+ Meer informatie

HET SPREKEN VAN DE KERK ROND ETHISCHE VRAGEN EN DE INDIVIDUELE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE GELOVIGEN

24 minuten leestijd

Wat is de bedoeling?

Het onderwerp heeft veel kanten. De praktische kant zal ambtsdragers het meest interesseren. Daarop moet bij de uitwerking van het thema de nadruk vallen.

Bij het eerste gesprek over deze inleiding gingen de gedachten vooral uit naar het onderwerp, dat ik bij de overdracht van het rectoraat in Apeldoorn, september 1986, heb behandeld. De rede is verschenen in de reeks Apeldoornse Studies, onder de titel: „Het spreken en het preken van de Kerk”. In deze rede ben ik ingegaan op de vraag of de kerk zich aan allerlei uitspraken over politieke zaken moet wagen. Zo ja, waarom en hoever. Ik heb in deze studie ook de prediking betrokken. Daarbij heb ik getracht enkele aanwijzingen te geven voor wat vooral met betrekking tot ethische aangelegenheden wel of niet aan de orde moet komen.

Bij de voorbespreking voor deze conferentie is het accent in zoverre enigermate verschoven dat het comité nu vooral de vraag besproken wil zien worden, in hoeverre de kerk in prediking en pastoraat op allerlei ethische vragen moet ingaan - en dat niet alleen adviserend, maar ook voorschrijvend en verbiedend. Dit zijn woorden die het hedendaagse kerklid niet erg in het gehoor liggen. Integendeel, persoonlijke vrijheid en mondigheid van gemeenteleden blijkt in gemeenten binnen onze kerken sterk bepleit en waarschijnlijk ook wel - daarop heb ik minder zicht - gepraktizeerd te worden. Toch gebruik ik de woorden „voorschrijvend en verbiedend” om het probleem scherp te stellen.

Een tweede reeks van vragen bestaat hierin, wat gedaan moet worden als gemeenteleden de voorlichting, in de vorm van voorschriften en verboden, niet aanvaarden. Laten we voorshands zeggen dat ze de beslissingen niet negeren, maar de Schriftgegevens anders interpreteren. Daartoe is de kans niet gering. U weet hoe verschillend er gedacht wordt over tal van onderwerpen.

Het pluralisme van opvattingen in de samenleving komen we enigermate - naar we hopen binnen bepaalde grenzen - ook binnen de kerk tegen. Wat moet er gebeuren als kerkeraad en gemeentelid, als predikant en jongere lijnrecht tegenover elkaar staan?

Dan is er nog een derde complex van vragen. Deze cirkelen om dit punt: als kerken een beslissing nemen die een vorm van tuchtoefening is, hoe komt deze beslissing tot stand? Is dat een beslissing van een kerkeraad alleen, van een enkele classis, of moet daar eigenlijk heel de kerk bij betrokken worden? De beslissing kan immers voor heel de kerk consequenties hebben?

Wij beseffen allen dat we te doen hebben met een precair onderwerp, dat gemakkelijk de hoofden heet, de tongen scherp en de harten koud en verbitterd maakt.

Ik heb de uitnodiging van het comité, toen die tot mij kwam, aanvaard, omdat het on derwerp steeds meer actueel wordt. Ik gebruik dit woord in zijn oorspronkelijke Latijnse betekenis. Dan zegt het niet in de eerste plaats dat het een onderwerp uit de hedendaagse discussie is. Actueel betekent: het is werkzaam, het dringt en drijft mensen. Welnu, dan is een ambtsdragersconferentie de gelegenheid om er samen over na te denken, zonder dat wij deze bijeenkomst willen gebruiken om beslissingen van kerkelijke vergaderingen te evalueren of te bekritiseren. Het is niet uitgesloten dat sommige aanwezigen zulk een kritische bespreking - van welke kant men er ook tegenaan kijkt- op prijs stellen of onvermijdelijk achten. Ik zou willen zeggen: laten we vooral vooruitkijken Tenslotte wordt benadrukt wat in de uitnodiging voor deze conferentie werd geschreven, dat het niet de bedoeling is op allerlei speciale gevallen in te gaan. We willen de hoofdlijnen in het oog houden.

