+ Meer informatie

DE BINDING AAN DE BELIJDENIS *

13 minuten leestijd

Wordt de binding problematisch?

Er zijn in onze tijd biblicitische tendensen waar te nemen. Wanneer gezegd wordt, dat in de kerk alleen de Schnft gezag heeft, klinkt dat goed. Maar als ermee bedoeld wordt: alleen de bijbel en met de belijdenis? Dat is het standpunt van het biblicisme.

Het is geen nieuw verschijnsel, want het heeft altijd velen aangesproken. In de laatste jaren heeft het opnieuw stem gekregen in de evangelische beweging.

Een figuur die onder de evangelische christenen op de voorgrond treedt, is W.J. Ouweneel. Historisch gezien is de confessie voor hem een schitterend geloofsdocument. Ze helpt ons om vast te houden aan het gezag van de Schrift en aan andere grondwaarheden van het chnstendom. Maar eigenlijk heeft niemand daar de confessie voor nodig. De evangelische wereld houdt er al twee eeuwen op een heel wat effectievere wijze aan vast dan de gemiddelde calvinist en zij doet dat zonder een geschreven, kerkelijk bindende confessie.

We hebben tegenwoordig veel met relativistische ideeën te maken. We horen met zelden zeggen, dat we in een heel andere tijd leven dan ons voorgeslacht in de tijd van de Reformatie. Al dertig jaar geleden schreef C. Augustijn, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus voor de zestiende eeuw weergaven wat wezenlijk was voor het geloof, maar dat men er in de andere situatie waarin de kerk zich nu bevindt, weinig mee kan doen. De devaluatie van de belijdenis staat met op zichzelf. Dikwijls gaat er een relativering van het gezag van de Schrift mee gepaard. Er is een cnsis van het gezag die al verder om zich heen grijpt. Alsof dat door de moderne mens, die zichzelf als mondig beschouwt, met meer erkend kan worden.

Vrije weergave van de hoofdzaken van een lezing voor ambtsdragers van verschillende kerken te Rotterdam over de aard van de binding aan de belijdenis en van een lezing voor leden en ambtsdragers van de Chr. Geref. Kerk te Putten over de waarde van onze belijdenisgeschriften Het pluralisme wint veld. Dat houdt onder meer in dat men met kan vaststellen wat waar en zeker is. De kerk moet het maar in het midden laten, omdat er zoveel verschillende benadenngen en opvattingen zijn.

Men vindt het met verkeerd, als iemand uitspreekt, dat iets voor hem of haar is We mogen voor onszelf nog wel waarde hechten aan de belijdenisgeschriften. We zouden echter beslist niet het recht hebben om van anderen te verwachten, dat zij er ook zo over denken.

Een vierde factor die in het spel is, is het individualisme.

Belijdenisgeschriften zijn altijd belijdenissen van de kerk. De kerkelijke belijdenis is er voordat wij er zijn. Ons wordt met eerst gevraagd, wat wij persoonlijk zouden wensen te belijden. De kerk dnngt op instemming met haar belijdenis aan.

Juist dat gegeven stuit op bezwaren. Meer dan ooit willen mensen hun eigen visie naar voren brengen, ook in geloofszaken: ‘maar ik vind’ of ‘maar ik voel het zo aan’. Einde discussie. Dan kan men nog wel iets zien in een eigen getuigenis, maar met in de kerkelijke belijdenis.

Kerkelijk gezien is de binding noodzakelijk

De kerk is een pijler en fundament van de waarheid (1 Tim 315) Daarom moet zij altijd voor de waarheid opkomen, want de waarheid is waarheid voor alle tijden. De waarheid is geen waarheid omdat mensen ervan overtuigd zijn. Het gaat om het kennen en belijden van de waarheid die God in zijn Woord geopenbaard heeft.

Als deze waarheid niet bestreden werd, zou het genoeg kunnen zijn om ervan te getuigen. We leven echter in een wereld waarin de waarheid van het evangelie steeds weer in twijfel getrokken en tegengesproken wordt (vgl. 2 Tim. 38). In het Nieuwe Testament wordt op tal van plaatsen melding gemaakt van ernstige dwalingen. De apostelen hebben er herhaaldelijk met klem tegen gewaarschuwd.

