+ Meer informatie

DE EENHEID ONDER GEREFORMEERDE BELIJDERS

38 minuten leestijd

1. Inleiding

De vraag die het Landelijk comité ter voorbereiding van ouderlingen- en diakenenconferenties der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland aan de orde stelt, is op velerlei manier en indringend ter sprake geweest in de laatste jaren. Synodes hebben er zich mee bezig gehouden. Zij vormde een thema op enkele bondsdagen binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt: hoe kan het komen tot een hereniging van allen die van harte de Schrift liefhebben en de gereformeerde belijdenis onderschrijven. Het comité dat de conferentie van vandaag organiseerde, verzocht mij een inleiding te houden op de bespreking van de kwestie, wat aan de eenheid onder de gereformeerde belijders in de weg staat. Daarbij werden een aantal mogelijkheden genoemd, die we hier vermelden. Is het een verschil in geloofsbeleving of zijn het accentverschillen in de prediking? Is er sprake van principiële verschillen die onoverbrugbaar zijn, of vormen misschien ook de organisatorische structuren van de kerken een belemmering? Hoe kan in dit kleine land onder het volk van God zoveel afstandelijkheid, verwijdering en verscheurdheid bestaan? Is de theologie als wetenschap daaraan misschien ook debet? Moet het ons verwonderen dat de buitenkerkelijke wereld bij het zien van al die geestelijke verwarring de kerk, met haar geringe werfkracht naar buiten, de vraag stelt: ”Heeft God het nu zo moeilijk gemaakt of maken jullie kerkmensen het zo ingewikkeld?” In een van de laatste nummers van De Wekker bracht de voorzitter van deze vergadering, br. Koole, het thema van vandaag in verband met de geestelijke schraalheid, die er blijkens waarnemingen van buitenstaanders, binnen de kerken heerst. Er zijn opinies genoeg. Zij zijn het die de gemeenten uiteindelijk verscheurd houden. Maar het geheimenis van de verlossing in Christus, waar ons verstand bij stilstaat, is te veel inzet van een beschouwing, waarbij opiniërende christenen de beleving van het heilsmysterie niet kennen.

Gevolg is verstarring, verstening en het teloorgaan van de verwondering. Dat gevoegd bij de vanzelfsprekendheid, waarmee in de beschouwing van allerlei geloofszaken ook onder reformatorische christenen tot elke prijs het eigen gelijk wordt vastgehouden, is een situatie ontstaan, waarbij veel jongeren bij die manier van omgaan met de dingen geen aansluiting meer voelen en het òf laten afweten of de richting inslaan naar godsdienstige groeperingen met een geestelijk klimaat waarin het beschouwelijke element veel minder en het gevoel veel méér accent krijgt.

De vragen die vandaag voor ons liggen, zijn ingrijpend van aard voor een ieder die de kerk liefheeft. In deze gezindheid van liefde tot de kerk willen we erover spreken, in een gevoel van hartelijke verbondenheid met het wonder van de gemeente in deze wereld. We zullen de vragen alleen dan kunnen bespreken, wanneer de interesse voor de záák van de kerk ons innerlijk niet vreemd is.

Maar zo moeten zij ons ook tot een eerlijk zelfonderzoek leiden. Wij spreken over kerkelijke eenheid in een tijd, waarin het begrip eenheid centraal staat.

Wie nog voor slechts één jaar gesproken zou hebben over de eenheid van Duitsland, hem zou een weinig realistische kijk op de dingen zijn toegeschreven. Maar Duitsland is herenigd. Over geen twee jaren zal een oud ideaal tot op zekere hoogte in vervulling gaan: het Westen zal in een verenigd Europa aan een eenheid zin geven, die schrijnend moet zijn voor een zo sterk verdeelde kerk in hetzelfde Europa.

In 1992 zal het honderd jaar geleden zijn dat een kleine groep christelijke gereformeerden wilde blijven staan bij hetgeen voor hen onopgeefbaar was. ”Broeders, sluit thans nog niet de door zo velen gevreesde vereniging”. De meesten van u zijn ambtsdragers in de kerken, die hun historie langs de lijn van deze verklaring zien lopen.

Bezinning op de vraag, hoe lang wij zullen kunnen blijven zeggen: ”thans nog niet”, moet op deze bijeenkomst plaatshebben. Wij vergeten daarbij niet, dat we in het werk van deputaten niet kunnen of willen treden, en evenmin, dat wij hier geen synode vormen die, in welke richting dan ook, maar besluiten zou kunnen nemen. Bezinning zoeken we en gesprek, zodat wij als ambtsdragers toegerust, ons werk kunnen verrichten op een zinvolle manier, ook wanneer het over de diepe vragen van de kerkelijke eenheid gaat.

Dat we geen gesprek voeren op een abstracte manier wordt ons duidelijk wanneer we de deelnemers aan het discussiepanel bij ons zien. Ons onderwerp is: kerkelijke eenheid van gereformeerde belijders. De tijd voor de bespreking van het thema is kort. Om deze zo goed mogelijk te benutten wil ik enkele opmerkingen maken over de zaak, over de noodzaak en over de mogelijkheid van de eenheid der gereformeerde belijders in deze landen.

2. De zaak van de kerkelijke eenheid

Wanneer het gaat om de záák van de kerkelijke eenheid willen wij voor alle dingen luisteren naar het getuigenis van de Schrift. Deze verbindt aan de eenheid van de kerk de verwijzing naar de Drieënige God zelf. De trinitarische grondslag van de kerk vormt het fundament van haar eenheid bij alle verscheidenheid.