Dit alles leek me nodig om deze bijdrage te situeren en om haar contouren te schetsen.

„Leert hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb”

De heiliging van het leven hoort evenzeer bij ons geloof als de boodschap van de vergeving der zonden. Calvijn heeft gezegd dat wie wel de rechtvaardiging wil horen, maar Christus niet tot heiliging nodig heeft, Christus in stukken scheurt! Het derde deel uit de Catechismus „van de dankbaarheid” hoort er wezenlijk bij. Het wordt zelfs het uitvoerigst van de drie stukken behandeld, zondag 32-52. Gebod en gebed zijn de twee centrale thema’s. „Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”, Mattheüs 28:49 - en dat op grond van het feit dat Christus zegt: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”. Omdat Hij alle macht heeft, moet de boodschap naar alle volken en moet ook geleerd worden alles te onderhouden wat Hij bevolen heeft. Jezus houdt hier zijn discipelen de onverbrekelijke samenhang van het heilsgoed van het heil in doop èn van de heiliging in het leven naar de geboden nadrukkelijk voor. Jezus’ boodschap aan de wereld met betrekking tot het leren onderhouden van de geboden heeft haar plaats binnen de prediking van het evangelie. Het spreken van de kerk over de geboden van God moet staan in het kader van het alle volken tot Zijn discipelen maken. Het spreken tot de volken over levensheiliging kan niet zonder het preken van het heil dat in de doop wordt betekend en verzegeld. De magna charta van de prediking is niet alleen beslissend voor de opdracht tot, maar ook voor de inhoud van de prediking. De volgorde waarin heil en heiliging daarin voorkomen is onomkeerbaar.

De kerk heeft als opdracht het evangelie te verkondigen. De gehoorzaamheid aan de geboden, de nieuwe levenswandel, vormt mede inhoud van deze opdracht.

Op tal van plaatsen in de brieven van Paulus en Petrus wordt ingegaan op vragen met betrekking tot het christelijke leven.

We kunnen onderscheiden tussen algemene aanwijzingen en concrete zonden. Ik bedoel met dit onderscheid niet te zeggen dat de concrete aanwijzing het belangrijkst is en het onderricht over concrete zonden bijkomstig zou zijn. Evenmin wil ik het omgekeerde zeggen. Men moet het veeleer zo stellen: de aanwijzing van concrete zonden is de toespitsing van de algemene aanwijzingen die worden gegeven. Laat ik mogen herinneren aan 1 Corinthe 5, waar Paulus spreekt over grove zonden in de gemeente. Het gaat om een concreet geval, dat iemand leeft met de vrouw van zijn vader.

Wat te zeggen van 1 Timotheüs 6:3-19, waar Paulus over het gevaar van rijkdom spreekt: „Wie rijk willen zijn, vallen in vele dwaze en schadelijke begeerten die mensen doen wegzinken in verderf en ondergang, want de wortel van alle kwaad is de geldzucht”?

Is dit minder concreet dan het voorgaande? Allerminst. Het is niet op naam gesteld.

Wel ontbreekt ook in 1 Corinthe 5 de naam van de zondaar, maar de gemeente zou die naam gemakkelijk kunnen invullen. Omdat de naam in 1 Timotheüs 6 wel moeilijk in te vullen is, is de zonde niet minder ernstig. Men kan zelfs zeggen dat de reikwijdte van deze vermaning nog veel groter is dan die van 1 Corinthe 5. Zij betreft niet een concreet geval. Zij raakt allen die rijk willen worden.