De christelijke kerk kwam al in de eerste eeuwen van haar geschiednis met een groot aantal afwijkende gevoelens in aanraking. Gehoorzaam aan de vermaningen van de Schrift heeft zij ertegen gewaakt.

De belijdenis van de waarheid bewees daarbij goede diensten.

Men zou dit een negatieve functie van de belijdenis kunnen noemen. Het is ook met het enige of het eerste dat van haar betekenis te zeggen valt. Maar het is wel een heel gewichtige functie.

Zo bevat de Geloofsbelijdenis van Nicea-Gonstantinopel (381) een passage die gencht is tegen de ketterij van Anus, die met aanvaardde, dat de Here Jezus Christus waarachtig God is:

God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, met geschapen, één van wezen met de Vader, en door wie alles is geworden.

Die woorden zijn ontleend aan het symbool van het concilie van Nicea (325), waarop Anus veroordeeld werd. De leerbeslissing van Nicea was bindend voor de gehele kerk. Enkele bisschoppen die met wilden tekenen, werden afgezet. In Nicea werd gestreden voor de handhaving van de waarheid en de bewanng van de eenheid der kerk.

We gaan hier niet in details na hoe de leeruitspraken van de grote concilies gefunctioneerd hebben. Het is echter niet overbodig om erop te wijzen, dat ook in de kerken van de Reformatie de regel gold, dat instemming gevraagd werd met de belijdenis. Er is een bnef van Calvijn uit 1549, waaruit blijkt, dat hij de binding aan de belijdenis nodig achtte om de eenheid in het geloof tot uitdrukking te doen komen en om verkeerde opvattingen te weren. De kerkelijke praktijk correspondeerde daarmee.

Een ondertekening van de belijdenis bleek echter met altijd een voldoende waarborg te zijn. De Remonstranten vonden dat zij met aan alles gebonden waren.

Er zijn al eerder ondertekeningsformulieren ingevoerd, waarin omschreven werd wat de ondertekening van de belijdenis inhield, maar vooral in de tijd van het conflict met de Remonstranten is in de kerken in ons land ingezien, dat er een algemeen geldend ondertekemngsformulier moest zijn. In het Dortse verbindingsformulier gaat het vooral om de woorden: Wij verklaren oprecht en in goede consciëntie voor de Here met deze ondertekening, dat wij van harte gevoelen en geloven, dat al de artikelen en stukken van de leer, in de ‘Drie formulieren van enigheid’ begrepen, in alles met Gods Woord overeenkomen. Wij beloven dat wij deze leer ijverig zullen leren en getrouw voorstaan, zonder daartegen, hetzij openlijk of bedekt, direct of indirect iets te leren of te schrijven.

Wie enigszins op de hoogte is van wat in de laatste eeuwen door een met genng aantal theologen geleerd is en in verschillende kerken wel bekntiseerd, maar toch getolereerd is, zal er niet voor kunnen pleiten om de binding aan de belijdenis op te heffen.

Het is erg genoeg wat sommigen durven te zeggen. Men heeft tegenover hen te laten gelden wat de kerk belijdt. Wie de belijdenis ondertekend heeft, kan er met met een goed geweten tegen ingaan. Moet iemand als H.M. Kuitert dat met beseffen?

Van de kerk uit gezien is het in een tijd waann enkelen bijna alles menen te mogen publiceren en propageren, volstrekt noodzakelijk de binding aan de belijdenis te handhaven. Dat betekent dat er toezicht op de leer zal zijn en zo nodig censuur.

De belijdenis wil de kerk met haar leden en ambtsdragers bij het Woord van God doen leven. Daar ging het vroeger om, maar thans met minder.

De aard van de binding

Het is een binding met afgeleid karakter. Daarmee wordt bedoeld, dat de binding aan de belijdenis afgele'd is van de gebondenheid aan de Heilige Schrift.

Schrift en belijdenis worden dikwijls in één adem genoemd. Maar het woord ‘en’ betekent met dat we ze op één lijn stellen. De belijdenis is en blijft ondergeschikt aan de bijbel. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 7) staat dan ook, dat men geen geschriften van mensen mag gelijkstellen met de goddelijke Schriften.

