+ Meer informatie

Ter overweging

7 minuten leestijd

Dr. A. G. Honig jr., De heerschappij van Christus en de zending. Uitg. Kok - Kampen. Prijs f 5,90.

Dit geschrift van 67 bladzijden geeft in kort bestek een uitstekend overzicht van de hedendaagse zendingsproblemen. Niet ten onrechte stelt de schrijver dat we tegenwoordig nog onverdraagzamer zijn dan vroeger in sociale en politieke op vattingen (blz. 51), dat we nog steeds niet toe zijn aan het verstaan van ,,de oneindige grootheid van de liefde van Christus met al de heiligen, Ef. 3 : 18: met de Jesuspeople en de vrijgemaakten, met de aanhangers van de nieuwe theo logie en de verontrusten ... Is dan Chris tus gedeeld ?” Hoewel het, meen ik, niet onduidelijk is welke positie dr. Honig kiest, toch is er van onverdraagzaam heid in theologische opvattingen geen sprake in dit geschrift,’t Valt integen deel juist op dat hij zonder namen te noemen de opvattingen van de dusge naamde nieuwe theologie afwijst, maar tegelijk ook probeert de goede kanten ervan in het licht te stellen. Dat kan evenwichtigheid betekenen, maar het kan ook „overkomen” als weifeling: de kool en de geit sparen ! Wanneer op blz. 14 bijv. wordt gewezen op de opvat ting, dat het heil ten volle is gereali seerd in die zin, dat alle mensen mogen worden beschouwd als te delen in dit heil, ook indien zij dit niet weten of er zelfs niets van willen weten” zodat er gesproken wordt over „anonieme chris tenen (ze noemen zich nog niet zo !) en over latente kerk (ze is nog verbor gen)”, dan wordt kennelijk gedoeld op wat collega’s van prof. Honig tegen woordig de gemeente voorschotelen was er niet een tijd dat in zijn kerk gemeenschap het één en ander te doen was over „onmiddellijke wedergeboorte”, „sluimerende wedergeboorte”, „weder geboren heidenen” ? Uit heel het boekje wordt wel duidelijk dat prof. Honig deze opvatting beslist afwijst. Maar hij wordt ook niet moede te betogen dat het tegen overgestelde evenzeer bezwaren oproept, althans met gebrek en tekort gepaard gaat. ’k Kan me niet van de indruk los maken dat de schrijver daarbij wat al te ongenuanceerd het gebruikelijke re cept volgt dat de zogenaamde nieuwe theologie zo graag toepast: vroeger had de kerk, de theologie alleen maar aan dacht voor de ziel, de hemel, nu is ont dekt dat er ook een lichaam is, dat er ook een wereld, een mensheid is. Met verschillende citaten poogt hij dan aan te tonen dat bijv. prof. Beyerhaus’ kri tiek op Uppsala enz. niet rechtvaardig is (blz. 32) — hoewel hij hem later zon der meer bijvalt (blz. 59) —, maar deze citaten hebben althans mij niet over tuigd dat wat volgens hem niet kan, nl. „de vraag naar vrede tussen mensen kan nooit worden losgemaakt van vrede met God" (blz. 30), toch metterdaad nooit gebeurt bij zgn. ecumenicals, ho rizontalisten of hoe ze verder al of niet tot hun teleurstelling (blz. 28) genoemd worden. Is het wààr dat de „evangeli cals” er de voorkeur aan geven dat de dingen bij het oude blijven ? Is het waar dat het „omver” stoten van gevestigde belangen en gevestigde machten uiting is van een „authentiek christelijke no tie” (blz. 25) ? Terecht keert hij zich tegen de opvatting dat alle verandering in de wereld christologisch moet worden verstaan (blz. 30). Maar is het „omver stoten” van oude structuren in de prak tijk meestal niets anders dan „vervan ging” door andere structuren — volgens marxistisch model — die in de staats ambtenarij nog ongrijpbaarder zijn dan de „gevestigde” ? Zouden al die „verti calisten” die alleen maar aandacht had den voor ziel en hemel, naar wordt be weerd, niet meer aan de „structuren” hebben gedaan dan vele betweters van nu ? ’k Denk aan al die bijna naamlozen die uitgegaan zijn met het Evangelie, hier en op de zendingsvelden, en het Evangelie gebracht hebben dat als een „zuurdesem” werkt naar ’s Heren be lofte en wat dòet in hart en leven van àllen en in gemeenschap met àllen die door Woord en Geest „omgezet” worden, wat dòet in presentie en proexistentie, in dialoog en proclamatie. Niet vol maakt, niet altijd consequent, misschien soms al te zeer gebonden aan de eigen situatie en de eigen tijd (maar wie is bij machte zich daarvan volkomen los te maken ?), was er toch bij velen het onmiskenbare besef dat de „verticale” en de „horizontale” lijn samen een kruis moeten vormen en dat op het snijpunt van die lijnen Jezus Christus gekend moet worden tot waarachtige verzoe ning. Als beide lijnen geen kruis meer vormen, als Hij van het snijpunt ver dwijnt, dan gaat èn het „verticale” en het „horizontale” absoluut de vernieling in. Het is zonder meer duidelijk dat de schrijver dat kruis niet elimineert, maar bij het afwegen van de „goede” momen ten in de nieuwere opvattingen tegen de „kwade” momenten van de oudere, wordt m.i. het evenwicht niet steeds voldoende bewaard. Misschien is daarom juist de lezing van dit geschrift te meer aan te bevelen omdat het eenzijdigheid naar de andere kant kan corrigeren.

