+ Meer informatie

TER OVERWEGING

17 minuten leestijd

G.M. Koning e.a., De verzorgingsstaat voorbij. Over de grondslagen van de sociale zekerheid. Uitgave van de Marnix van St. Aldegonde stichting, wetenschappelijk studiecentrum van de RPF. Nr. 21. 1996. 99 biz.

In dit boekje wordt nader ingegaan op de ontwikkelingen met betrekking tot het stelsel van sociale verzekeringen en voorzieningen die gaande zijn vanaf de jaren tachtig, namelijk de overheid treedt steeds meer terug als het gaat over sociale zekerheid. De vraag kan echter gesteld worden wat de gevolgen zijn van verdere ingrepen op het terrein van sociale zekerheid. Deze Studie probeert een visie te geven op de toekomst van het sociale beleid en sociale zekerheid in Nederland.

Herziening van de verzorgingsstaat is niet herstel van die Staat, maar men spreekt liever over het begrip sociale rechtsstaat. Daaronder verstaat men dat het de taak van de overheid is om publieke gerechtigheid te bevorderen en bepaalde rechten (ook sociale) in de samenleving te waarborgen. Wat verstaan wordt onder sociale zekerheid wordt toegelicht aan de hand van drie thema’s van het christelijk-sociaal denken. Tenslotte gaat men nader in op wat verstaan moet worden onder integraal sociaal beleid en wat de visie van het RPF daarop is.

Johan Vink e.a., Omega. Wonderen in deze tijd. Verhalen uit de TV-serie van de EO. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen. 128 blz. f 22, 50.

Wie weleens naar deze EO-series gekeken heeft, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat God soms wonderbaarlijke dingen tot stand brengt die ons verstand te boven gaan. Over die wonderbaarlijke dingen gaat dit boekje. Er worden verschwende mensen aan het woord gelaten met hun levensverhaal, hun problemen en zorgen en hoe de Here hen daardoorheen heeft geleid. De verhalen zijn soms indrukwekkend en vragen om een antwoord. Heel bijzonder zijn de bijna-doodervaring (BDE) verhalen, mensen die de hei of de hemel hebben gezien. In een van de hoofdstukken wordt er nader ingegaan op de aanwezigheid van engelen bij bepaalde gebeurtenissen en hoe je als christen tegen dergelijke verschijnselen, verhalen moet aankijken. Een indrukwekkend en interessant boek, met een positief evangelische ondertoon.

Douwine Zoutman, Gevangenen van de liefde. Een handreiking voor ondersteuning in de mantelzorg. Uitg. Kok, Kampen 1996. 64 blz. f 12, 50.

Op verzoek van de Protestants Christelijke Ouderenbond (PCOB) is dit boekje geschreven; het staat in het kader van zijn driejarig project Ondersteuning Mantelzorg. Onder het begrip ‘mantelzorgers’ wordt verstaan degenen die hulp aan familieleden geven, die dat nodig hebben. In dit boekje komen een aantal interviews aan de orde, waarin de zorg, de vreugde en het verdriet van thuishulpverlening wordt verwoord.

Ds. M.P. van Dijk, Voor alle zekerheid. Vragen aan Kuitert. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1996. 60 blz. f 14, 90.

Van Dijk heeft bezwaar tegen het boek van Kuitert ‘Zeker weten - voor wie geen grond onder de voeten voelt’. Ook Van Dijk wil iets weten voor mensen die geen zekerheid meer voelen, maar gaat een andere weg en bevraagt daarbij Kuitert naar de grond onder zijn voeten. Een dun boekje, maar met een goed orthodox geluid, waarbij het beleven van het geloof een centrale plaats inneemt.

Prof. dr. W.H. Velema, De taak van de apologetiek in de hedendaagse theologie. Het betreft hier een uitgifte van de Theologische Universiteit van Apeldoorn. Apeldoornse studies nr. 33. Apeldoorn 1966.