Men moet op zijn hoede zijn voor het confessionalisme, dat doet alsof met de confessie het laatste woord gezegd is. Niet alleen is de bijbel veel en veel rijker dan de belijdenis, maar de Heilige Schrift is het Woord van God, tenwijl een belijdenisgeschnft ook bij de weergave van wat God in zijn Woord zegt, een geschrift is waann de kerk aan het woord is.

Het komt op een duidelijke binding aan. We moeten in de kerk weten waar we aan toe zijn.

De duidelijke binding aan de belijdenis die in ons land bestond, is in de achttiende eeuw en later losgelaten. Tolerantie werd de leus. Die verdraagzaamheid leidde ertoe dat er leervrijheid ontstond. Daar had de kerk haar leden tegen moeten beschermen. Leervrijheid voor de predikanten maakt de kerk tot een vrije tnbune. Soms berust een gemeente enn en merkt ze langzamerhand al met meer wat er gaande is, soms is er verzet en soms keert men een kerk waann alles mag, de rug toe.

Zowel m de kerken van de Afscheiding als in die van de Doleantie is ingezien, dat een duidelijke binding met mag ontbreken. De ondertekeningsformulieren zijn in ere hersteld.

In de Nederlandse Hervormde Kerk heeft men m 1951 gekozen voor een formulenng die alles behalve duidelijk is: ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’ Een voorstel om niet te spreken van gemeenschap, maar van overeenstemming, waarmee de ruimte beperkt zou worden om zich niet aan alles gebonden te achten, is verworpen.

Het ondertekemngsformulier dat in de Gereformeerde Kerken in Nederland m 1972 in plaats van het oude gekomen is, kenmerkt zich door vaagheid. Er wordt een belofte in gevraagd, dat men zich trouw zal houden aan het belijden der kerk dat de vaderen tot uitdrukking hebben gebracht in de belijdenisgeschriften. Daarmee is een brede marge ontstaan voor discussie over het verschil tussen het belijden dat tot uitdrukking gebracht is en de belijdenisgeschriften zelf. Theologen voor wie trouw aan het belijden der kerk - om maar met te spreken van trouw aan de belijdenis van de kerk - een dode letter is, worden ongemoeid gelaten.

Het is de vraag, of er in de Nederlands Gereformeerde Kerken een duidelijke binding aan de belijdenis is. Er zijn kerken die een ondertekemngsformulier gebruiken. Er zijn er echter ook waarin men daar moeite mee heeft en daarom wil volstaan met een eenvoudige ondertekening van de belijdenis, hoewel bekend is, dat er zowel van de zijde van de Christelijke Gereformeerde Kerken als van de zijde van de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt) op een strakkere binding aangedrongen is.

De binding is als een vrijwillige binding te beschouwen. Wie een kerkelijk ambt aanvaardt, neemt verplichtingen op zich. Een van de eerste is, dat hij de leer van de kerk getrouw zal voorstaan. Maar dat wil hij toch ook?

Als het goed is, zal een ambtsdrager de belijdenis graag ondertekenen. Het is de belijdenis van de kerk die hij dient. Het is ook zijn eigen belijdenis. Het ondertekenen ervan is zelf ook een akte van belijden. Er komt in uit, dat ambtsdragers zich geestelijk verbonden weten met de belijders en de belijdenis.

Wie in het ambt wordt bevestigd, wordt met ineens voor een verplichting geplaatst waarvan hij mets afwist. Hij is lang niet de eerste die tekent. Als hij zijn handtekening onder het formulier zet, zijn de andere broeders hem daann voorgegaan. In eensgezindheid de gemeente te mogen dienen is een voorrecht.

De binding aan de belijdenis dient een loyale binding te zijn. Geen mentaal voorbehoud! Niet: met de hoofdzaken ga ik akkoord, maar ik heb nog wel een aantal bedenkingen. Niet: de fundamentele artikelen onderschrijf ik, maar lang met alles is voor mij fundamenteel.

Bij de loyaliteit moet ter sprake komen, dat er een probleem kan ontstaan door de vrijheid die aan de exegese gegeven moet worden. De kerk legt de verklaring van de Schrift niet aan banden zoals de Rooms-Katholieke Kerk dat gedaan heeft.