Hier zij herinnerd aan het woord dat Christus sprak tot zijn Vader, en dat niet gemakkelijk terzijde gesteld kan worden (Joh. 17 : 20-23): ”En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun Woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij Vader in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn, opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn gelijk wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt”.

De zaak van de kerkelijke eenheid is de zaak van de Drieënige God zelf, van de heerlijkheid van Christus, van de geloofwaardigheid van het getuigenis van de kerk ten overstaan van de wereld. Die zaak is nauw verbonden met de eeuwige liefde die God voor zichzelf heeft en die Hij in Christus betoont aan de zijnen. De diepste kern van het evangelie: eeuwige, goddelijke liefde, is op het allernauwst verbonden met de eenheid van de gemeente.

Duidelijk blijkt dit uit de beelden die de Schrift gebruikt om het wonder van de gemeente aan te duiden. De kerk is het volk van God, dat bij alle verscheidenheid van Israël in het Oude Testament, toch één volk is. Het volk van God, dat het Oude en het Nieuwe Verbond omvat. De eenheid en de verscheidenheid van het Oude en het Nieuwe Verbond staat model voor de eenheid die er is tussen het volk van God, van alle tijden, van alle plaatsen.

Een tweede beeld, bijzonder sterk uitgewerkt in het Nieuwe Testament, is dat van het lichaam van Christus. Het is méér dan slechts een beeld: het is de hoogste realiteit, die zich laat verbeelden, de eenheid van Christus en de Zijnen. Het zijn de teksten uit 1 Cor. 12, Rom. 12 en Ef. 4, die op een heel bijzondere manier binnen de gereformeerde traditie zijn gaan functioneren. Zij hebben vooral betrekking op de onverbrekelijke relatie tussen het Hoofd en de leden. Kerk is relatie met Christus. De gereformeerden hebben dit Hoofd-zijn van Christus genomen als uitgangspunt voor het vestigen van een kerkelijke orde, die de opbouw van de gemeente ten doel had.

En dan is er het derde beeld, dat de zaak van de eenheid nabij brengt: dat van de tempel, een tempel nl. niet met handen gebouwd, maar door het werk van de Geest tot stand gekomen. Hij bouwt op het fundament, dat gelegd is en dat onvervangbaar is: Christus. De Geest voegt levende stenen in op dit fundament, zodat het vast gebouw verrijst, naar het gemaakt bestek.

De eenheid van de gemeente heeft zo bezien een trinitarisch aspect, volk van God, Lichaam van Christus, tempel van de Heilige Geest: het zijn deze beelden, die ons doen denken aan het werk van Christus. De gemeente is ”in Christus”. Dit christologische centrum van de gemeente staat in verband met het ene werk van de drieënige God: in Christus is de gemeente verkoren, in Hem heeft zij de verlossing. In Hem ontvangt zij ook de verzegeling met de Geest.

Dit trinitarisch-zakelijke geeft ook een eeuwigheidsdynamiek aan de kerk. Als God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest bezig zijn met hun volk, met het Lichaam van Christus en met de bouw van de tempel, dan is er van stilstand geen sprake.

De kerk is, zo leert ons de Schrift, en de catechismus zegt het de Schrift na, geen substantief, geen zelfstandig naamwoord, maar een werkwoord, waarvan Christus het onderwerp is. Christus vergadert, beschermt en onderhoudt zijn gemeente. De eenheid van Zijn werk waarborgt de eenheid van de kerk. Zijn werk is er garant voor dat er straks één schare voor de troon zal staan, hoe verscheiden ook, toch als één volk. Naar die toekomst is de gemeente onderweg. Zo spreken wij over de kerk vanuit de zaak van het evangelie. God zal zijn belofte vervullen.

Juist daarom is de eenheid ook een kwestie van heiligheid. Zeer terecht is er sprake van de Una Sancta. Men kan over de eenheid niets zeggen buiten de heiligheid om. De eenheid is een eenheid in Christus, waarbij dit ”in Christus” Paulinisch is op te vatten. Dit ”in Christus” heeft vierderlei aspect. Allereerst een juridisch aspect. Wij worden in Christus gerekend. Maar het juridische is er nooit zonder het ethische. We worden ook ”in Christus” vernieuwd. En dit ethische is er nimmer zonder het mystieke, d.w.z. het heeft slechts betekenis in de mystieke unio met Christus, door het geloof aan Hem verbonden. Deze drie aspecten echter ontvangen hun betekenis in het vierde, nl. in het kerkelijke aspect. ”In Christus”: dat is ook een aanduiding van de verbondenheid die de gelovigen elk en een ieder met Hem hebben, maar dan ook met elkaar.