Prof. dr. Velema heeft op 19 januari 1996 afscheid genomen als hoogleraar aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland met een afscheidscollege over de taak van de apologetiek in de hedendaatgse theologie. De taak van de apologetiek is volgens hem ‘het afleggen van verantwoording van het geloof in Jezus Christus’ met geen ander doel dan de evangelieprediking. In feite gaat het om een doel en dat is de mens te behouden voor de eeuwigheid om Jezus’ wil. Het verschil tussen prediking en apologetiek is dat de laatste gericht is op de dialoog en de discussie, die van contact en confrontatie. Daarbij is het echter niet zo dat je hiermee probeert te bewijzen dat het christelijk geloof de waarheid is, dat kan alleen God zelf door Zijn Geest. Hij wijst een aantal methodes aan (die elkaar aanvullen) hoe men in de apologetiek te werk moet gaan en welke relevantie het heeft als theologisch vak.

AG. van der Klift-Snijder, ‘Geroepen, gezonden en gezegend’. Memoires van een zendelingsvrouw in Zuidoost-Celebes. Bewerkt door dr. Chr.G.F. de Jong. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer. 170 blz. f 29. 50.

De grote betekenis van persoonlijke correspondentie en van dagboekaantekeningen voor de geschiedschrijving van kerk en zending komt op je af bij het lezen van dit boek, waarin het pionierswerk van het zendingsechtpaar Van der Klift in Zuidoost-Celebes wordt weergegeven. Op verzoek van haar kinderen schreef mevrouw Van der Klift deze ‘Memoires’. Zij hadden hun ouders twaalf jaar niet kunnen ontmoeten die hen in 1934 na verlof hadden achtergelaten met het oog op hun opleiding. Door oorlog en internering zagen ze elkaar pas in 1946 terug! Alleen met de oudste dochter die als onderwijzeres bij de familie Bikker werkte (van 1938 tot de Jappentijd - blz. 107), was er enig contact. Op onbevangen wijze vertelt mevrouw Van der Klift over het leven, het werk en de situatie, waarin zij en haar man leefden en werkten. Diep respect zal ieder die van deze ‘memoires’ kennisneemt, zeker vervullen, dankbaar dat de kinderen de memoires van hun moeder voor dit boek beschikbaar stelden en dat dr. De Jong de uitgave inleidde en van waardevolle aantekeningen voorzag. Het “vertrouwen Winnen” dat deze pioniers essentieel achtten voor de Evangeliecommunicatie in de zendingssituatie, is dat niet existentieel voor alle geestelijke arbeid?

Dr. J. Verkuyl, Met moslims in gesprek over het Evangelie. Derde herziene druk. Uitg. Kok, Kampen. 168 blz. f 32, 50.

Sinds de eerste druk (besproken in AC ’86-588) is dit boek uitgebreid met een hoofdstuk over ‘Het gesprek over fundamentele mensenrechten’. Nu de islam geen godsdienst meer is die ver weg wordt gepraktiseerd, maar de islamieten onder ons wonen en werken en onderlinge gesprekken geen uitzondering zullen zijn, is grondige informatie van grote betekenis, met name als het gaat over ‘het gesprek over het Evangelie’. Zullen we als een “zoutend zout en een lichtend licht” voor onze moslimse buren enz. naar eis van het Evangelie functioneren, dan zullen we ons bewust moeten zijn wat dat Evangelie voor ons zelf betekent, maar ook wat de moslimse naaste belijdt en beleett. Professor Verkuyl biedt hier uitstekende voorlichting. Serieuze kennismaking met en bestudering van dit boek, niet in de laatste plaats door ambtsdragers, van harte aanbevolen! Alleen is het me niet duidelijk dat het - terechte - verzet tegen een ‘theologie van de godsdiensten’ die ‘de unieke beslissende betekenis van de God en vader van Jezus Christus en de persoon en het werk van Jezus Christus niet kent (158), te rijmen is met ‘methoden van het historisch-literair onderzoek’ van de bijbel (38), dat het “unieke” eruit filtert. Staan ‘menselijke makelij’ en ‘geheel doortrokken van Gods Geest’ gelijkwaardig naast elkaar? Gelukkig speelt deze onduidelijkheid verder geen rol in het zo waardevolle betoog.

