+ Meer informatie

DE BESPREKING

6 minuten leestijd

Het was vanzelfsprekend dat de uitwisseling van gedachten, zoals die altijd tijdens de ambtsdragersconferentie plaatsvindt, in een andere vorm gegoten zou moeten worden dan gewoonlijk. Het was immers niet doenlijk om eerst de drie referaten aan te horen en dan vervolgens nog eens het gesprek op te zetten. Daarom was gekozen voor de mogelijkheid van vragen stellen na afloop van ieder referaat. De volgende zaken kwamen daar aan de orde:

Bij ds. J.M. Batteau:

Hoe krijg je de gemeente ‘warm’ voor de omslag naar een andere cultuur? Dat vraagt bewustwording en dat is eerder een kwestie van jaren dan van maanden. Mensen moeten ervan doordrongen raken dat het een bijbelse en dáárom noodzakelijke zaak is (en niet andersom). Overigens gaat het niet aan om van de christelijke gemeente - in het algemeen - te zeggen dat zij in deze zaken een soort ‘gezapigheid’ zou hebben. Eerder is het verlegenheid. Laten we elkaar toch vooral bemoedigen; we hebben in de Here een geweldige God! Het zou ook niet zo vreemd zijn wanneer gemeenten hun predikanten voor deze omslag meer tijd gaven dan waar ze nu, temidden van al hun werk, de beschikking over hebben. Men zou kunnen denken aan 50% herderschap voor de kudde en 50% voor de ‘schapen die niet van deze sta! zijn’.

Is er toch niet in de gereformeerde traditie sprake van een achterstand qua bewustwording t.o.v. bijvoorbeeld de evangelische traditie? Daarop antwoordde ds. Batteau, aangevuld door ds. Van der Dussen, dat we overtuigd mogen zijn van de enorme waarde van onze gereformeerd-orthodoxe traditie. Laten we daar toch uit putten en niet te snel in onze schulp kruipen. Heel de wereld mag het weten… Er mag ruimte zijn voor een gezamenlijk krachtig geloofsgetuigenis. Dat zal bovendien vrucht afwerpen vanuit Joh. 17. En bij dat getuigenis, zo onderstreepte een ander, hoeven we niet meteen aan grote projecten te denken: leert de Schrift ons niet dat we leesbare brieven zullen zijn? Daarbij mogen we het gesprek met de anders-gelovende aangaan op alle niveaus: de predikant met de imam, de mensen onderling bij een ontmoeting op straat (of in het park, of bij de kapper, zoals uit de zaal op dat moment of later te horen was). Slaat u de bijbel eens op bij Joh. 4 of bij Hand. 17! In ieder geval moeten we niet snel vluchten in het opzetten van allerlei technische structuren; het gaat vooral om het zien en erkennen van Gods grote daden in Jezus Christus. Als het hart dáár vol van is… We mogen in deze dingen de werking van Gods Geest niet onderschatten en zullen daar veel om bidden!

Bij dr. A. van der Dussen:

Opnieuw kwam de gedachte naar voren dat er onder ons sprake is van een zekere gemakzucht. Als voorbeeld werd genoemd het betrekkelijk geringe aantal aanwezigen op deze conferentie. De inleider wees er echter op dat kerkenraadsleden vaak al heel veel werk verzetten in de eigen gemeente. Natuurlijk moet iedereen op zijn hoede zijn voor geestelijke luiheid; anderzijds is het gevaar van activisme net zo groot: we dienen uit Gods genade te leven. Verder werd de gedachte van het ‘zelfrespect’ nog eens benadrukt: we zijn parels in Gods hand, kostbaar in zijn ogen.