Vanuit deze eenheid worden de andere eigenschappen van de kerk bepaald. De samenhangen die hier gelden, zetten een stempel op de eenheid. De kerk is apostolisch in haar verbondenheid met het Christusgetuigenis van de apostelen. De kerk is katholiek, d.w.z. er is alle ruimte voor verscheidenheid. De verscheidenheid hoort er naar gereformeerde opvatting wezenlijk bij. En zo is er ook sprake van de heiligheid van de kerk: in verbondenheid met Christus. Die heiligheid is niet op te vatten in de zin van het donatisme, het labadisme of het independentisme, die allen de heiligheid zoeken in het innerlijk subjectieve beleven. De heiligheid is, zo zegt Calvijn, een heiligheid in de belofte van het evangelie en zij is een zaak van werkelijke eschatologie, d.w.z. van de grote toekomst van Christus. Dat sluit het perfectionisme volkomen uit. Ook ten aanzien van de kerk en haar eenheid geldt het woord van de apostel: niet dat ik het reeds gegrepen zou hebben, of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag er naar om het te grijpen, waartoe ik ook door Jezus Christus gegrepen ben. De volmaaktheid ligt achter ons: in het volbrachte werk van Christus aan het kruis, en zij ligt voor ons: wanneer God zal zijn alles en in allen. Dat hangt samen met de zaak van het evangelie!

Deze zaak van de eenheid is in de belijdenis van de kerk duidelijk tot uitdrukking gebracht. De catechismus spreekt over het éne werk van Christus, dat de eeuwen omspant. Het raakt het ganse menselijke geslacht. Achter de éne gemeente staat de ene en ondeelbare eeuwige liefde van Gods verkiezing. De eenheid is een eenheid van het ware geloof. Maar alles wat over de kerk gezegd wordt, wordt samengevat in de activiteit van Christus. Hij is het die vergadert, beschermt en onderhoudt. Dat is de zaak waarop het aankomt en waarvoor Hij staat.

Opvallend breed wordt in de Ned. Geloofsbelijdenis over de kerk gesproken. Niet minder dan zes artikelen zijn eraan gewijd. Uitgangspunt is de katholiciteit of algemeenheid van de kerk. Ook hier is het christologisch motief bijzonder zwaar: Christus is een Koning die niet zonder onderdanen kan zijn. Door de kracht van het geloof wordt zij verenigd met hart en wil door één en dezelfde Geest. Maar deze algemene kerk krijgt een adres, in de plaatselijke kerk, waar men zich onder het juk van Christus heeft te voegen, om daar deel te nemen aan de opbouw van de broeders.

Deze echte of ware kerk is duidelijk te herkennen. Over de merktekenen van de kerk wordt gesproken in de zin van de Reformatie, over de merktekenen van de christenen eveneens. En deze twee categorieën worden niet van elkaar gescheiden. Ik moet lid zijn van de ware kerk. Maar ik moet daarvan ook een waar lid zijn, niet alleen in de kerk, maar ook van de kerk.

In de belijdenis is verder sprake van de regering van de kerk, de orde die er moet heersen, en de tucht die haar moet kenmerken. En in overeenstemming met wat de belijdenis zegt, is er dan de gereformeerde kerkorde, waarvan sommige grondtrekken confessioneel zijn vastgelegd.

Evenals de belijdenis, zo kent ook de gereformeerde kerkorde slechts één kerk. Die is daar ter plaatse, waar het evangelie zuiver wordt verkondigd, de sacramenten worden bediend en de tucht wordt gehandhaafd. De gereformeerde kerkorde dient om te zorgen dat de ware kerk een ware kerk blijft. Deze dingen hebben onder ons volkomen zekerheid. Maar het is de vraag of altijd voldoende tot ons doordringt dat daarmee de eenheid van de kerk is gegeven: Schrift, belijdenis en kerkorde, zij vormen het fundament voor de eenheid van de gemeente. En dit niet slechts in formele zin.

De Schrift is fundamenteel, omdat zij het middel is, waardoor de Here Christus zijn werk doet. De belijdenis is in een andere zin en op een ander vlak fundamenteel, omdat zij de weerklank biedt van wat de gelovige uit de Schrift heeft verstaan, zodat zij elkaar daarin herkennen. En de orde van de kerk is er om te zorgen, dat het Woord zijn werk kan doen en kan blijven doen. Wij binden ons aan een kerkorde, omdat we weten dat het Woord niet en nooit gebonden mag zijn. Het moet in vrijheid zijn weg kunnen gaan om de heerschappij van Christus te vestigen in de harten en huizen van de mensen.

Maar alle drie, de Schrift, de belijdenis en de kerorde, kennen slechts één kerk: het volk van God, het Lichaam van Christus en de tempel van de Geest. Deze schriftuurlijke, confessionele záák raakt, zoals we zeiden, de kern van het ene evangelie zelf, en wel zo duidelijk, dat het onmogelijk is om door middel van enkele theologische kunstgrepen ons van deze zaak af te maken.

De anabaptisten maakten er reeds in de tijd van de Reformatie de gereformeerden een verwijt van, dat zij ten onrechte de nadruk legden op de onzichtbaarheid van de kerk. Dat was een ontsnappingsluik, dat zij naar de mening van deze dopers gebruikten om aan de concrete werkelijkheid te ontkomen. Tegenover dit verwijt willen we blijven zeggen, dat alleen de HERE degenen kent, die de Zijnen zijn. En dat er derhalve meer is dan hetgeen wij waarnemen. Dat het derhalve zinvol is om over de onzichtbare zijde van de kerk te blijven spreken. Maar tegelijk moeten wij aan de onlosmakelijke verbondenheid blijven vasthouden, die er is tussen de zichtbare en de onzichtbare zijde van de kerk. Deze twee blijven op elkaar betrokken.

Het is in strijd met de bedoeling van de belijdenis om de eenheid van de kerk te zien als een eigenschap van de onzichtbare gemeente. In strijd is het met het gebed van Christus, die uitdrukkelijk de zichtbaarheid van de kerk betrekt op haar eenheid en omgekeerd. Zo heel gemakkelijk zegt men dan: wat maak je je druk over de eenheid van de kerk, de kerk is immers één?