Dr. G. van der End, Groeien in het geloof. Serie Bij-tijds Pastoraat. Uitg. Kok, Kampen 1996. 95 biz. f 19, 90.

Dit boekje is pastoraal van toon en praktisch van opzet. Het behandelt het thema van de geestelijke groei. Allereerst wat de Bijbel erover zegt, dan de inhoud ervan, de middelen ertoe, de belemmeringen ervoor en tenslotte het doel ervan. Dit laatste aan de hand van de catechismus van Calvijn, geschreven voor Genève. Drie punten worden genoemd (vergelijk antwoord 86 van de Heidelbergse Catechismus): de eer van God, persoonlijke zekerheid, het winnen van onze naaste! Deze invulling karakteriseert het hele boekje. De Bijbel en de belijdenisgeschriften komen aan het woord. Elk hoofdstuk wordt met vragen afgesloten. Het zijn pittige vragen die tot persoonlijke en niet maar tot beschouwelijke beantwoording dringen.

Het meest uitgebreide hoofdstuk is dat over de inhoud van de geestelijke groei. Niet minder dan negen punten worden besproken. Ik kan me voorstellen dat de auteur in dit hoofdstuk te werk was gegaan met het trekken van concentrische cirkels.

Het is een fijn boekje, waarin geen verrassende nieuwe dingen staan. Wel worden veel onderwerpen, in goede samenhang, keurig op een rij geplaatst. Een boekje om meer dan eens ter hand te nemen, met het oog op eigen geestelijke groei.

Drs. H.G. de Graaff, Onbekwaam tot enig goed!? De plaats van de ‘totale verdorvenheid’ in prediking en pastoraat. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1996. 125 biz. f 21, 50.

De schrijver is geïnteresseerd in het raakvlak tussen pastoraat en psychologie. Aleid Schilder heeft zich met haar boekje ‘Hulpeloos, maar schuldig’ juist op dat terrein bewogen. Men kan het boek van drs. De Graaf beschouwen als een poging haar van antwoord te dienen. De schrijver wil mensen die door de leer van de radicale onmacht ten goede tot geestelijke wanhoop komen en tot totale passiviteit vervallen, helpen.

Hij wil onderscheid maken tussen de totale verdrovenheid van de eigenschappen gerechtigheid en heiligheid, welke bij het beeld Gods behoren enerzijds, en de schepselmatige natuur van de mens anderzijds. Zonde en geschapen zijn vallen niet samen. De mens is in zijn levensrichting totaal verdorven (van God at, in plaats van naar God toe). Deze verdorvenheid is echter geen wezensbestanddeel van de mens geworden. Met behulp van Calvijns onderscheid tussen hemelse zaken en aardse zaken probeert De Graaff zijn positie te verduidelijken.

De Graaf heeft op bepsaalde uitspraken van Calvijn kritiek. Daar zou Calvijn de verdorvenheid toch tot een wezensbestanddeel van de mens en van zijn natuur maken. Eenzelfde kritiek heeft hij op formuleringen in zondag 3 en 4 van de Catechismus en op lll/IV, 1 en 12, van de Dordtse Leerrregels.

Naar mijn gedachte doet De Graaff geen recht aan de Leerregels. lll/IV 3, 4, 8 en 16 weerspreken juist het feit dat de zonde een wezensbestanddeel van de mens is geworden. Als dat zo zou zijn, zou het schepselmatige zijn niet verlosbaar zijn!

