+ Meer informatie

Ter overweging

11 minuten leestijd

G.Breman, Een goed onderkomen. 60 jaar Chr. Geref. Kerk te Dedemsvaart.Uitg. Boekhandel Rooseboom, Dedemsvaart (05235-12297). Prijs f. 12,50.

Opnieuw een boekje over de plaatselijke kerkgeschiedenis, nu van de kerk te Dedemsvaart, dat we u mogen aankondigen. In het bestek van een tachtig bladzijden wordt de geschiedenis van dit 60 jaar „jonge takje aan de oude, maar immer levende stam van Gods Kerk” en de „tot wasdom gekomen spruit van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Lutten” beschreven. Op bijna lyrische wijze wordt over die „ouderdom” gesproken: „onze kerk heeft geen leeftijd, omdat het niet onze, maar Christus’ Kerk is” (blz. 5v.). Van zegeningen - niet zonder moeite - en van moeiten - niet zonder zegen - wordt verhaald. Van een dominee die de helft van de kerkbouwkosten voorschiet (!) of die hypotheek verstrekt, van ’n „hele” dominee en ’n dominee met „charmante slordigheid” gewaagt dit boekje op vlotte wijze. Alleen: het koppelen van de persoonlijke voornaamwoorden „U” en „jij” door middel van het voegwoord „en” (blz. 3) schijnt langzamerhand tot de kerkelijke vaktaal te be horen, vermoedelijk om te laten merken dat de kinderen en de jonge mensen niet worden vergeten. Maar die koppeling doet niets af van de waarde van dit voor ieder die van de „kleine” kerkgeschie denis houdt, jong èn oud, boeiende werkje !

Dr. D. Nauta, Pierre Viret (1511-1571), Medestander van Calvijn, in leven en werken geschetst.

Uitg. De Groot - Goudriaan/Kampen. Prijs f. 27,50.

Tegenover de titelpagina van dit boek (123 blz.) staat dat het is uitgegeven ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van de auteur. Het dwingt diep respect af dat prof. Nauta - reeds twintig jaar emeritus hoogleraar - dit boek heeft geproduceerd dat een figuur belicht die naast Calvijn en Farel heeft gearbeid als reformator in Frans Zwitserland, met name als predikant van Lausanne. Dat er ook in de eerste tijd van de Reformatie geen paradijselijke toestanden in de kerken bestonden, is wel heel duidelijk in Virets levensloop, waarin zijn zegelspreuk bewaarheid werd: Veritas vulnere viret, dat is: de waarheid is krachtig door slagen. Door slagen en moeiten heen heeft Viret de waar heid van het Evangelie leren eerbiedigen en hooghouden. Liever de weg van christelijke bescheiden heid en gematigdheid dan die van geweld en uiterste gestrengheid! Niet ieder in de kerk is in staat dat op te brengen. Daarom blijft het paradijs ook zo ver…. zelfs voor de kerk!

Or.J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Zeeland. Deel 1 De Bevelanden en Zeeuw Vlaanderen.

Uitg. De Vuurbaak, Barneveld. Prijs f. 65,—.

Onvermoeibaar werkt dr. Wesseling voort aan de geschiedschrijving van de Afscheiding. Na de pro vincies Groningen, Friesland en Overijssel is nu Zeeland aan de beurt. Het gaat om de geschiedenis van de kerken van de Afscheiding die op Zuid- en Noord-Beveland en in Zeeuws Vlaanderen zijn ontstaan, Vooral onze lezers in Biezelinge, Goes en Zaamslag zullen erin geïnteresseerd zijn. Het ontstaan van de huidige Chr. Geref. Kerk te Biezelinge komt zelfs nog even ter sprake (blz. 246). Ook in dit boek blijkt duidelijk dat het paradijs heel ver weg is. Wat een „vlees en wereld” werkt door in de kerk! Scheuring na veel onheilige twist en tweedracht waren schier schering en inslag in die eerste tijd. Zou er één gemeente zijn die daardoor niet is geteisterd? Wat is er wat afgevochten rond een figuur als ds. Budding! „Uitsluitingszucht” en „sectengeest” vieren zo nu en dan hoogtij (vgl.blz. 131). Natuurlijk waren er ook andere, heiliger hoogtijden, maar kerkelijke ruzies en twis ten met al de daarbij kans krijgende menselijke hartstochten vinden nu eenmaal gemakkelijker hun weerslag in de archieven dan het omgekeerde. Als de eeuwen door: de extremen halen de publici teit! En daarmee ook de geschiedenisboeken! „Nooit moet haar nijd of twist verkloeken” werd zonder twijfel ook in die dagen met de toen „nieuwe” berijming (van 1773) gezongen. Maar de ge neratie van toen liep evengoed in de val als die van nu. Dat kan soms een - schrale - troost in het he den zijn. Het onderstreept in elk geval de noodzaak te blijven geloven in de belofte omtrent de poorten die Christus’ gemeente toch niet kunnen overweldigen. Wie de prachtige reeks van dr. Wes seling over de Afscheidingskerken bezit, behoeft niet ver te zoeken om te ontdekken dat het geen menselijke prestatie is dat de kerk van onze Here Jezus Christus er nog is en dat Hij die gemeente nog gebruiken wil voor het Evangelie en de komst van Zijn Koninkrijk.