Onderscheiding in drie concentrische cirkels

Als we het nieuwtestamentische tekstmateriaal overzien kunnen we tot de volgende onderscheiding komen. Daar is in de eerste plaats de blijvende betekenis van de Tien Geboden. Door heel het Nieuwe Testament heen wordt op deze geboden teruggegrepen. Ze worden niet opnieuw afgekondigd. Er wordt niet met extra nadruk gezegd, dat ze ook nu nog geldig zijn! Het is eigenlijk net als met het verbond. Dat blijft in de nieuwe bedeling van kracht. Zo ook de Tien Geboden. Onze Here Jezus heeft duidelijk gemaakt dat gehoorzaamheid aan deze geboden niet vol (niet vervuld) is, als zij niet geschiedt uit liefde - naar het voorbeeld dat Hij Zelf heeft gegeven (Joh. 13 : 34 en Matt. 22:37-40). Datzelfde lezen we bij Paulus in Rom. 13:8-10. Dat is als het ware de grondlaag van de bijbelse geboden. Hier treffen we de kerngeboden of oergeboden aan, waarvan alle andere geboden de uitwerking zijn.

Vervolgens treffen we de uitwerking aan: concretisering en invulling. In bijna elke brief van het Nieuwe Testament kan men stukken vinden met dit uitgewerkte, paraenetische (= vermaningen) materiaal. Ik noem nu maar Colossenzen 3 en Efeze 4. In deze gedeelten wordt de nieuwe levenswandel getekend. De trekken zijn algemeen, niet voor de bijzondere situatie van slechts één mens van kracht. Wel moeten deze voorschriften persoonlijk verwerkt worden. Ze kunnen ook vrij eenvoudig in het persoonlijke leven toegepast worden. Niet dat het betrachten van deze voorschriften zo gemakkelijk is. Wat gevraagd wordt van ieder persoonlijk is wel duidelijk.

Dan is er nog een derde cirkel. Die treffen we aan in hoofdstukken als Filippenzen 1 : 9-11 en Colossenzen 1 : 9-11. Paulus bidt om het overvloedig worden van de liefde, wat uitkomt in helder inzicht en alle fijngevoeligheid om te onderscheiden waarop het aankomt. Het gaat dan om de vrucht van gerechtigheid.

Hier geeft Paulus geen concrete voorschriften, ook geen algemene aanwijzingen. Hier dringt hij aan op de persoonlijke toepassing van de geboden. Men kan zeggen: hier gaat het om de christelijke levenswandel, die gemotiveerd wordt door de liefde, genormeerd wordt door de gerechtigheid en gericht is op de eer van God. Tot eenzelfde toepassing roept Paulus op in Romeinen 12 : 2: „Wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene”. Eenzelfde vermaning, zij het wat minder uitgebreid, in Efeze 5:17. Het gaat hier om de vormgeving van de gehoorzaamheid aan Gods geboden in het persoonlijke leven van christenen. Er moet uitstraling zijn van liefde en toewijding, en van de tucht van Gods gebod, uitkomend in: vrucht van gerechtigheid.

Samenvattend concludeer ik dat er dus drie concentrische cirkels zijn in de nieuwtestamentische voorschriften met betrekking tot het christelijke leven. De Tien Geboden, samen met het liefdegebod, als basis van alles. Uitwerkingen en concretiseringen van deze kerngeboden, zij komen ook als geboden voor en worden soms ter sprake gebracht naar aanleiding van een heel concrete situatie. Dan kan men per gemeente de naam invullen.

In de derde plaats de opwekking om een christelijk leven te leiden. Met name op dit vlak gaat het om te toetsen wat de Here welgevallig is. Het gaat om een leven dat tot eer van God is en dat doortrokken is van de liefde en de wet van God. Het is te typeren als een leven dat de vrucht van gerechtigheid vertoont.

Het is duidelijk dat met name op dit laatste vlak veel voor rekening van de individuele gelovige komt. Hier kan de kerk geen gedetailleerde voorschriften geven. Het gaat om een bepaalde instelling en stijl, om een leefwijze en daadkracht, waarin het patroon van de navolging van Christus zichtbaar wordt.

Op dit gebied moet de kerk stimuleren, zonder te detailleren. Hier moet de kerk contouren tekenen en vruchten als voorbeeld, bij wijze van illustratie, aanwijzen, zonder alles te willen regelen! Het is duidelijk dat ook op dit vlak de Tien Geboden normatief zijn en dat met name het liefdegebod een grote plaats inneemt. Het christelijke leven moet door de liefde gevormd en getekend zijn, zonder dat men de liefde uitspeelt tegen de geboden. De hulp die de kerk hierbij biedt, is assisterend, stimulerend en opvoedend!