Hans Bouma: De aarde van Gods dromen (bijbelse verkenningen). Uit geverij Meinema, Delft.

In dit, in de reeks „Ter sprake” opge nomen, geschrift heeft de dichter-domi nee Hans Bouma zijn visie gegeven op een aantal bijbelplaatsen, waarin naar zijn mening Gods bedoeling met de aar de en de mensen op sprekende wijze tot uiting komt. Voor de schrijver is het primair de bedoeling van God, dat deze aarde weer leef-baar wordt, doordat mensen zich omkeren (bekeren), dat wil zeggen afzien van hun ik-gerichte leven, gaan luisteren wat de Heer wil en dan gaan helpen Gods plan met de wereld te volvoeren.

Langs deze hoofdlijn is het boek — met de daarin opgenomen gedichten van de schrijver — duidelijk eenzijdig-dies seits gericht. Beschouwingen over zon den van mensen lopen bijna steeds uit op voorbeelden van misstanden, die als gevolg van zonde in het samen-leven zijn gegroeid en dan kan het zowel gaan over mondiale wanverhoudingen in de spreiding van macht en bezit als over de verspillende vleesconsumptie waar aan mensen van deze tijd zich schuldig maken.

Het moeilijke met dit soort boekjes is dat je geneigd bent de dichter Bouma een dergelijke eenzijdigheid minder aan te rekenen dan de dominee, die toch ook herder en leraar moet zijn. Als dichter kun je door-dromen over die éne kant van de zin van het leven en daar nog mensen over aan het denken krijgen ook (wat op zichzelf een goede zaak is). Als pastor daarentegen heb je, dacht ik, tevens en voortdurend de opdracht ertegen te waken, dat je lezers het christen-zijn gaan identificeren met een beter en meer verantwoordelijk omgaan met mensen, dieren en dingen. Op deze wijze zijn deze zaken duidelijk niet iden tiek. Om het eens wat ouderwets te zeg gen: Het stuk van de „dankbaarheid” is een — zij het dan ook uitermate be langrijk en al te veel verwaarloosd — onderdeel van de bijbelse boodschap, maar de bijbelse boodschap gaat daar niet in op, ook al mondt zij daar wó op uit. Bovendien leidt een te sterk op timistische verwachting met betrekking tot de werken van blije „bekeerde” christenen tot grote teleurstellingen. Zo als minister Van Agt onlangs zei: „Uto pia bereik je nooit aan deze kant van de dood”. Dus zullen het leed en de strijd en de moeite ons blijven bege leiden, hoezeer wij ook ons best doen — en verplicht zijn dat te doen — om al maar weer te trachten verbeteringen te reahseren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.