Ik wil twee opmerkingen maken. Allereerst: de zonde tast niet alleen onze relatie tot God aan. Zij werkt ook negatief in op ons willen, denken en doen! Deze drie moeten (en kunnen) gereinigd en vernieuwd worden. Op deze reiniging en vernieuwing (en haar pastoraal-psychologische uitwerking) zou ik veel meer nadruk leggen. Daarom is het jammer dat De Graaf geen aandacht schenkt aan een formulering uit de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek. Deze luidt: De zonde laat de mens wel beeld Gods blijven, maar in een negatieve modus. Het woord modus ziet in deze formulering op een zijnswijze. Zonder dat woord kunnen we de invloed en de werking van de zonde niet omschrijven.

Een twee opmerking: De moeite die we in onze kring hebben met het door De Graaff terecht aan de orde gestelde vraagstuk, ligt mijn inziens hierin, dat wij niet voldoende doordacht hebben, wat de zelfaanvaarding voor Gods aangezicht voor de praktijk van ons leven betekent.

Dat is te weinig gebeurd vanuit de gedachte van de schepping. Daarom komen we er ook niet aan toe het te doen vanuit de herschepping.

Zelfaanvaarding is niet per definitie zondig. Er is een zondige, egoistische vorm van zelfaanvaarding. Tegenover deze vorm is zelfverloochening nodig. Liefde tot onszelf mag een plaats hebben in de vernieuwing door de Heilige Geest. Langs deze weg zie ik de oplossing van de door De Graaff opgeworpen vragen. Hoezeer ik zijn goede bedoeling waardeer, ik kan niet inzien dat hij deze verwoordt binnen het kader van de formuleringen van de belijdenis. Hij komt daarmee in botsing, zoals hij zelf ook zegt. Er is een andere weg.

Dat het probleem vanuit een positieve intentie aan de orde wordt gesteld, waardeer ik.

H.G.L. Peels, Wie is als Gij? ‘Schaduwzijden’ aan de Godsopenbaring in het Oude Testament. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1996. 168 blz. f 27, 50.

Dit boek gaat over verschillende momenten in de openbaring omtrent God. Zijn verborgenheid, Zijn naijver, Zijn berouw, Zijn wraak, Zijn toorn, Zijn heiligheid en Gods vergeving. Het boek is een waardevolle bespreking van deze bijbelse gegevens. Op de achtergrond ligt een rijke kennis van het Oude Testament (men vindt er elementen uit de dissertatie van de schrijver). Daarnaast is het geschreven voor de persoonlijke geloofskennis. Discussievragen per hoofdstuk maken het boek bruikbaar voor gespreksgroepen.

Drs. AG. Knevel en dr. M.J. Paul (red.), Verkenningen in de oudtestamentische messiasverwachting. Theologische verkenningen, Bijbel en Exegese, nr.8. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen. 216 blz. f 35, 90.

Deze bundel bevat niet minder dan drieëntwintig radiovoordrachten over de messiasverwachting in het Oude Testament. Er worden grote lijnen getrokken, maar ook klleine passages besproken. Het is een echt studieboek geworden met vaak grondige documentatie. Ik denk vooral aan de bijdragen van prof. Ouweneel. Uit onze kring hebben prof. Peels en drs. Mulder meegewerkt.

Hoewel de aanpak per hoofdstuk verschilt, vind ik het een waardevolle bundel die ik graag onder de aandacht van de lezers breng.

Drs. H. Algra (red.), Informatieboekje voor de Nederlands Gereformeerde Kerken. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1996. 263 blz. f 516, 90.

Het bekende informatie- of wel jaarboekje van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Het is anders opgezet dan dat in onze kerken. Men vindt er dezelfde gegevens. Het jaaroverzicht gaat in op de bespreking van de relatie Nederlands Gereformeerde - Christelijke Gereformeerde Kerken ter synode en daarna. De relatie tot andere kerken wordt in de bespreking betrokken. Er is bij de overzichtschrijver teleurstelling. Dat is begrijpelijk. Ik denk dat het nodig is op wederzijds begrip aan te dringen. Het lijkt mij een goede greep dat het jaaroverzicht Staat in het teken van de zending. Dat is een thema dat de kerken veel meer op hun agenda zouden moeten hebben. Ons past dank jegens de redacteur, zoals we die ook hebben uitgesproken jegens de redacteuren van ons eigen jaarboek.