Als de kerk op dit vlak zonden ziet, zal ze die zonden altijd moeten confronteren met de geboden van God, waaronder ook het liefdegebod. Zonde is immers overtreding van Gods gebod.

Ik meen dat de manier waarop de Catechismus de geboden uitlegt een belangrijke bijdrage is tot het vinden van een christelijke levenswandel. Zo zien we een direct verband tussen de basis van de Tien Geboden en de christelijke levenswandel, waartoe Paulus aanspoort. Men bedenke dat bij de uitleg van de geboden zowel het verbodene als het gebodene genoemd worden.

Ik ga nog iets dieper in op de vraag naar het concreet noemen van wat verboden is. Ook hier gaat het in prediking en pastoraat om toepassing van de Tien Geboden samen met het liefdegebod. Er moet in de kerk bijvoorbeeld gewaarschuwd worden tegen het gebruik van openbaringsbronnen naast de Bijbel, zoals occulte verrichtingen en het lezen van horoscopen. De jongeren moeten gewezen worden op heiliging van het lichaam. Tegen de seksuele losbandigheid van de moderne samenleving moet worden gewaarschuwd.

Zo ook tegen roddel en laster! Het gaat in al deze dingen om de invulling van de geboden die God Israël en de nieuwtestamentische gemeente heeft gegeven. Daarnaast moeten voorbeelden van het positief gehoorzamen van de geboden gegeven worden. Een voorbeeld van christelijke levenswandel moet aangegeven en aangeprezen kunnen worden.

Ik herhaal wat ik schreef in mijn boek „Wet en evangelie”: „Wat over en vanuit het gebod gezegd moet worden, moet duidelijk zijn. Het moet ook voldoende zijn om tot een beslissing te komen. De prediking moet er tegen waken de gelovigen de beslissing uit handen te nemen. Het gaat over het scherp van de snede. Waar te veel wordt gezegd miskent de prediking mondigheid en persoonlijke verantwoordelijkheid. Waar te weinig wordt gezegd voldoet de prediking niet aan haar opdracht” (174v.).

Het behoeft geen betoog dat de brieven soms scherp zijn in het aanwijzen en veroordelen van zonden. Deze veroordeling is een wezenlijk onderdeel van het onderricht over het christelijke leven in de brieven!

Wat te doen met nieuwe vragen?

Tot heden ben ik voorbijgegaan aan het feit dat er zich problemen voordoen waarvan de bijbelschrijvers nog niet hebben geweten. De medisch-ethische vragen van orgaan- transplantaties, euthanasie, abortus, bevruchting in de reageerbuis, kernwapens, de verhouding arme en rijke landen. U ziet: vraagstukken van de zogenaamde macro- ethiek (in het groot, in wereldverband, met betrekking tot structuren) en vragen van micro-ethiek (vooral het persoonlijke leven rakend).

Kunnen we voor deze vragen met de Bijbel toe? Mijn antwoord is bevestigend, al moet ik er wel aan toevoegen dat de weg naar een bijbels verantwoord antwoord meer vraagt dan alleen het citeren van een tekst. Daarvoor is een stuk ethisch beraad nodig. In dat ethisch beraad dienen alle bijbelse gegevens aan de orde te komen èn de vragen met betrekking tot de problematiek duidelijk geformuleerd te worden.

Dan zullen duidelijke lijnen getrokken kunnen en moeten worden! Hoe moet dit gebeuren? Voor een deel in de preek. Voor een nog groter deel in het pastorale gesprek; vooral in de toerusting van de gemeente via de catechese, die wordt voortgezet voor volwassenen. Het is mijn overtuiging dat de kerk veel meer aan toerusting met het oog op ethische vragen en een christelijke levenswandel moet doen dan tot heden gebeurt! Zeker, mannen- en vrouwenverenigingen, jeugdclubs, studieavonden van wijkbijeenkomsten zijn niet onbelangrijk. Het zou echter veel meer systematisch en ambtelijk gestructureerd aan de orde moeten komen. Kerkleden moeten toegerust worden om op de ethische vragen van deze tijd in te gaan. De prediking heeft tot taak een samenvatting op hoofdpunten van dit catechetisch beraad te geven. Niet in alle details en voor alle specifieke gevallen, maar voor hoofdzaken en hoofdlijnen - en dan vanuit de Schrift, met name vanuit de behandeling van de Tien Geboden. Zo moet de kerk helpen om een christelijk leven te (leren) leiden.

