+ Meer informatie

Bidden aan tafel

5 minuten leestijd

Dat is wel een heel moeilijk onderwerp dat ik nu heb aangesneden: bidden aan tafel. Uit hoofde van mijn beroep kijk ik nog al eens rond in verschillende gezinnen en meen aanleiding te hebben daarover eens iets te zeggen.

Laatst was ik in een gezin van acht kinderen, waar men juist met de maaltijd zou beginnen. De vader, aan het eind van de tafel, ontdeed zich van zijn pet en hield die een tijdlang voor z'n gezicht. Zonder een woord te zeggen. De acht kinderen hielden de ogen een poosje dicht maar al gauw ontspon een onderling geknipoog en een zacht gegichel. Niets kinderlijks vreemd. Ze wisten blijkbaar hoe lang ongeveer het „stille" gebed van vader duurde en namen hun kans waar. En ongeveer op het eind viel de een na de ander in: „Heere, zegen deze spijze, Amen." Toen begon de maaltijd.

Ik vroeg me af en ik leg dit ook de lezers voor: welke stichting gaat er nu uit van zulk bidden. En dat komt voor in honderden gezinnen. Men zal mij tegenwerpen, dat niet ieder de gave heeft orn „hardop" te bidden, maar er dan toch mee instemmen dat er voor de kinderen niets van uitgaat. De vader verschoont er zich niet mee door te zeggen, dat hij niet bidden kan. Van de noden clie er in het gezin zijn, van de noden die de kinderen zelf hebben weten ze niets en leven er zodoende niet in mee. Vader kan die noden persoonlijk w r el aanbevelen, hij kan ze ernstig de Heere voorleggen, maar door z> jn stil gebed blijven de kinderen met hun tere, ontvankelijke ziei er buiten.

In andere gezinnen is het weer rie gewoonte dat men het tafelgebed door een van de kinderen laat doen. Op een dreun wordt dan opgezegd: „O Vader, die al 't leven voedt" en aan het einde „O, Heer, wij danken U van harte." Over dit gebed-versje als zodanig zal ik nu niet vallen al valt er wel wat op aan te merken, maar ik wil er alleen op wijzen, dat met zulk een formaliteit, en dan nog wel door een van de kinderen verricht, tekort wordt gedaan aan het karakter van de huisgodsdienst. En zeker aan het priesterlijk karakter van de gebeden, die in huis worden gedaan.

RONDKIJK

De huisvader is priester in zijn gc? in en wanneer als hierboven geschetst wordt gehandeld, komt. er v.an dat priesterlijke maar weinig terecht. Dan wordt er niet met de kinderen gebeden, maar dan bidt de vader alleen. Dan nemen de kinderen er geen indrukken van mee en blijft er in het jeugdig gemoed niets van hangen.

Ik heb meermalen jongens en meisjes horen zeggen, die vroegtijdig de deur uit moesten en in een kosthuis of in betrekking waren dat ze toch het gebed van vader aan tafel en 's avonds bij het naar bed gaan misten. Zeker, ze wisten, dat vader en moeder toch wel voor hen bad, maar ze waren nu niet meer rechtstreeks onder dat gebed. Zo recht uit het hart kwam het bij vader er uit als er iets was in het gezin of als het hun persoonlijk gold. Zo kinderlijk eenvoudig. En als ze dan op g'ezette tijden thuis kwamen, en vader weer aan tafel hoorden bidden ook voor hen, met zijn diepe, welgemeende stem, legde dat weer op nieuw beslag, kwam er weer in uit dat het gezin bij elkaar behoorde en in gezinsverband de Heere werd opgedragen.

Wanneer er niet luide aan tafel wordt gebeden zullen deze indrukken er ook niet zijn. Het gebed van vader en van moeder kan soms zo'n indruk maken, dat het van veel kwaad weerhoudt. Als men echter „stil bidt", zullen de kinderen er ook niets van meenemen.

Op veel plaatsen is het de gewoonte dat vader, moeder of een van de kinderen het „Onze Vader" bidt. Op zichzelf gezien veel beter dan het stille gebed aan tafel. We gaan hier nu niet in, of men dit „mag" bidden, dat is een onderwerp op zichzelf. Lees maar wat Ds Smytegelt daar in zijn Catechismus van zegt. Als echter dit formuliergebed afgerammeld wordt is het geestdodend en ontaard het in puur formalisme.

Ik weet het wel, dat niet ieder de gave heeft om een vorm te vinden om zijn gedachten in een aan tafel luid uitgesproken gebed te uiten. Maar er is ook veel valse schaamte.

schaamte. Schaamte voor moeder en als men er later aan begint om het openlijk te doen, schaamte voor de opwassende kinderen.

Calvijn, schrijvende over het gebed in zijn Institutie kenmerkt het juist: dat we zo laks en lui zijn om ons niet te oefenen om de Heere te zoeken, tot Hem te bidden en aan Hem te smeken. En dat tot ons grote heil. (Institutie II, 20, 2)

De Heere heeft ons gebed niet nodig. Hij is niet als iets behoevende. Hij weet onze noden reeds vóór we Hem die uitzeggen. Maar de Heere wil dat we tot Hem komen, zij het dan met stuntelige woorden en vol gebrek. Hij wil om onze zaligheid, om de voorziening in al onze nooddruft, gevraagd en gebeden zijn. En als we dat in kinderlijke vreze en in ootmoed mogen doen dan gaat er wat van uit in het gezin. Dan nemen de kinderen daar blijvende indrukken van mee.

D.V. een volgende maal nogmaals over dit onderwerp.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.