Een tweede ontsnappingsluik bracht men aan door te gaan spreken over de pluriformiteit van de kerk. Kuypers opvatting daaromtrent is bekend. Zij is echter in strijd met de bedoeling van de belijdenis. Het onderscheid tussen ware en valse kerk dient niet om het kerkisme als een vorm van collectieve werkheiligheid in het leven te roepen. Zo spreekt de belijdenis er niet over.

Maar de belijdenis kent evenmin die vorm van relativering van de kerk, waartoe de theorie van de pluriformiteit van de kerk moet leiden. Het zoeken van kerkelijke eenheid wordt erdoor bemoeilijkt.

De belijdenis laat evenmin ruimte voor een plurale kerk, waar men bij gebrek aan een confessionele basis ieders religieuze ervaring wettigt, zonder te vragen naar conformiteit met de Schrift. Wel moeten we nimmer vergeten, dat er binnen de éne gereformeerde kerk altijd oog is geweest voor verscheidenheid. Zij is er binnen de Nederlandse gereformeerde kerk altijd geweest. Er waren binnen het raam van de ene belijdenis allerlei variaties mogelijk, zoals onze kerkgeschiedenis duidelijk laat zien. Wanneer we de verscheidenheid binnen het ene belijden zouden ontkennen, zouden we de katholiciteit van de kerk verschralen. Er komt dan gemakkelijk een sectarisch element in het spel. En een groot gevaar loopt in dit geval de katholiciteit van de gereformeerde vroomheid, wanneer we de verscheidenheid binnen de ene gereformeerde kerk niet voldoende honoreren.

Maar die verscheidenheid dient wel te vallen binnen het raam van de ene grondslag van Schrift, belijdenis en kerkorde. Zo is zij er altijd geweest. Zo moet zij er ook blijven. Zij moet de veelkleurige wijsheid Gods, ook de menigerlei genade van God duidelijk laten uitkomen. Ook dat behoort bij de záák van de kerkelijke eenheid: de veelkleurigheid in geloofservaring, waartoe het werk van de Heilige Geest immers leidt.

De Geest is de Creator Spiritus. Hij eerbiedigt zijn eigen rijk geschakeerde werk, zoals dit binnen de schepping uitkomt, ook in de herschepping. En daardoor wordt de geestelijke vernieuwing nimmer eentonig. Zij is rijk als het leven zelf. Eenheid is geen eenvormigheid. Eenheid is een zaak van leven uit Christus door de Geest, bij de Schrift met alle heiligen. Dat is de záák van de eenheid, zoals wij die als beginsel zien van alle spreken over de toenadering der gereformeerde belijders.

3. De noodzaak van de eenheid onder gereformeerde belijders

Met dit alles is eigenlijk reeds voldoende gezegd over de noodzakelijkheid om te trachten allen die werkelijk gereformeerd willen zijn, bijeen te brengen. Willen wij datgene wat aan werkelijk gereformeerd belijden hier te lande nog steeds aanwezig is bij de záák van het evangelie bewaren, dan dienen wij alles te doen om de eenheid van de kerk te bevorderen. De zaak van de eenheid is de andere kant van de éne zaak, waarover het gaat wanneer de dingen komen te staan onder het licht van de eeuwigheid. Daarom zouden we hiermee kunnen volstaan: willen wij gereformeerd blijven, dan moeten we het met elkaar blijven.

Maar deze beantwoording van de vraag lijkt al te simpel. Daarom brengen we enige specificatie aan in de volgende negen stellingen.

1. De eenheid der gereformeerde belijders is noodzakelijk als antwoord op de breed en diep om zich heengrijpende secularisatie. Deze doorgaande verwereldlijking draagt een totalitair karakter. Er is geen levensterrein, dat niet door het leven-zonder-God is aangetast. Het maatschappelijke, politieke en sociale leven dreigt ten onder te gaan aan een leven zonder ethiek. De kerk heeft een woord, een verlossend woord te spreken. Maar haar gebrokenheid werkt door in maatschappelijke zwakheid. Het getuigenis van christenen in de wereld lijdt aan ongeloofwaardigheid. De dienst aan de naaste heeft slechts geringe overtuigingskracht. Het ideaal van de theocratie, zoals dat door de vaderen werd hoog gehouden, heeft geen zeggingskracht meer in onze tijd, die door de democratie is heengeslagen in een wereld van wetteloosheid, waarin de bescherming tegen criminaliteit om hoge voorrang vraagt. De kerken dienen tot elkaar te komen om in deze tijd het Woord van God overtuigend te kunnen spreken.

2. De eenheid van de gereformeerde belijders is noodzakelijk, omdat zij uitdrukking kan geven aan de werkelijkheid, dat het gereformeerde belijden een krachtig middel is tegen elke vorm van vage, onbelijnde religiositeit, waaraan onze tijd zo rijk is. Het zoeken naar authentieke ervaring, dat het zoeken van velen is geworden, zou zo door een krachtig gereformeerd leven kunnen worden bevorderd en genormeerd. Het ideaal van een werkelijk gereformeerde kerk komt tegemoet aan het verlangen naar warmte van geloofsbeleving en geloofsgemeenschap, zonder dat deze beleving behoeft om te slaan in een gevoelsmatige gemoedelijkheid, die ware diepgang mist. Het is van meer dan een zijde betoogd, dat het gereformeerde belijden het materiaal in huis heeft, waarom men in de kringen van evangelicalen roept: gemeenschapszin binnen duidelijke structuren en tegelijk ruimte voor ervaring, die de toets van het belijden niet schuwt.