Is er de mogelijkheid dat er verschil van inzicht ontstaat en blijft bestaan ter zake van de toepassing en concretisering van de geboden? Ik noem nu enkele omstreden onderwerpen: kernwapens, militaire dienstplicht, reageerbuisbevruchting, de economie van „hou het klein”, harttransplantatie. We moeten hier goed onderscheiden. Het gaat om vraagstukken die in deze vorm of afmetingen niet bekend waren toen de Bijbel werd geschreven. Wie met behulp van verschillende bijbelse gegevens (waaronder vooral de geboden) een antwoord zoekt, moet een redelijk lange tot zeer lange weg gaan. Op deze weg gaat persoonlijk inzicht een rol spelen. Hoe langer de weg, hoe omslachtiger de afleiding uit het gebod. Dit is misschien niet prettig om te horen; het is wel de werkelijkheid. Ik zeg niet, dat de beslissing dus strikt persoonlijk en daarmee geheel willekeurig is. Ik zeg wel dat persoonlijk inzicht hierbij een rol speelt.

Zo laat het zich verklaren dat er ter zake van de toepassing van het gebod verschil van inzicht, misschien moeten we wel zeggen: verschil van gevoelen bestaat.

Hoe moeten we daarmee omgaan? Er zal op zijn minst een goede discussie moeten plaatsvinden, namelijk het uitwisselen van inzichten, argumenten en overwegingen. Men zal elkaar bij verschil van inzicht moeten dragen. Wel moet duidelijk zijn, dat met dit verschil bij wie van beiden dan ook, niet wordt ingegaan tegen het gebod van God. Waar de interpretatie van het gebod leidt tot medewerking aan of goedkeuring van het kwaad, van het verbodene, daar lijkt mij een grens te worden overschreden. Daar wordt iemand gevangene van het kwaad!

Een blik in de Acta uit de zestiende en zeventiende eeuw

Heeft de kerk het recht neen te zeggen tegen bepaalde beslissingen of praktijken? Mag ze de kerkleden daarover ook vermanen?

Dat is stellig het recht en zelfs de plicht van de kerk. Ik spreek niet in de eerste plaats over tuchtmaatregelen. Daaraan wordt soms wel het eerst gedacht. Dat vind ik een wettische benadering van het probleem. Zulke maatregelen zijn als laatste aan de orde. Onderricht in de Schrift en in de toepassing van haar boodschap op het dagelijkse leven brengt stijl en tucht mee. Prof. Trimp heeft in een rectorale rede dit onderwerp aangesneden. Hij benadrukt de eenheid van doctrina (leer, praktisch onderricht in evangelie en gebod) en disciplina (dat is tucht). Deze twee moeten we bij elkaar houden. De kerk heeft het recht en de plicht om grenzen te trekken en zonden aan te wijzen!

Ik ben bij de voorbereiding van deze lezing eens te rade gegaan bij de Acta van provinciale synoden in ons land, gehouden tussen 1572 en 1620. Men behoeft alleen maar de registers in te zien om na te gaan wat zoal over het christelijke leven op die synoden aan de orde kwam. Ik citeer nu een uitspraak van de provinciale synode die op 12 mei 1591 in Dokkum is begonnen. Het gaat over hen die voor de tijd samenlopen, dat is: als ongehuwden seksuele gemeenschap hebben:

„Is eendrachtelijck besloten angaende de huwelickxpersonen, die voor de behoorlicke proclamatien tsamenlopen, dat men S. G. ende den heeren Gedeputeerde Staten bidden ende vermanen zal, dat haer gelieven wil de leghe overicheit ijn steden ende landen desser provincien tvermanen, dat sie de overtreders der heeren placaten willen na luit der placaten straffen ende de broecke affnemen, den anderen tot een exempel ende den denaren tgebieden, dat ze geene proclamatien geven noch ock tsamen ijn de echte bevestigen, dan de toe voeren van de magistraet bescheit van consent gebracht hebben, soe se voor de bevestinghe dess huwelicks tsamen huisshouden.”