Natuurlijk ging het gesprek ook over kerk en politiek. Gestart werd bij de bekende tweedeling die Maarten Luther hanteerde: het rijk van de genade en het wereldlijk christen zijn. We zijn vreemdelingen op aarde, en zo langzamerhand zijn we door God uit het centrum van de macht verjaagd. Dat hebben we te dragen; en tegelijk hebben we in dat (kleine) kader nog steeds onze verantwoordelijkheden. De voorbijgaande wereld moet op orde worden gehouden. Daar stond eertijds Daniël voor, en zo zullen wij er voor staan. Dat vraagt, zo werd uit de zaal opgemerkt, heroriëntatie en zoeken naar de fronten. Hoe dat ook gaat, een christen wordt daar altijd bescheiden onder: God wil iets via hem of haar doorgeven!

Aparte aandacht vergt de positie van de jeugd in deze zaken. Hoe houden we ze vast? Ze zijn - generaal genomen - zo meegenomen door de ontwikkelingen in onze samenleving. Ze verstaan de taal van bijbel en psalm/liedboek vaak al niet meer… Dat, aldus de inleider, is geen reden om wanhopig te worden. Ga in gesprek met de jongeren in uw gemeente en zoek naar vormen om ze te bereiken. Onze vertalingen, onze manier van spreken en zingen hebben niet het laatste woord en zijn niet heilig. Ook hierin zijn wegen in de tijd te zoeken en te vinden. Moeten we, naar analogie van Hand. 2, niet ons best doen zoveel mogelijk in hún taal te spreken? Natuurlijk ligt bij een veranderend taalveld altijd het gevaar van geestelijke versmalling op de loer. Maar dat gebeurt echt niet per definitie.

In de vragen van de participatie van christenen in de brede samenleving zijn mogelijkheden én grenzen. Als voorbeeld werd genoemd de oprichting van een regionaal neutraal hospice; kan de kerk daarin meedoen? Niet meedoen, zo klonk van achter de tafel vooraan in de kerk, betekent in de praktijk vaak het werk laten liggen en dus de nood laten bestaan (er is immers meestal niet genoeg menskracht in de gemeente). Daarom is aan te raden zo lang mogelijk te participeren, totdat je voor een principiële grens komt voor wat betreft het geweten.

Tenslotte werd naar nadere opheldering gevraagd bij de inleider over de positie van de kerk t.o.v. de natuurwetenschap en de sociale structuren. Als voorbeeld werd door hem gewezen op de ontdekkingen van Galilei en Copernicus. Wat heeft het lang geduurd voor de kerk deze ontdekkingen kon en wilde accepteren. Te wijzen is ook op de afschaffing van de slavernij. Voor vandaag, lerend van de geschiedenis, hebben we ons altijd af te vragen: wat is tijd-bepaald en dus inwisselbaar en wat is Schrift-bepaald en dus onopgeefbaar?

Bij drs. M.C. Mulder:

Enkele ophelderingsvragen werden nog na het derde referaat gesteld; het liep ook al naar half vier…

Zo werd nog doorgesproken op de gedachten van de inleider van het ‘van binnen naar buiten gaan’. Naast ons persoonlijk (geloofs)leven hebben we allen ook te maken met het deel uitmaken van een christelijke gemeente. De gedachten die in het referaat ontvouwd zijn, gelden - zo verzekerde de inleider - ook de gemeente! De bedoeling was om te benadrukken dat we slechts ‘naar buiten’ kunnen gaan wanneer we voortdurend het hart opzoeken van de zaak. We moeten bij wijze van spreken individueel én samen altijd weer ‘naar het altaar’.

In het referaat was opheldering gegeven over de betekenis van een aantal getallen. Dat had in de zaal de vraag opgeroepen of we bij de twee getuigen wellicht mogen denken aan het Oude en het Nieuwe Testament. Maar dat ging de inleider te ver: hij denkt eerder aan de gedachte uit de Schrift, dat uit de mond van twee of drie getuigen elke zaak vast staat.

Tenslotte: staat het gebed ‘Kom Here Jezus’ niet ver van ons af…? Gaat de prediking daarin voor…? Klemmende vragen, die allen, op welke manier ook in de gemeente staande, noopten tot zelfonderzoek; de verwachting van de wederkomst kleurt het geloofsleven en stimuleert tegelijkertijd om onze verantwoordelijkheden op ons te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.