3. De eenheid van de gereformeerde belijders is noodzakelijk ook in kerkelijk opzicht, omdat elk afwijzend gebaar ten opzichte van het in gang zijnde proces van Samen op Weg van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde kerken zinloos is, zolang zij die werkelijk willen staan op de bodem van Schrift en belijdenis, geen serieuze pogingen doen om elkaar te vinden.

Men spreekt soms over de ”religie van de belijdenis”. Die term blijft volkomen onduidelijk, zij werkt zelfs grote misverstanden in de hand, zolang deze religie van de belijdenis wel geldt, wanneer het gaat om de drie bekende stukken van de Heidelbergse catechismus, of wanneer daarbij gedacht wordt aan de belijdenis van de verlorenheid van de mens en de noodzaak van de wedergeboorte en de bekering van de mens tot God, terwijl men de religie van het belijden geen gestalte weet te geven, wanneer het gaat over de kerk, over de eenheid van de kerk, over het werk dat Christus door haar in de wereld doet.

Het Samen op Weg van de gereformeerde belijders zou een teken kunnen zijn, waaruit ware religie als uiting van ware vroomheid en echte dienst aan de Here God blijkt. Alles pleit er voor, om te trachten alle gereformeerden op deze weg naar kerkelijke eenheid samen te brengen. Christus vergadert, beschermt en bewaart Zijn kerk. Het begint met vergaderen, bijeenbrengen. Laten allen, voor wie deze belijdenis een werkelijkheid betekent, haar toepassen op het zich laten vergaderen tot één gemeente, in het geloof, dat Christus bezig is om te vergaderen: samen op één weg.

4. De eenheid van alle gereformeerden is vereist voor een gezonde ontwikkeling van de bevinding van ons geloof. Wat we eerder opmerkten over de katholiciteit van de spiritualiteit, zou ik nu willen toepassen op de katholiciteit van de gereformeerde vroomheid. Deze wordt gekenmerkt door op z’n minst drie trekken: de diepe eerbied voor de verkiezende genade. De volle nadruk op de verzoening in Christus. En eveneens de geestelijke betekenis van de kerk als middel, als gemeenschap en als heiligingsinstituut. Gereformeerde vroomheid verschraalt, wanneer zij alleen over de verkiezing weet te spreken. Alle leven hier en nu wordt dan onwerkelijk. De voorbeelden liggen voor het grijpen, dat met deze vereenzijdiging de werkelijkheid van het zondaar-zijn vervluchtigt, het heil eveneens vervluchtigt tot wat zich in de eeuwigheid heeft afgespeeld. Eenzijdige nadruk op de verzoening verobjectiveert alle leven in de gemeente, die dan als verzoende gemeente zich nog slechts heeft te houden aan het volbrengen van de geboden. En een eenzijdige nadruk op de kerk kan leiden tot wat ik eerder noemde het verschijnsel van de collectieve werkheiligheid.

Men kan in verschillende kerkelijke instituten in Nederland dergelijke vereenzijdigingen constateren. Daarom is het noodzakelijk, terwille van de katholiciteit van de gereformeerde vroomheid, dat gereformeerde christenen elkander met inspanning van alle krachten zoeken.

De gereformeerde gezindte wordt vandaag op allerlei manier onder druk gezet. Een van de gevaren die daarbij dreigen, is dat, als ik het met historische begrippen zou mogen zeggen, orthodoxie en piëtisme tegen elkaar worden uitgespeeld. Zonder verwijzing naar het verleden zou ik kunnen zeggen, dat de ware leer het vrome leven niet kan missen en omgekeerd. De bevinding verschraalt, de leer verdort, als er geen goede bijbelse kerk achter staat. Omgekeerd: als de ervaring kwijnt en de kennis verdwijnt, gaat ook de ware eenheid van de kerk verloren.

5. Wat van de vroomheid geldt, kan van de prediking ook gezegd worden: zij vraagt om een kerk waarin de eenheid van de Geest gevonden wordt. Dan vormen accentsverschillen in de prediking ook geen belemmering, eerder een verrijking van het kerkelijke leven. De geschiedenis van de homiletiek is daarom bijzonder boeiend, omdat zij voorbeelden geeft van de grote verscheidenheid waarmee de eeuwen door de prediking is beoefend. Het is nauwelijks in te denken, hoezeer de methoden van de prediking hebben verschild tussen de grote kerkvaders, tussen de reformatoren, tussen de predikers in één en dezelfde stad, als we denken aan Straatsburg en Genève in de zestiende eeuw. Van accentsverschillen is er altijd sprake geweest in de kerken van de Afscheiding, men behoeft er de lastbrieven van de nimmer gehouden synode van 1843 maar op na te slaan. Accentverschillen, wanneer het ging om de opbouw van de preek, om de aanpak van de exegese, om de prediking van de belofte en de aanbieding van Christus in de belofte. Maar deze verschillen bevorderen binnen de éne gereformeerde kerk de eenheid, terwijl zij in een aan alle kanten verdeelde gereformeerde gezindte de verdeeldheid stimuleren. Het eigene van wat binnen de diverse denominaties zondag aan zondag van de kansel klinkt, laat dan geen ruimte open voor andere accentuering. De mensen worden veeleer kittelachtig van gehoor in plaats van hongerig en dorstig van ziel.