Ir. J. van der Graaf, Om de erve der vaderen. De Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk en Samen op Weg. Uitg. Kok, Kampen. Prijs f. 19,90.

In dit boek (110 blz.) heeft de secretaris van de Geref. Bond de belangrijkste stukken gebundeld die binnen zijn Bond aan de orde zijn geweest met betrekking tot het „Samen op Weg”-proces in de Herv. en Geref. Kerken, d.w.z. na een historische schets een aantal artikelen en referaten van zijn hand plus als bijlagen enkele officiële stukken die het hoofdbestuur van de Geref. Bond heeft gepu bliceerd over het genoemde proces. Wie geïnformeerd wil worden inzake SoW en de visie van de Geref. Bond erop, kan hier dus terecht. De legendarische vraag van Petrus toen hij uit Rome vlucht te: „Quo vadis?” ( = Waarheen gaat gij?), wordt in feite hier gesteld aan de deelnemende kerken, voortkomend uit argwaan of vrees dat het antwoord niet zal zijn: „Urbi et Orbi” (nl. om met het onverkorte Evangelie „in de stad en in de wereld” te staan), maar: nergens heen, waar geen „vader landse” kerk of „kerk der vaderen” meer overblijft. Diepe zorg spreekt er uit deze artikelen en refe raten. De „kritische positiekeuze” komt voort „uit een diepe liefde tot de gereformeerde kerk hier te lande en haar belijdenis” (blz. 8). Volgens de schrijver resp. referent is het gereformeerde karak ter van de Ned. Herv. Kerk wel „aangetast”, maar ze staat nog „in de traditie van de Reformatie” en hij pijnigt zich met de vraag „hoe wij als gereformeerde christenen zouden kunnen leven en wer ken in een kerk” waar dat „duidelijk” niet meer het geval zal zijn als SoW het doel bereikt (12).

Sympathie onzerzijds verdient deze zorg, deze liefde zeker, maar op enige afstand komen er toch vragen op. Verandert er wezenlijk iets in de Ned. Herv. Kerk wanneer bepaalde modaliteiten ver sterkt worden i.c. de middenorthodoxe resp. de vrijzinnige, dan alleen getalsmatig op de kerkelijke vergaderingen? Gevreesd wordt dat door SoW de „eenheid van de vaderlandse kerk” niet zal wor den „bevorderd maar eerder geschaad” (25). Welke eenheid wordt bedoeld? Een administratief-or ganisatorische of een confessioneel-kerkelijke eenheid? Waar is die laatste eenheid sinds 1816? Toen hield de „vaderlandse kerk” in wezen toch op te bestaan? En ontstond in feite toch een nieuw kerkverband, ook al bleef dat in het bezit van gebouwen en archieven? En als die laatste eenheid nú bestaat - die immers hoogstens „geschaad” kan worden -, kan dan de intocht van de Gereformeerde Kerken wezenlijk daaraan iets toe- of afdoen? Telkens weer komt het begrip „vaderlandse kerk” resp. „kerk der vaderen” naar voren. Als dat iets méér inhoudt dan het bezit van de eigendomspa pieren van gebouwen en archieven nl. als kèrk van Christus: de functionerende confessionele en kerkrechtelijke papieren, hoe kan dan gesteld worden dat een kerk die die laatste papieren „duide lijk” - om dat woord ook eens te gebruiken - als pro memoriepost hanteert, in 1816 „staande” is gehouden (75) ? En wordt - zij ’t onuitgesproken - de kerk die in 1834 ontstond (terugkeerde tot de „waarachtige dienst des Heeren” aldus de Acte van Afscheiding of Wederkeering), dan gekwalifi ceerd als „onvaderlandse” kerk? Is het niet de bijna naïeve vergissing van De Cock geweest dat hij er als „vanzelf” vanuit ging dat in de sinds 1816 vigerende kerkgemeenschap de belijdenis nog rechtens geldig was? Er was immers een deconfessionaliseringsproces op gang gekomen dat de geloofseen heid in wezen oploste, waarop De Cock vastliep zonder het aanvankelijk te bevroeden. En is sinds dien de ruimte voor het modernisme in welke gedaante dan ook - kleiner geworden? Met alle res pect voor de strijd van de Gereformeerde Bond voor de doelstelling en de inzet: „verbreiding en verdediging van de Waarheid” in de Ned. Herv. Kerk, zal „hereniging” met de Geref. Kerken die ruimte verkleinen of vergroten of alleen maar de minderheidspositie van de Bond veranderen? Er gens schrijft Van der Graaf dat dat misschien „nog wel de beste positie” is geweest „tot heden”, „omdat die de meest kwetsbare is” (92v.) en hij voegt eraan toe „Laten we die nu ook maar inne men”. SoW betekent dan alleen dat het werkterrein van de Geref. Bond wordt vergroot: er komt nog meer werk aan de winkel tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de geïncorporeerde kerken! Of die kerk dan de „kerk der vaderen” is? Laat Matt. 22 : 32 bemoedigen en troosten! Kerk der „vaderen”? Ja en nee. Nee, als „vaderlandse” in feite letterlijk een „adjectief” is (wat er is bij geworpen) met slechts geografisch-relationele betekenis, begrijpelijk ten dienste van het zelf verstaan, maar diskwalificerend ten opzichte van andere kerken. Ja, als verbondenheid met die va deren die luisterend naar en levend uit Gods Woord daarvan rekenschap gaven en getuigden in hun belijdenis, waarmee de kerk van de „levenden” nú instemt omdat zij daarin de samenstemming met Gods Woord in eigen geloofsgemeenschap ervaart. Hoezeer dat de schrijver en zijn Bond ter harte gaat, blijkt uit dit boekje, ook als we de emotionele lading van deze begrippen voor lief nemen. Als Afgescheiden kerken zeggen we dan in òns zelfverstaan evenzeer ja!