Ds. C. den Boer, 2 Korinthe Vll-Xlll. Deel 2. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1996. 231 blz. f 34, 90.

Dit boek vertoont alle deugden van voorgaande commentaren in deze EO-serie van de hand van ds. Den Boer. Ik ben blij dat dit boek zo snel na de beëindiging van de serie over 2 Korinthe is versehenen. Aan de binnenkant vindt men een plattegrond van de stad Korinthe.

In de noten wordt meer met anderen gediscussieerd dan in voorgaande delen. Voor mij is dat niet nodig. Het boek gaat dan meer het karakter van een commentaar dragen dan dat van een toelichtende bespreking. Hartelijk aanbevolen.

Nico van der Voet, Altijd vergeven? Over schuldvergeving tussen mensen. In de serie: Wie volgt? Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1996. 94 blz. f 17, 50.

Op populaire wijze - de serie is bedoeld voor jonge mensen - worden onderscheiden aspecten van de vraag of je altijd moet vergeven, besproken. Praktische voorbeelden verduidelijken het betoog. Er kan alleen sprake zijn van vergeving, als daaraan behoefte is en daarom wordt gevraagd. Hoe radicaal het niet willen (kunnen) vergeven doorwerkt in het bestaan van een mens, wordt goed beschreven.

Een eenvoudig, instruetief en praktisch boekje, waaraan niet alleen jonge mensen iets kunnen hebben.

Ds. CG. Vreugdenhil, Het wachtwoord van de Kerk. De Apostolische Geloofsbelijdenis, toegelicht vanuit ons gereformeerde belijden. Uitg. Groen, Leiden 1996. 263 blz. f 34, 95.

Het Apostolicum wordt (mede aan de hand van de verklaring ervan door de oude Catechismus) uitgelegd en met een toepassing naar het persoonlijk leven beschreven. De toonzetting is evangelisch, de basis is gereformeerd. Hier en daar is het boek wat breedsprakig. Het wekt de indruk terug te gaan op Catechismuspreken.

Het is in elk geval een leerzaam en voor hen die nog weinig kennis hebben, een verhelderend boek.

Dr. A. van de Beek, Schepping. De wereld als voorspel voor de eeuwigheid. Uitg. Callenbach, Baarn 1996. 459 blz. f 59, 50.

Opnieuw een lijvig boek van de Leidse dogmaticus, hoogleraar namens de Hervormde Kerk, dr. A. van de Beek. De schrijver is gepromoveerd theoloog en bioloog. Zijn kennis van de schepping op het gebied van planten en de natuur heeft hij bij de behandeling van dit bijbels-dogmatisch thema uitvoerig gedemonstreerd. Zelden las ik een dogmatisch werk waarin zo veel over flora en fauna werd behandeld. Ook over het ontstaan van de aarde wordt met verwijzing naar literatuur op het gebied van de natuurkunde geschreven. Boeken, die men ook door de bekende Delftse hoogleraar A. van de Beukel geciteerd vindt.

De schrijver behandelt de scheppingsleer en de voorzienigheid van God. De negen hoofdstukken (na de inleiding) vormen in zekere zin essays, die voor een deel op zichzelf staan. De rode draad die door heel het boek heen loopt, is deze: De mensgeworden God, Jezus Christus, is Zelf de scheppende God en de Gekruisigde. Het kruis Staat als een zwaard in de schepping. Het kwaad is van het begin at in de schepping meegekomen. De aarde is niet denkbaar zonder kwaad en dood. We moeten Genesis 1-4 als een geheel lezen. Daarin is geen plaats voor een historisch apart zich voordoende zondeval. Dat God de wereld in Jezus, de Gekruisigde heeft geschapen, betekent: God heeft van het begin af schuld en leed in de Zoon in Zieh opgenomen.