Binnen een gereformeerde kerk, die van hart begeert te staan op de basis van Schrift en belijdenis kan daarentegen de verscheidenheid in prediking een weldaad zijn, waardoor de boodschap van het evangelie rijker gaat spreken.

6. De eenheid van alle gereformeerden is vereist, omdat dan eerst duidelijk kan worden waar en wanneer er sprake is van principiële verschillen en waar en wanneer het gaat om bijkomstigheden. Tot nu toe hebben wij, zoals de geschiedenis leert, dikwijls kennis kunnen maken met het omgekeerde: er zijn kerken gescheurd om redenen, die elk wei-menend christen zal omschrijven als bijkomstigheden.

De hevigste kerkelijke twisten die ons uit de geschiedenis van de gereformeerde vluch-telingengemeenten bekend zijn, betroffen middelmatige zaken, onverschillige zaken, ”adi-aphora”. leder gaf toe, dat het zaken waren waarmee men niet kon leven of sterven. Niettemin werd daarom soms het lichaam van Christus verscheurd.

De geschiedenis van het gereformeerd protestantisme in Nederland laat ons met verlegenheid terugzien op de tijd van de oorlog. Synodale schuldbelijdenissen zijn niet meer bij machte om dit verleden te bedekken: men eiste een handtekening onder de formulering van de geheimen die alleen de Geest kent. Ik noem dit geen bijkomstigheden. Maar is het niet beschamend, dat men deze eis stelde in 1942 en volgende jaren, terwijl men vandaag, nu het gaat om die waarheden, die God ons klaar in zijn Woord heeft geopenbaard, als omtrent de verzoening, de opstanding van Christus, meningen en uitingen tolereert die met het Woord van God in strijd zijn.

Kerk-zijn, gereformeerd kerk-zijn betekent iets anders, dan een partij bijhouden, een identiteit bewaren, desnoods tegen het duidelijke Woord van God in. Het gaat in het gereformeerde belijden niet om een denominatie. Het gaat om en over de kerk. Wanneer alle gereformeerden, ik bedoel hen die het in waarheid willen zijn, bijeen zouden kunnen komen, zouden wij geen kerkformatie in stand behoeven te houden met eigen, soms krampachtige middelen, maar we zouden het prachtige wonder kunnen beleven, dat wij principiële verschillen tot op het uiterste willen aanwijzen en afwijzen, terwijl we tevens in staat zouden zijn om bijkomstigheden met het zout van het evangelie te nemen.

7. De eenheid van de gereformeerde belijders is noodzakelijk met het oog op de wezenlijke functionering van de gereformeerde kerkorde. De meeste kerken van de gereformeerde gezindte hebben een kerkorde, die haar oorsprong vindt in de bepalingen van Dordt. Deze kerkorde geeft regels voor een kerkelijke structuur, waarin de gemeente als avondmaalsgemeente zich in de wereld manifesteert. De verkondiging van het Woord en de bediening van de sacramenten staan beide in nauwe relatie met de kerkelijke tucht, die immers naar de zienswijze van de confessie te beschouwen is als een kenmerk van de kerk.

Maar onze kerkorde kent geen kerkelijke verdeeldheid. Zij gaat uit van de plaatselijke kerk, waar de sleutelmacht bediend wordt en waar mensen worden gebonden of ontbonden, met een ernst die tot in de hemel reikt. De feitelijke situatie is echter geheel anders. De kerkelijke tucht wordt gefrustreerd doordat men gemakkelijk van kerk tot kerk steeds voort kan gaan. Het is slechts één voorbeeld, waaruit blijkt hoe schadelijk en nadelig de kerkelijke verdeeldheid werkt. Op een van de meest wezenlijke punten functioneert de kerkorde niet gelijk het behoort.

Maar ook de gehele gedachte die achter de gereformeerde kerkorde zit, is door de verdeeldheid van de kerk zoekgeraakt: nl. dat de kerk zich met kracht op de vorming van een gemeenschap binnen de kerk richt, om met evenveel kracht zich als kerk tot de wereld te kunnen richten. Een diaconale kerk, een missionaire gemeente, een getrouwe presbyteriale gemeenschap zou van onnoemelijke zegen kunnen zijn voor de samenleving. Er zou een eind kunnen komen aan het geëxperimenteer met ambten en functies, een eind ook aan de grenzeloze devaluatie waarin het denken over de orde van de kerk is terecht gekomen. Er zou een zinrijke bijdrage kunnen worden geleverd aan het inzicht, dat orde en Geest geen tegenstellingen zijn, maar dat de Geest zijn eigen orde schept naar de Schrift, zoals onze belijdenis het aangeeft.

8. De eenheid van de gereformeerde belijders is noodzakelijk met het oog op een krachtige herleving van de gereformeerde theologie. Kerk en theologie behoren bijeen in die zin, dat de theologie niet de kerk schept, maar dat de kerk de ruimte is, waarbinnen de theologie wordt bedreven. De verdeeldheid van de kerk heeft de opdeling van de theologie met zich meegebracht.