Maar als ik dan bij een nauwgezette bestudering van de boodschap van de bijbel tot de slotsom kom, dat de Schrift iets anders leert dan de belijdenis? Dan heb ik een probleem. Ik doe er dan goed aan als ik mijn opvatting njet direct ga verbreiden, maar mijn zienswijze voorleg aan anderen en om een gesprek vraag - gedachtig aan het ‘samen met alle heiligen’ (Ef 3:18). Ik moet mijn eigen mening zomaar met tegenover de belijdenis van de kerk stellen. In de woorden van de kerk, die de eeuwen door bij de Schrift heeft geleefd, ligt veel wijsheid. En wijsheid is nodig bij het overwegen van de vraag, waarop het aankomt.

De binding is met formalistisch te hanteren. Dan zou het in een discussie immers nauwelijks over de inhoud van de belijdenis behoeven te gaan. Men heeft die toch voor zijn rekening genomen?

Maar we mogen wel degelijk vragen naar de betekenis van wat we belijden - zeker ook in de samensprekingen van ambtsdragers of commissies op diverse niveaus.

Misschien kennen we de uitdrukking ‘de religie van de belijdenis’, die waarschijnlijk het meest gangbaar is in de knngen van de Gereformeerde Bond. Men kan er meer dan een kant mee uit. Onder ons wordt er vooral mee bedoeld, dat de belijdenis geen formele aangelegenheid is en dat we haar in het persoonlijk en kerkelijk leven ten volle moeten honoreren.

Het gaat erom welke bijbelse waarheid door de belijdenis onder woorden wordt gebracht. Bij wijze van zeggen die met zo gemakkelijk te begrijpen is of minder gelukkige indruk maakt, zou het formalistisch zijn om te poneren, dat alles altijd moet blijven staan zoals het er staat. In dergelijke gevallen zijn parafrasen, nadere verklanngen of nieuwe vertalingen van de oorspronkelijke tekst nuttig of nodig. Met andere woorden moet hetzelfde gezegd kunnen worden om het dichter bij de mensen van vandaag te brengen.

Het kan bekend zijn, dat de kerken in ons land de eerste zestig jaren met krampachtig zijn omgegaan met de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De artikelen zijn op enkele synodes herzien.

In onze tijd is er een weergave in hedendaags Nederlands in de uitgave van 1983, die in enkele kerken - o.a. in de Christelijke Gereformeerde Kerken - bruikbaar wordt geacht. Er bestaat ook een taalkundige modermsenng van de tekst in het Gereformeerd Kerkboek (1986).

Er zijn verschillen tussen de oudere tekst, die van 1619 dateert, en deze beide nieuwe teksten, maar dat zijn geen confessionele verschillen. Het heeft zin om ze bij concrete vragen betreffende de inhoud van wat we belijden, met elkaar te vergelijken.

De binding aan de belijdenis is als een gemeenschappelijke binding te karakteriseren. Tegenover alle individualistische tendensen is dit een factor van belang. Wij geloven en belijden. Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond. In elk van de Drie formulieren van enigheid worden dwalingen afgewezen. Daarmee maakt de belijdenis scheiding. Maar tegelijk verbindt zij de belijders aan elkaar. Dat komt op tal van plaatsen naar voren.

In onze Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt gesproken over de plicht van alle gelovigen om de eenheid van de kerk te bewaren, door zich te onderwerpen aan haar onderricht en tucht, de hals te buigen onder het juk van Jezus Chnstus en de broeders te dienen in de opbouw van hun geloof (art. 28, vert. 1983).

Op de gemeenschappelijke belijdenis kunnen wij door anderen aangesproken worden en mogen wij op onze beurt anderen aanspreken.

Binnen dat kader zijn de accenten soms verschillend. Dat betekent, dat we ons bij ontmoetingen met andere christenen die ook trouw willen zijn aan de belijdenis, met tegenover hen opstellen door alleen een eigen geluid te laten horen, maar dat we hen willen dienen met het inzicht dat wij ontvingen. Dat is verrijkend, het bevordert de toenadering en geeft perspectief op meer eenheid.

* Vrije weergave van de hoofdzaken van een lezing voor ambtsdragers van verschillende kerken te Rotterdam over de aard van de binding aan de belijdenis en van een lezing voor leden en ambtsdragers van de Chr. Geref. Kerk te Putten over de waarde van onze belijdenisgeschriften.

Prof. dr. J. van Genderen doceerde vóór zijn ementenng o.a. het vak symboliek (de bestudenng van de belijdenisgeschnften).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.