Niettemin wil Van de Beek de schuld van de mens voluit handhaven. We zien hier een dubbele lijn, die we ook bij Berkhof aantreffen.

Van de Beek biedt een scheppingsleer die de door mensen ervaren disharmonie probeert te integreren in het christelijk geloof. Dat gebeurt niet door de schuld ervan aan de mens te geven, noch door van de vloek te spreken. Hij ziet de schepping vanaf het begin als bepaald door het kruis. Dat brengt schaduwen mee. Het biedt ook een positief perspectief. Vanwege het kruis als zwaard in de schepping horen licht en donker bij elkaar.

Hier ligt eigenlijk de kern van mijn probleem met het boek. De plaats van de zondeval, de ernst van Gods gericht worden door het kruis in de schepping verzwakt, zo niet ontkracht. Het is een boek dat de donkere tonen van het lijden laat horen. Deze zijn echter door Gods genade bij voorbaat tot blijde tonen van de toekomstige verlossing omgevormd. Het is een diepzinnig boek, dat van originaliteit getuigt. Men vindt er sporen in van Barth, Berkhof en Moltmann. Toch zet het een eigen toon. Het is te essayistisch om voluit systematisch te mogen heten. Het laatste hoofdstuk over de dankzegging en de liturgie is aangrijpend. Ergens las ik: Dit boek fascineert en irriteert. Dat was ook mijn ervaring.

J. Jonker, ‘In de kerk zie ik het niet zitten’. Een poging tot herstel van het gesprek. Uitg. Kok, Kampen 1996. 134 blz. f 24, 90.

De tekst werd eerst gebruikt door de kinderen van de schrijver. Langzamerhand is de titel verwoording geworden van zijn eigen kijk op de kerk.

De schrijver is van christelijke gereformeerde afkomst (ds. Driessen in Rotterdam-Zuid was zijn predikant). Hij is in de Christelijke Gereformeerde Kerken ouderling en voorzitter van de kerkenraad ter plaatse geweest.

Hij beschrijft hoe hij innerlijk vervreemd is van het kerkelijk instituut, de boodschap daarbij inbegrepen. De kerkelijke strueturen, kerkpolitiek en de (niet beantwoorde) vragen van het moderne leven hebben de vervreemding veroorzaakt. Waren er niet ook innerlijke factoren, vraagt de lezer zich af. Hij is toegegroeid naar een moderne vorm van buiten de kerk geloven in een God, die op menselijkheid is bedacht (Schillebeeckx). Deze weg zijn velen gegaan. Zijn zij zich niet bewust dat zo’n manier van geloven meer gestalte zoekt in humanitaire activiteiten, gemeenschappelijk opgezet, dan in de liturgische viering van de kerk met haar belijdenis en prediking? Ik kan me niet voorstellen dat weldenkende mensen hier een alternatief voor de kerk vinden. Ze komen in een totaal andere belevingswereld en activiteitencentrum terecht. Dat is de consequentie van de titel. Wie zich er zo buiten plaatst, doet geen poging tot herstel. Hij neemt iets van het oude (herzien en radicaal gefilterd door het moderne levensbesef) mee naar eiders.

Dr. E.L. Bakker, Hindoes en Christenen. Hoe zit dat? Gedachten rond de relatie tussen hindoeïsme en christelijk geloof in Nederland. Uitg. Kok, Kampen 1996. 55 blz. f 14, 90.

Dit boekje valt op door de grote kennis van zaken, die de schrijver ten aanzien van het hindoeïsme heeft.

Het valt evenzeer op door een in principe gelijkschakeling van het geloof in de God van de kerk en het hindoeïsme. Laat ik het iets minder scherp zeggen: de punten van toenadering en overeenkomst zijn meer dan de verschillen. Dat is hieraan te danken dat God zich via andere godsdiensten (en dus via andere godsvoorstellingen) openbaart. Een gedachte die ik, zo positief uitgewerkt, in strijd met de Bijbel acht! Ze is wel kenmerken voor publicaties uit de kring van de Raad van Kerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.