Theologische onderwerpen werden voor het oog van de gemeente uitgebouwd tot de forten en citadellen waaruit de kerken elkaar bestookten. Zo is aan de leer van het verbond een zeer oneigenlijke functie toegevallen. In plaats van een werkelijke troost in het leven der gelovigen werd het verbond van God een middel om kerken tegenover elkaar af te grenzen, waarbij zeer oneigenlijke onderscheidingen een dienst moesten verlenen. De keuze van de theologische zwaartepunten werd niet gemaakt aan de hand van de plaats die eraan wordt toegekend in het geheel van de openbaring Gods, maar aan de hand van de kerkelijke, ik bedoel de denominationele waarde, die aan zulk een locus werd toegekend.

In plaats dat de theologie in dienst stond van de kerk werd zij de meesteres, die ging heersen. Zij schreef voor waar de beslissingen zouden moeten vallen. En de superioriteit waarmee theologen de leiding namen in het kerkelijke leven, werkte niet altijd even gunstig. Er is waarheid in de titel van het boek, dat geschreven werd door ds. Lindeboom over het verval van het gereformeerde leven: ”De theologen gingen voorop”. De kerkelijke strijd kwam voort uit de twist van theologen.

Op de ruines van een verdeelde kerk ontstond een rapport als ”God met ons”, waarin een theologie over het Schriftgezag als grondslag werd aangegeven voor een nieuwe kerkelijke aanpak, in plaats van het Woord zelf, dat levend en krachtig is. De eenheid van de kerk is noodzakelijk voor de eenheid van een krachtige gereformeerde theologie die perspectief biedt voor de toekomst.

9. In verband hiermee dient de noodzakelijkheid van de eenheid der gereformeerde belijders bepleit te worden als daad van eenvoudige gehoorzaamheid. De kerk leeft van het Woord. Zij belijdt haar geloof in haar belijdenis. En haar belijdenis zegt wezenlijke dingen omtrent de kerk zelf. Omtrent haar vernieuwing, haar verzoening, haar wedergeboorte, haar hoop op de beslissende toekomst van Christus en nog veel meer.

Maar de kerk heeft ook haar belijdenis omtrent zichzelf. Zij zegt wie God is: een enig en eenvoudig geestelijk Wezen. Zij zegt in deze kennis Gods ook wie zij zelf is: een enige en eenvoudige schepping van God. Gehoorzaamheid aan haar eigen belijdenis is het, die de kerken van gereformeerd belijden zou moeten nopen om de weg te zoeken tot elkaar. Het zou de religie van het belijden kunnen zijn, op het punt van de kerk, om zonder terughouding te zoeken de beleving van wat wij belijden. Immers in de belijdenis gaat het maar niet om meningen, opiniones, die vergelijkenderwijs geplaatst kunnen worden naast andere meningen. Maar in de belijdenis gaat het om de geloofsgehoorzaamheid als antwoord op Gods openbaring, ook omtrent de kerk, omtrent Christus die het Hoofd van de kerk is, omtrent het volk dat Hij zich verzamelt, het Lichaam dat Hij levend maakt, de tempel die Hij bouwt uit levende stenen. Om die gemeente gaat het, die zichzelf zo belijdend kent, op de plaats waar men slechts belijden kan: voor Gods aangezicht.

Eenvoudige gehoorzaamheid van het geloof aan onze eigen belijdenis is het om ook vandaag te zeggen en te blijven zeggen: wij reiken de hand aan elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering en wij vragen de hunne. Zoals het in de Acte van Afscheiding een daad van eenvoudige gehoorzaamheid was, om de hand te bieden aan ieder die de Here naar zijn Woord wil dienen, zo zal het vandaag een daad van eenvoudige gehoorzaamheid zijn, om de eenheid van alle gereformeerden in deze landen na te streven.

De noodzaak van deze eenheid vloeit voort uit de zaak van de eenheid van het evangelie zelf en zij wordt vereist door de secularisatie van de wereld. Zij is noodzakelijk voor het behoud van vroomheid, voor de kracht van de theologie, voor de kerkordelijke structuur van de kerk, die haar taak in deze wereld voor haar eigen kinderen en voor de wereld wil verstaan.

4. De mogelijkheid van de eenheid der gereformeerde belijders

De vraag die nu tenslotte aan de orde moet komen, is die omtrent de mogelijkheid van een toenadering, die tot een werkelijke eenheid zou kunnen leiden. We stellen nu eerst vast, dat een bespreking van deze vraag als uitgangspunt dient te hebben, niet datgene wat wij zien of voor ogen hebben, maar datgene wat God in zijn Woord zegt, wat de belijdenis die we onderschrijven, van ons vraagt en wat onze roeping is in verband met deze twee: Schrift en belijdenis. De záák en de nóódzaak van de eenheid der gereformeerden staat voorop.

Als we hier het woord roeping gebruiken, willen we het opvatten in de bijbelse zin: dat God ertoe roept. En dat in Zijn roepen dingen tot stand komen, die er niet zijn, en die er naar onze begrippen ook niet kunnen zijn. God roept en het is er. Hij gebiedt en het wordt terstond. Onze mogelijkheden hangen niet af van onze vrije of gebonden wil. Ze zijn volstrekt afhankelijk van de wil en het welbehagen van de Here. Gehoorzaamheid ontstaat niet vanuit onze mogelijkheden, maar door het horen. Het geloof is uit het gehoor. We willen daarbij echter wel luisteren naar wat zo al omtrent deze dingen bij mensen wordt gezegd. Zonder volledig te willen zijn noem ik vijf veel gehoorde argumenten, die vrijwel overal de ronde doen.

