+ Meer informatie

Pinksterbede

6 minuten leestijd

Neem Uw Heilige Geest niet van mij. (Ps. 51 : 13b)

David was de man naar Gods hart. De Heere had hem gezocht en gevonden; had hem gekroond met rijke zegeningen. De Geest Gods was uitgestort in zijn ziel en die Geest had hem geleerd en onderricht. Gelukkig mens, die de werking van Gods Geest ten deel valt en wel de zaligmakende werking, want daar komt het juist op aan. Wij kunnen wel algemene Geesteswerkingen bezitten op allerlei terrein, terwijl toch de zaligmakende werking door ons gemist wordt. Niet alzo met David. Gods Geest had zijn hart vernieuwd, zijn leven geadeld. Hij had geleerd zondaar voor God te worden, zijn schuld te belijden, maar ook in de heilige ordinantiën Gods gevonden en ervaren de verzoenende en reinigende kracht van het bloed des verbonds, waardoor zijn ziel had geleerd in de Heere van vreugde op te springen; in de strijd had God hem gesterkt; in moedeloosheid had Gods Geest hem bemoedigd en in droefenis de Trooster hem vertroost.

David kende de Geest des Heeren ook als onmisbaar. Zonder de Geest des Heeren kunnen wij niets doen. Zoals het lichaam zonder de ziel niet leven kan, zo kan Gods volk niet leven zonder de Geest des Heeren. In al hun geestelijke werkzaamheden toch moet de Geest Gods de eerste zijn om „het willen en het werken" in hun harten te verwekken naar Zijn welbehagen. De Vader wordt geëerd door de Zoon en de Vader en de Zoon door de Heilige Geest. Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest en niemand kan tot de Vader komen dan door de Zoon. In het heilige bestel Gods in het zaligen van Zijn kinderen hebben de drie Goddelijke Personen hun eigen werk en niet één van deze Personen zal kunnen worden gemist. Het is dan ook het bijzonder werk des Geestes de door Christus verworven zaligheid in de harten van de door de Vader verkorenen toe te passen en tevens zai Hij het geschonken geloof in hun harten bewaren door Zijn kracht en Gods volk in de heilige geloofsoefeningen stellen.

Die onmisbaarheid van Gods Geest kennend gaat David vragen: Neem Uw Heilige Geest niet van mij. Toch heeft deze bede van David ook nog een bijzondere reden. Deze Psalm is Davids schuldbelijdenis na zijn zondig overspel met Bath-scba en zijn moord op Uria.

Wat een schade en schande heeft cle zonde veroorzaakt. Daar zal Davids verdere leven wel van getuigen. Bitter leed en smartvolle gebeurtenissen zijn hem in het leven ten deel gevallen en telkenmale zal David daarin de schande van cle zonde hebben moeten vinden. Maar er is Gode zij lof ook een hartelijke schuldbelijdenis in Gods Woord te vinden. Er zijn nog altijd mensen die menen, dat schuldbelijden een zaak is die alleen in het verborgene moet plaats hebben. Gewis wanneer het verborgene zonden betreffen, behoeven die door een openlijke schuldbelijdenis niet aan de openbaarheid ten toon gesteld te worden, maar openbare zonden moeten ook openbaar beleden. De openbare zonde is Davids openbare schande geweest. De zonde heeft hem onteerd en heeft Gods Naam gelasterd. Zijn openbare schuldbelijdenis heeft hem echter niet onteerd, maar doet hem weder hersteld worden in de gemeenschap der kerk. Natuurlijk was deze schuldbelijdenis van David voor de gehele wereld meer dan een blote formaliteit voor de mensen. Het was een openbaar uitroepen van: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en heb ik gedaan wat kwaad is in Uw oog. En cle bede, die wij een Pinksterbede noemden, staat in het teken van deze schuldbelijdenis. Daarin drukt David uit clat het rechtvaardig zou zijn wanneer de Heere hem van Zijn aangezicht zou verstoten, ja dat de Heere Zijn Geest van hem zou wegnemen. Davids bede welt op uit een hart, dat in ware onwaardigheid voor God bukt en buigt. Er ligt in uitgedrukt: Heere, U zou niet

onrechtvaardig zijn, wanneer U nooit meer met mij zoudt willen te doen hebben en wanneer U Uw Geest voor eeuwig aan mij ontneemt. Gewis, dit is de rechte gestalte van de boetvaardige, van de boeteling, die smeekt om genade. En nu is het Pinksteren geweest. Gedenkdag voor Gods kerk. Voor ruim 19 eeuwen werd de geest van Christus uitgestort in Gods kerk, Die sindsdien Zijn kerk niet meer heeft verlaten. Bij die herdenking leve Davids bede in ons hart: Neem Uw Heilige Geest niet van ons. In het besef van de onmisbaarheid van Gods Geest voor Gods kerk worde deze bede uitgesproken. O, wanneer God Zijn Geest zou onttrekken aan Zijn kerk op aarde, zou zij een prooi van de hel en van de wereld zijn; dan zou alle Godswerk verstoord en verwoest worden en zou er niets terecht komen van alle arbeid in en door Zijn kerk verricht. En toch klimme ook deze bede op uit de boetvaardigheid, zoals bij David, want hoe heeft niet de kerk „gehoereerd" met de wereld; hoe heeft het Sion Gods het zich niet waardig gemaakt, dat de Heere haar verlaten zou meer tot haar wederkeren. en nooit

Het geldt niet alleen de kerk zo hij zich openbaart, maar ook een ieder van Gods kinderen. Wanneer het „gij zijt die man" eens tot haar komen zou met kracht, zou dan een ieder van Gods kinderen niet moeten vallen onder die Goddelijke aanklacht. Hoe zijn toch de keurlingen des Heeren weleer tegen fijn goud geschat, gelijk geworden aan de aarden flessen. Wat al wereldzin openbaart zich in het leven van Gods volk ook; hoe vele Godsverlatingen. Dan past het kleed deiboete. Dan zij er een diep buigen ook op het feest van de uitstorting van Gods Geest met een erkentenis van de vele smaadheden, die deze Geest zijn aangedaan; dan zij er uit de onwaardigheid een stamelend vragen. Neem Uw Heilige Geest niet van mij.

Ge zoudt kunnen vragen hoe toch David de vrijmoedigheid hebben kon om nog daarom te vragen. Wijl het toch recht was, dat dit gebeuren zou had hij toch niet moeten durven vragen om het vertoeven van Gods Geest in zijn liart? Wel, deze bede is ook een geloofsbede. David wist, dat Gocl hem opgezocht had toen hij alreeds verdorven was. Het was vrije ontferming geweest, waardoor de Heere naar hem had omgezien. God had David niet genomen om zijn waardigheid en zou hem nu ook niet versmaden vanwege zijn onwaardigheid.

Daarom smeekt David om het verblijven van Gods Geest in zijn hart en cle werkingen van die Geest in zijn leven. Dat zal ook cle kerk des Heeren hebben te geloven. God schonk eenmaal Zijn Geest en neemt die nooit meer weg. De zonden smaden de Geest; de zonden nemen cle vreugde des heils weg; de zonden verhinderen de vrijmoedigheid voor God, maar door 's Heeren Geest zal Gods kerk nooit meer verlaten worden.

Die Geest moge de vreugde des heils werken bij aanvang en voortgang 111 de gemeente des Heeren. Om clie onmisbare, verbeurde maar eeuwig blijvende Geest make God ons verlegen met Davids bede: Neem Uw Heilige Geest niet van ons.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.