Dr. Henry Vander Goot, Onbevangen verstaan. Over de werkelijkheid van de theologie. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. Prijs f. 18,90.

Hier wordt geen gemakkelijke, maar wel boeiende lectuur geboden. De centrale gedachte van dit ruim 100 bladzijden tellende boek is „dat de Schrift logische en kentheoretische prioriteit bezit bo ven het leven” (blz. 98). De schrijver - geboren in het Friese Gaastmeer-is hoogleraar aan het Calvin College. Hij verdedigt de stelling „dat er in de christelijke geloofsgemeenschap een aan het weten schappelijk bijbelonderzoek voorafgaande interpretatie van de Bijbel bestaat, en dat deze interpre tatie, dit direct belijdende antwoord op de Bijbel, de voedingsbodem behoort te zijn van de theore tische benadering in theologie en bijbelwetenschap” (9). Uitgaande van de „eenheid en integriteit” van de Schrift (11v.), stelt hij dat de zin van de tekst per se niet kan worden „vastgesteld met be hulp van een of andere vermeende buiten-tekstuele situatie of de bedoelingen van de menselijke auteurs waartoe de onderzoeker toegang zegt te hebben buiten de tekst zelf om” (29). De Bijbel is voor hem „de openbaring van het Woord van God” (44) en niet slechts een historische bron van re ligieuze tradities. „De soevereiniteit Gods in zijn zelfopenbaring impliceert de soevereiniteit van de bijbeltekst” (53). Heb’k de schrijver goed begrepen dan wil hij niet weten van de zgn. historische kritiek. De moderne hermeneutiek gaat „op grond van de veronderstelde autonomie van de men selijke subjectiviteit” uit van de „theoretische en kritische scheiding tussen tekst en lezer”, maar is „op fundamenteel niveau ongeschikt voor de interpretatie van de Bijbel” (63). Ingestemd wordt met de stelling dat vanaf het „moment dat de protestantse theologie de methoden van de historische kritiek aan de seculiere wetenschappen ontleende”, deze theologie gedoemd was „de doodgraver van het christendom te worden” (65). De „gegeven inhoud van de Bijbel” is voor Vander Goot „de materie waarbij de wetenschappelijke studie van de Bijbel moet aansluiten” (71), want de „gezonde wetenschappelijke studie van de Bijbel heeft er geen behoefte aan de structuur van dat gegeven ge heel te deconstrueren” (71), als zou die Bijbel „produkt van menselijke cultuur” (73) zijn. Er zou nog meer te melden zijn, ook vragen zouden uiteraard te stellen zijn, maar het boven weergegevene moge voldoende zijn om u het belang van dit geschrift te doen gevoelen. Bij de lezing ervan kwam wel de vraag bij me op hoe de schrijver de stelling die dr. Kuyper op de Chr.Geref synode van Kampen, bijna honderd jaar geleden, poneerde nl. dat de theologie een van de „vakken van het menselijk denken” is en daarom bij voorkeur aan een universiteit, hoogstens „onder toezicht der Kerk”, behoort onderwezen te worden, in zijn conceptie zou verwerken (Handelingen 1889, art. 278).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.