het heden der genade, iets leren kennen bij ontdekkend licht van psalm 116:


Ik lag gekneld in banden van de dood,
Daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen.
Ik was benauwd, omringd door droefenissen,
Maar riep de Heer’ dus aan in al mijn nood.


Och Heer’, oeh wierd mijn ziel door U gered.
Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig.


De tijdelijke of lichamelijke dood heeft betrekking op onze verhouding tot de stoffelijke wereld, in en buiten ons.

Daaruit vloeit voort het velerlei lijden, in ziekten en pijnen, in zorgen en moeiten en lasten in de strijd om het bestaan. Job doelde hierop toen hij sprak: „Heeft niet de mens een strijd op aarde en zijn zijn dagen niet als de dagen van een dagloner?” Job 7 : 1.

Nu dienen we wel voorzichtig te zijn met het maken van toepassingen ten opzichte van ziekten en tegenheden. Achterdeze behoeven niet altijd BIJZONDERE zonden te liggen. Maar wel geldt in de algemene zin het spreekwoord: „waren er geen zonden, dan waren er geen wonden”.

Zo zijn in het algemeen katastrofes en rampen, die de wereld teisteren, gevolg van de oordelen Gods. Psalm 76 : 9; Jes. 26 : 8, 9.

De vloek over het aardrijk doet doornen en distelen voortbrengen, doet de man in het zweet zijns aanschijns zijn brood eten en doet de vrouw met smart kinderen voortbrengen, ja, doet de schepping zuchten als in barensnood zijnde (Gen. 3 : 17–19; Rom. 8 : 22).

Nu zijn alle zonden in zichzelf ONVERGEFEL1JK, d.w.z. buiten Christus. Alleen in Christus zijn de zonden vergefelijk. Waarom? Omdat Christus de GENOEGDOENING heeft gebracht aan Gods recht voor al de Zijnen. Gods recht eiste: betaling voor de zonde, en die heeft Christus gedaan als volkomen afbetaling. Daarom geldt het voor Gods kinderen: „Gij zijt duur gekocht”.


Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt
Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.


Eén zonde is echter absoluut onvergefelijk. Dit is de speciale zonde tegen de Heilige Geest. Het is „de zonde tot de dood”, waarvan de apostel Johannes spreekt in 1 Joh. 5 : 16.

Deze zonde tegen de Heilige Geest is een „speciale” zonde, zeiden we. Want in zekere zin zondigen wij alien tegen de Heilige Geest. Stefanus zegt tot de leden van de Joodse raad: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest”, Hand. 7 : 51.

Zelfs ook Gods kinderen kunnen de Heilige Geest „bedroeven”.

Maar deze zonden zijn vergefelijk in Christus. Wat is dan de onvergefelijke zonde tegen de Heilige Geest?

Zij is een aparte, speciale, opzettelijke LASTERING van de Persoon en het werk van de Heilige Geest, tegen innerlijke overtuiging in. Voor hen, die deze zonde doen, is de deur der genade reeds hier gesloten. Zij komen nooit tot berouw. Voor hen is geen gebed.

Dit maant ons ernstig om de Heere te smeken, dat Hij ons en onze kinderen beware voor de verharding van ons hart! Over al de roepstemmen heenleven is zo gevaarlijk. Dat we toch bidden om vernieuwing van ons hart, om ware boetvaardigheid en bekering.

Die de Heere in oprechtheid vrezen kunnen vaak bang bestreden worden over deze zonde tegen de Heilige Geest. Satan valt hen er mee aan. Maar dit zij voor hen tot troost: juist het feit, dat zij hierover bekommerd zijn, is het bewijs, dat zij die zonde niet gedaan hebben. Want, die deze zonde doen, zijn totaal verhard. Zij zijn als ’t ware immuun geworden voor elke verontrusting.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.