+ Meer informatie

Een vertroostende wetenschap

6 minuten leestijd

V

„Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten; maar de Heere zal mij aannemen." Psalm 27 : 10

Als mogen zij er dan van ervaren it 't zal zijn om straks eeuwig aannomen te worden als de ure des ods voor hen staat. Wanneer zij aflost zullen worden uit dit tijdelijke len, en in de hemel zullen ontvann worden. Wanneer dat gebeurt in m leven, dan krijgen zij ook zulk grote familie, zoals ze nimmer had hebben. Een deel in de hemel, een deel op de aarde. Zij krijgen m een geestelijke familie, een band e veel sterker is dan de aardse it geweest is. O God is zo goed voor it volk.

]• zullen immers geleid worden met e blijdschap en verheuging en in- , an in des Konings paleis. : aar ook eenmaal in de grote oor- Isdag, wanneer Christus komt op wolken des hemels om te oordelen levenden en de doden, dan zullen staan aan Zijn rechterhand, en or allen zal het dan zichtbaar ^ijn, t zij door God zijn aangenomen. ier moest de duivel hen, loslaten, aar hij heeft hen gekweld zolang zij de aarde waren. Wat een vijand- !hap hebben zij menigmaal van de ereld ondervonden, en wat zijn zij ier vaak vervolgd en benauwd georden. Doch dat is nu alles aan het nd. God schaamde Zich niet om un God genaamd te worden, terwijl j op de aarde waren, en nu mogen ij ingaan in de vreugde huns Heen.

geliefden mogen en kunnen wij nu k zo spreken gelijk David daar rak? 't Is voor elk 'n persoonlijke ak. Wie in het midden van ons eeft geen doden te betreuren? Hoe iele slagen vallen er gedurig in ons ven, en wie onzer staart niet op lejge plaatsen in zijn familie en in jjn huis? Hoevele mensen zitten er rouw neder! Wij allen, de een oeg en de ander laat, moeten door- |ven wat de werkelijkheid van het , ., ven is.

Maar boven dat alles, is er nu in ons leven wel eens een tijd aangebroken t wij alleen op de wereld stonden? „Daar niemand zorgde voor mijn iiel? " et zal wat zijn wanneer al de slasn die vielen, en al de rouw die pvam in ons huis en hart, nooit een ferucht heeft afgeworpen voor de eeuwigheid. Schrikkelijk is het, wanneer de Heere moet zeggen: „Ik heb ze geslagen, maar zij hebben geen ijn gehad." En nu zullen de slagen [et op zichzelf niet doen, o neen, het •gt wel voor onze rekening, en het 1 eenmaal wel van onze hand wor-, |en afgeëist, maar de ervaring leert het, dat God Zelf er toch in mede moet komen. In Egypte kwam er eenmaal rouw in alle woningen toen God de eerstgeborenen sloeg, maar zodra ze begraven waren, gingen zij Israël weer achterna. En dat is nu het beeld van de natuurlijke mensen. O dat het God behagen mocht uwe harten te verbreken door de onwederstandelijke kracht des Heiligen Geestes. De ure mocht toch eens aanbreken, dat de doden zullen horen de stem des Zoons Gods en die ze gehoord hebben zullen leven.

Wanneer God onze ogen opent dan zullen wij gewaar worden, ' dat God onze vader niet meer is. Wij scheurden ons immers uit dat Vaderharte los, en nu is de duivel onze vader geworden. Maar ook de kerk is onze moeder niet meer, tenzij wij in Sion worden geboren. Een mens die door God wordt bewerkt, krijgt te zien dat hij tegen een heilig rechtvaardig en goeddoend God gezondigd heeft. Wij gaan niet verloren, maar wij liggen verloren. En dan krijgen wij ook te zien dat God van Zijn recht geen afstand doen kan. Doch voor dezulken komt er ook een tijd aan te breken dat waar zij Gods recht mogen billijken en goedkeuren hun oog geopend wordt voor Die Christus, Die aan het recht Gods voldeed, en Zijn volk weer terug bracht in de gemeenschap Gods. En dat gezicht, de omhelzing van die Persoon door het geloof geeft aan ons hart vertroosting, geest en leven.

De Heere moch tot die einden Zijn Woord nog zegenen aan uwe harten. Kinderen, waar uw vader en uw moeder nog leven, o waardeert hen toch. Hebt ze lief, zijt hun gehoorzaam en onderdanig. Trapt niet op hun hart, maar eert hen als degenen, die door God u gegeven zijn om u op te voeden. Allerwege is zulk een losheid en onverschilligheid, dat de ouders niet meer geacht worden. Maar bovenal de Heere mocht u bekeren. Gij zijt nog in het heden der genade, in de welaangename tijd, in de dag der zaligheid. Dat de goedertierenheden nog mochten leiden tot bekering. Dat de wereld nog eens wegviel voor u. De zonde mocht gaan drukken, en de liefde gaan trekken.

En aan de andere zijde: God en de wereld dienen dat kan niet. Het ene moet wegvallen, zal God waarde voor ons krijgen. God eist ons gehele hart. Bedenk ook, dat alles wat wij aannemen, zonder aangenomen te zijn, bij de dood zal wegvallen. Het is maar geen as die wij aantrekken. Gods werk zal in ons verheerlijkt worden. O kinderen, jongens en meisjes, dat door wederbarende genade uw vader uw broeder nog eens worden mocht, en uw moeder uw zuster. Dat zou wat groot zijn; een wonder Gods. Er is nog een volk, dat als een ongelukkige over de wereld gaat, schreeuwend onder de schuld en zonde, de Heere achterna klagen, o dat de tijd nog eens aanbrak dat God van vrede tot uwe ziele sprak. Geef de moed niet op, maar dat ge moogt uitzien bij dagen en bij nachten dat die deur van vrije genade nog eens open ging. 't Zou zo meevallen. En dan dat kinderlijk geloof in zijn oefening, mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen. Dat geloof overwint de wereld. Dat geloof breekt door alles heen. Het verlaat zich op de Heere, op Die God Die niet liegen kan, en Die Zijn volk niet altijd in het verdriet zal laten.

God losse het nog eens op voor al dat ellendige volk dat zich nergens bij voegen kan. Het zou toch de gelukkigste dag van uw leven zijn, wanneer God niet langer uw Rechter, maar uw Vader door Christus was gewor­ den, verzoend in dat dierbare bloed des Zoons. De Heere Jezus zou dan uw oudste Broeder zijn, en met medeweten voor uzelven zoudt ge dan een levend lidmaat van de kerk zijn, om het eeuwig te blijven.

En heeft het plaats gehad, dat wij een naam kregen beter dan der zonen en dan der dochteren; o volk, 't is alleen om die vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. Dat heeft God u toch geleerd door genade.

Telkens lopen wij weg, en terugkeren kunnen wij niet. Dat ge maar steeds weer aangenomen werd, en hersteld in de genadestaat door de Middelaar Jezus. O wat zal het zijn eenmaal aangenomen te worden voor eeuwig, en dan tot Sion mogen komen met gejuich! Dan za] eeuwige vreugde op uwe hoofden zijn, treuring en zuchting voor eeuwig wegvlieden. Vertroost elkander met deze woorden. Amen.

Gr. R. Ds. L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.