Hier deed de kerk een uitspraak door een beroep te doen op de nationale en de regionale overheid. Ik zal geen uitvoerige bepalingen citeren, maar noem enkel onderwerpen: kermissen, kindermalen, kijven en vechten, landlopen, lasteraars, marktdagen, meibieren, meineed, en niet te vergeten studenten - bijvoorbeeld als voorlezers dienstdoend!

Natuurlijk zal men de chaotische situatie van die dagen in aanmerking moeten nemen om deze uitspraken in het rechte licht te zetten en op hun waarde te schatten. Voor een tekening van het leven in die tijd herinner ik aan een opmerking van professor S. van der Linde over de intentie en de inzet van de Nadere Reformatie. „Het protest van de Nadere Reformatie gaat niet vooral tegen een dogmatisme, dat de Geest zou uitblussen, maar veel meer tegen een bepaald vitalisme, tevens secularisatie, waardoor men de Geest bedroefd ziet. Dit vitalisme, dat uitkomt in een opschuivende levensgenieting en vrijheidsdrang, in ongebondenheid, vindt de Nadere Reformatie tegenover zich in zeer gevarieerde vormen”.

Intussen is de Reformatie doorgevoerd en Nederland mede door de gereformeerde leer en belijdenis gestempeld geworden, zij het ten dele!

We komen als kerken nu terecht in een naar mijn oordeel vergelijkbare situatie, zij het dat we nu achter de Reformatie van het volksleven staan in plaats van zoals toen, ervóór! Dat zou kunnen betekenen dat de kerk in verschillende vragen lijnen moet trekken die ambtsdragers en gemeenteleden kunnen helpen om als christen te leven in een verwor den, zedelijk losgeslagen maatschappij. Ik veroorloof me deze toepassing, maar ik ben me ervan bewust, dat de samenleving zelf spreekt over verworvenheden en respect voor autonomie en voor emancipatie. De kerk heeft haar leden te helpen om in deze chaos van wat men noemt „ethische pluriformiteit” hun weg te vinden. De beide rapporten die het toenmalige deputaatschap voor kerk en samenleving aan de kerken hebben uitgebracht, waren een vorm van de hier bedoelde hulpverlening.

Het spanningsveld

Hier ligt een geweldig spanningsveld. Ik zie er niet aan voorbij. De druk van de samenleving op kerkleden is sterk. Het is moeilijk in te gaan tegen wat door de samenleving als goed gebruik van de verworven vrijheid of tegen wat als maatschappelijk geboden wordt voorgehouden. Toch zal de kerk haar eigen koers moeten varen. Ik herinner aan het rapport dat uitgebracht is aan de generale synode van Rotterdam, 1959, over echtscheiding en het sluiten van een tweede huwelijk.

Wat moeten ouders die een gehandicapt kind verwachten en die door artsen bijna verplicht worden tot abortus - op straffe van beschuldiging van asociaal gedrag en van de dreiging dat ziekenfonds en andere instanties weigeren de extra kosten mee te dragen? Dit is stellig een zaak van die ouders, maar niet alleen van hen. Het is een zaak van heel de gemeente en van heel de kerk! Zowel wat betreft de meningsvorming en het daaruit voortvloeiende besluit, als wat betreft de sociale en financiële consequenties!

Ik denk aan beslissingen die politici, gemeentebestuurders, leden van besturen van zeer onderscheiden instellingen moeten nemen. Zij moeten besluiten over medewerking aan zaken, waar zij zelf afwijzend tegenover staan. Toch moeten er regelingen getroffen worden en vanuit bestuurlijke verantwoordelijkheid regels vastgesteld worden. Kan een bestuurslid aanblijven als voor het ziekenhuis in brede zin een abortusvergunning wordt aangevraagd? Kan een bestuurslid van een huis of van een woningbouwvereniging het voor zijn verantwoording nemen, dat volgens wat nu voorstel van wet lijkt te worden, een homofiel paar daar als echtpaar gaat wonen?

