+ Meer informatie

Bruchem restaureert kerk

Ridder Fulco zwom met zijn paard de Maas over

4 minuten leestijd

BRUCHEM - De restauratie van de hervormde kerk in Bruchem is in volle gang. De bedoeling is de kerk, die onder Monumentenzorg valt, zo goed mogelijk in de huidige toestand te conserveren.

Het oudste gedeelte van de kerk, het schip, stamt waarschijnlijk uit de dertiende eeuw. Overigens is het vrij moeilijk om inzicht in het verloop van de bouwgeschiedenis te krijgen. Dit komt doordat het gebouw herhaaldelijk gewijzigd is. Tegen het schip is later een koor opgetrokken. Dit gedeelte is hoger dan het oorspronkelijke gebouw. De kapel aan de zuidzijde van de kerk is waarschijnlijk in de vijftiende eeuw verrezen. Het westportaal moet van rond 1800 zijn, want er bestaat een tekening uit 1787 waarop dit portaal nog niet voorkomt.

De luidklok stamt uit 1650. Op de klok staat het volgende randschrift: „loannes.a.Trier.et. Henricus.fratres.fecerunt.anno domini. 1.6.5.0.". In de kerk is een bord met de Tien Geboden aanwezig uit 1749. Dit bord wordt momenteel ook gerestaureerd. Op het bord staat: „Diakoni van Bruchem vereert dit werck ter eere Godts in dese kerck. Anno 1749". Het credobord stamt uit dezelfde tijd.

Op 11 maart 1560 werd bij pauselijke bul een nieuw bisdom 's-Hertogenbosch opgericht. Dit nieuwe bisdom omvatte krachtens de pauselijke bepalingen ook de Bommelerwaard. Sonnius werd de eerste bisschop. Zowel in de oprichtingsbul als in de beide synoden van 's-Hertogenbosch van 1571 en 1612 wordt Bruchem onder de kerken van dit bisdom genoemd. Ten tijde van de kerkvisitatie van bisschop Sonnius in 1568 behoorde Bruchem tot de parochie Kerkwijk. In de kerk stond één altaar. Dit was gewijd aan Maria.

Uit het feit dat Bruchem in 1612 nog tot het bisdom behoorde, valt op te maken dat de Reformatie hier niet zo snel vaste voet kreeg als elders in de Bommelerwaard. Dit was ook in Gameren het geval. Voor het overige drong de Reformatie in de Bommelerwaard en de Tielerwaard vrij snel door. Reeds in 1526 werd door Gerard Geldenhauer de leer der Reformatie in Tiel vanaf de kansel verkondigd.

Klooster

Brucheih vormde oorspronkelijk een zelfstandige heerlijkheid. Reeds aan het begin van de tiende eeuw is er sprake van „Breghem". Er bestaat een lijst van goederen die aan de Utrechtse kerk zijn geschonken. Dit gebeurde vóór het jaar 960. In de lijst wordt gesproken over „Broghem" en „Brokhem". Het is niet helemaal zeker, maar toch wel zeer waarschijnlijk dat hiermee het dorp Bruchem wordt bedoeld.

In het archief van de abdij van Berne komt een lijst voor van het vrijgoed van dit klooster. Deze lijst stamt uit het eerste kwart van de dertiende eeuw. De goederen werden geschonken door Folcoldus, een vrij en rijk man, en zijn vrouw Bescela. Ook andere gelovigen deden schenkingen. Tot die goederen behoorden stukken land uit veertig verschillende plaatsen. De lijst maakt melding van "Kirkewihc et Bruchem et Dilewinne" (Kerkwijk, Bruchem en Delwijnen). In hetzelfde archief vinden we de "Chronicon Bernense", met daarin de lotgevallen van ridder Fulco van Berne. Hieruit wordt duidelijk waarom de goederen geschonken werden.

Ridder Fulco leefde in de tijd van vorst Lutger (keizer Lotharius III, 1125-1137) en Andreas van Kuyc, bisschop van Utrecht (1128-1137). Fulco bezat een sterk kasteel met toren, ringmuur en stenen kapel.

Ontsnapt

Fulco had belegeringen te verduren van de hertog van Brabant (Godfried I, 1094-1139), van de graaf van Holland (Dirk VL 1121-1157) en van Herman, kastelein van Heusden. Op een gegeven moment liep hij bij Hemert (Nederhemert) in een hinderlaag. Hij ontsnapte op een bijzondere wijze, door met zijn paard de Maas over te zwemmen. Vervolgens beloofde hij dat hij zichzelf en al zijn bezittingen in Gods dienst zal stellen. Fulco trouwde met Bescela van Zumeren (Someren), weduwe van Crafth, een edelman in Maesmond. Hij werd de stichter van de Bemse abdij.

In de dertiende eeuw werden de heerlijkheden Bruchem en Kerkwijk verenigd. Zij werden toen eigendom van de familie De Cock. Deze familie stamt af van de Franse familie De Chatillon. Hier kwam ook hun familiewapen vandaan. Dit wapen is thans het gemeentewapen van de gemeente Kerkwijk. Zowel Kerkwijk als Bruchem waren een lage heerlijkheid. Dat wil zeggen dat er geen recht gesproken werd.

In 1294 wordt de naam van Gerrit de Cock vermeld. Deze ontving Bruchem bij broederdeling na de dood van zijn vader Hendrick de Cock, heer van Kerkwijk. In 1336 en 1359 was er sprake van „heer Gerrit de Cock van Brughem, ridder, amptman van Tielre en Bommelerweerden".

In het archief van de abdij van Berne wordt Gerrit Gherart genoemd. Op 9 oktober 1319 oorkonden Gherart van Raporst, ridder, en Goesewijn van Rossem, knape, dat zij een arbitrale uitspraak deden in het geschil tussen abt en convent van Baeme enerzijds en Gherart de Coc en zijn broer Willem anderzijds aangaande de kerk van Broechem. Abt en convent deden afstand van alle aanspraken op deze kerk. Zij waren vrij van de proceskosten of andere schade en beide partijen mochten geen vergoeding eisen. Ook werd uitgesproken „datsi sellen bliven goeder vriende an beyden siden". Uit het archief wordt de preciese toedracht rond het conflict niet duidelijk. '

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.