Ik wil pleiten voor een gemeenteëthiek. Prof. Van ’t Spijker heeft op de noodzaak van zulk een gemeenteëthiek gewezen. Hiermee is bedoeld hoe gelovigen in hun persoonlijk leven zich als christen zullen gedragen.

Daarnaast is er hun optreden in publieke functies, in overheidsdienst of als lid van het bestuur van een organisatie. Dit is niet los te denken van hun christen zijn. Toch is het te onderscheiden van wat zij in hun persoonlijke leven afkeuren en nalaten. Het gaat nu om publieke verantwoordelijkheid voor regelingen en instituten, voor beslissingen in de politiek, in welk groot of klein verband ook. In deze gevallen moet men soms meer regelen dan binnen de gemeente is toegestaan. Zijn er ook hier grenzen? Of is men er uit met een beroep op het verschil tussen persoonlijk inzicht en handelwijze èn het optreden in functie of ambt ten dienste van anderen? Niemand kan zich beroepen op zijn „publieke ambt” om zonden te legaliseren. Wat moeten zulke broeders en zusters? Zij hebben hun eigen verantwoordelijkheid. Zij hebben recht op steun van de kerk.

Heeft de kerk over hun beslissingen - privé en in hun optreden in de samenleving - ook iets te zeggen? Stellig wel! Er is geen gebied van ons leven dat buiten de zeggenschap van het Woord valt; dus is er ook geen gebied van ons publieke leven dat buiten het toezicht van de kerk valt. Dit toezicht is gegeven met de belijdenis van Christus’ heerschappij over heel ons leven.

Ik herinner aan wat professor Van Deursen op 19 september in Dordrecht zei bij de herdenking van 350 jaar Statenvertaling. „Dordtse calvinisten zijn mensen, die niet anderen, maar elkaar vertellen wat ze horen te doen, anders gezegd, mensen die het zichzelf vertellen. Want dat zijn twee kanten van éénzelfde zaak: het aan elkaar of het aan zichzelf vertellen. Er is geen wezenlijk verschil tussen”.

Wat ambtsdragers zeggen moet door de gemeenschap gedragen worden. In het Nieuwe Testament wordt het werkwoord toetsen of beproeven steeds in de meervoudsvorm gebruikt. Het is niet een zaak van één alleen, maar van de hele gemeenschap. Het moet ernaartoe dat er binnen de kerkelijke gemeenschap een eenstemmigheid groeit ten aanzien van grote en ingrijpende ethische kwesties. Met dankbaarheid mag gezegd worden dat op de laatstgehouden synode twee belangrijke rapporten met (vrijwel) algemene stemmen zijn aanvaard. Zij betroffen homofilie en abortus. Ik besef heel goed, dat men met deze rapporten nog geen antwoord heeft gegeven op alle vragen. Niettemin liggen er in deze rapporten zulke belangrijke uitgangspunten opgesloten, dat we met behulp hiervan zeker tot praktische conclusies kunnen komen. We kunnen elkaar aanspreken op wat hier is vastgelegd. Geen belijdenisgeschrift! Toch een aanwijzing in welke richting gedacht kan en moet worden. En wat als gemeenteleden nu anders denken en beslissen? Er is hier in de eerste plaats een duidelijk overleg nodig. Wat dringt iemand en waarom handelt hij zoals hij handelt? Is het liefde tot Christus en Zijn Woord? Is het trouw aan de Schrift en is het gereformeerd belijden?

Midden in onze tijd

Wij komen in onze tijd in aanraking met allerlei opvattingen die zich wel op Christus beroepen, maar het staal en de kern van het gereformeerde belijden niet vertonen! Ik spreek nu niet over situaties in onze kerken, doch erbuiten, waar men dan toch de naam gereformeerd voor claimt. Laat ik noemen het gereformeerd rapport „God met ons”. Ik denk aan een heel nieuwe benadering van de relatie openbaring en ervaring, die ook het rapport dat in 1987 aan de gereformeerde synode is uitgebracht doortrekt. Dit rapport is geen herschrijving van „God met ons”, maar veel meer een bevestiging ervan. Er is wat de zaken betreft niet veel veranderd. Hetzelfde standpunt wordt in andere woorden gepresenteerd. Dit standpunt speelt in de Gereformeerde Kerken een rol bij de toepassing van geboden. Nodig is dat onderricht plaatsvindt. Het is niet juist dat gemeenteleden met het beroep op vrijheid en mondigheid elke vorm van vragen naar handelwijze als betuttelend bestempelen! We beloven ons onder toezicht te stellen, ambtsdragers èn gemeenteleden! Daarop kunnen we elkaar aanspreken en moeten we onszelf laten aanspreken!

Nodig is deze dingen in de gemeente goed door te spreken! Bij afdwaling is tucht veroorloofd. Ik herinner aan uitspraken van prof. Van ’t Spijker op de conferentie in 1981 over alternatieve samenlevingsrelaties. Tucht is er ook door gesprek! Maatregelen zijn laatste en uiterste daden. Er ligt veel meer vóór. Dan moet er ook naar elkaar geluisterd worden! Als het gaat om ingrijpende zaken waar heel de kerk mee te maken heeft of krijgt, moet niet een kerkeraad op zichzelf, of een enkele classis, daarover beslissen. Wij kennen de figuur van deputaten naar artikel 49 die de classis kunnen bijstaan!

Ik weet dat alleen op de tafel van een meerdere vergadering mag worden gelegd, wat door de mindere (in de zin van smallere) vergaderingen niet kan worden afgehandeld. Ik ben van mening dat bepaalde onderwerpen en daaruit voortvloeiende beslissingen op zijn minst in particulier-synodaal verband moeten worden besproken en voorbereid. Waar gaat het om? Om hulp te bieden bij het nemen van beslissingen. Dat staat voorop. We moeten elkaar van dienst zijn. Daarnaast kan het in het uiterste geval gaan om de vraag of bij die bepaalde ethische beslissing in trouw aan Schrift en belijdenis is gehandeld. Dat zal meestentijds neerkomen op de vraag, of het gebod van God op de rechte wijze wordt toegepast en gehoorzaamd. Juist omdat ethische kwesties van deze tijd niet zo maar aan de hand van de uitleg die de Catechismus van de Tien Geboden geeft, kunnen worden beslist, is een gemeenschappelijk beraad van de kerken nodig - primair in particulier-synodaal verband, eventueel in generaal-synodaal verband.

Hiermee wil ik de kerkeraden niet het recht noch de plicht uit handen nemen te waken over de aan zijn zorg toevertrouwde kudde en te doen wat des kerkeraads is. Het ker kelijk verband is er om elkaar te dienen. Die dienst komt de plaatselijke gemeente ten goede, en zal ook het welzijn van het individuele gemeentelid dienen!

Ik pleit voor voorzichtigheid en duidelijkheid, voor ruimte die de individuele gelovige zelf moet invullen, en voor grenzen die krachtens het ambtelijk toezicht daaraan zijn te stellen! De taak van de kerk ligt vooral in het onderwijzen (catechese), ondersteunen en raadgeven. Ook dat is een vorm van tuchtoefening. In uiterste gevallen zal de kerk, als de waarheid Gods en de gehoorzaamheid aan het gebod in een verworden samenleving in het geding is, moeten zeggen: hier is een grens bereikt, die niet overschreden mag worden!

Misschien zeggen sommige aanwezigen dat er van het door mij bepleite onderricht in prediking, pastoraat en catechese, niet veel terecht komt. Dat feit pleit niet tegen mijn stelling, maar onderstreept te meer de noodzaak om met het onderricht in de geboden met het oog op een christelijke levenswandel ernst te maken.

Uit het Nieuwe Testament blijkt dat het spreken over het Gode welgevallige leven en over de werken der duisternis hoort bij de prediking van het evangelie. De kerk sta in deze traditie, om der wille van de trouw aan het Woord. Dat omvat beide: belofte en bevel. De kerk heeft de dubbele opdracht: dopen en leren onderhouden alles wat Christus geboden heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.