1. De gedachte van kerkelijke eenheid leeft niet bij de mensen. Zij zien er de noodzaak niet van in. Zij hebben een beeld van de eigen kerk, dat nog maar ten dele is. De plaatselijke kerk kent men tot op zekere hoogte. De andere kerken binnen hetzelfde kerkverband reeds minder. Laat staan, dat men een helder beeld heeft van wat die andere kerken van de gereformeerde gezindte voorstellen. Hier worden beelden gevormd en in stand gehouden, die de gedachte aan kerkelijke eenheid op geen enkele manier bevorderen. Deze dingen blijken vrij duidelijk, wanneer er binnen onze kerken een enquête wordt gehouden. De belangstelling is niet overtuigend. Maar kan dit uitgangspunt zijn: de mensen hebben er geen belangstelling voor? Het leeft niet!

Leeft de vraag naar waarachtige bekering bij de mensen? Of is het wekken van die vraag niet veeleer een zaak van Gods Geest door middel van de prediking? En zou het hier niet evenzo kunnen zijn!

2. Een veelgehoord argument is, dat een zoeken naar verandering, d.w.z. een zoeken naar werkelijke eenheid, de verdeeldheid slechts groter zal maken. In plaats van twee kerken krijgen we er drie, in plaats van vier kerken die toenadering zoeken, zou dit betekenen dat er acht nieuwe zouden komen. De verdeeldheid wordt er slechts groter door. Men zou kunnen vragen of hier de voorrang niet wordt verleend aan de vrees, in plaats van aan de eenvoudige gehoorzaamheid.

Op zichzelf zou het denkbaar zijn dat, om allerlei redenen, de mensen de voorkeur geven aan het voortduren van de status quo. Laat het liever zo blijven zoals het nu is. Maar indien de overtuiging leeft, dat Schrift en belijdenis deze dingen vragen van ons, kunnen we ons dan laten leiden door de vrees?

3. Men hoort veelal, dat een kerkelijke eenheid niet te bewerken is dan door de Heilige Geest. Er is eerst een geestelijk reveil nodig. Pas daarna kan het komen tot eenheid. Ja, dan zal men deze niet meer behoeven te bewerken, zij is er reeds, waar mensen door de Geest worden aangeraakt. Ik laat de vraag rusten in hoeverre hier sprake zou kunnen zijn van een subjectief kerkbegrip. In ieder geval kan men geen kerk bouwen op grond van subjectieve gegevens. Men komt hoogstens tot een conventikel. En deze hebben in de geschiedenis hun betekenis inderdaad wel gehad. Maar het gaat God om de gemeente als pilaar en vastigheid van de waarheid, waarin de waarheid door de kracht van de Geest doorwerkt in de geslachten.

Het behaagt God om door de middelen der genade, de prediking van het Woord, de bediening van de sacramenten en de uitoefening van de kerkelijke tucht het leven van zijn gemeente te bouwen. Daarom is een reveil noodzakelijk. Maar een echt reveil mondt uit in een reformatie, d.w.z. in het herstel van de kerk.

4. Men hoort dat een kerkelijke hereniging van alle gereformeerden niet noodzakelijk is. Zeer praktisch klinkt het argument, dat zij toch niet allen in één kerkgebouw kunnen. Een gemeente kan immers niet groter zijn dan het gebouw dat de schare kan bevatten. Deze praktisch klinkende redenering is typisch independentistisch. De independenten uit de 17e eeuw maakten er zelfs hun beginsel van: de gemeente moet zo groot zijn dat ze in één gebouw kan bijeenkomen. We spreken nu niet over schijnbare voordelen, die op pastoraal gebied zouden kunnen liggen, maar de gedachte die erachter ligt is met het gereformeerde belijden niet in overeenstemming.

5. Een zwaarwegend argument, dat ernstige overweging verdient, berust op de vrees, dat het zoeken van de eenheid van alle gereformeerden feitelijk zou kunnen inhouden, dat wij ontrouw zouden worden aan eigen kerkelijk leven. Wat onze ouders met veel inzet, met grote moeite en soms ten koste van omvangrijke inspanningen en offers hebben opgebouwd, wordt zomaar overboord gezet. Het eigen kerkelijke leven wordt verwoest. Waar blijft het kerkelijk beginsel dat in het verleden de kracht betekende van onze kerken? Zijn we wel trouw aan hen die ons voorgingen? Zijn we wel trouw aan allen die zich voor het eigene der kerken hebben ingezet? Kortom halen we geen streep door de geschiedenis, die zo vele dieptepunten, maar ook zo vele hoogtepunten heeft gekend? Ik zei het reeds: dit is een zwaarwegend argument. Het vereist zorgvuldig zelfonderzoek voor Gods aangezicht. Het vraagt van ons eerlijkheid ten opzichte van de geschiedenis, oprechtheid ten opzichte van de vaderen, wier erfdeel wij niet mogen verkopen en wier strijd wij niet kunnen vergeten en ook niet willen vergeten, omdat er zo veel in was van een overtuiging die in de Schrift gegrond was, en van een geloof dat in de belijdenis zijn uitdrukking vond. Eigen kerkelijk leven, hoe zwaar weegt het ons. Hoe veel hebben wij ervoor over, wij van wie de meesten immers zijn groot geworden met een grote en onuitblusbare liefde tot de kerk: wij bij wie de liefde tot de kerk bijna is aangeboren!

Maar was het de liefde tot onze kerk? Of was het de liefde tot Gods kerk, die wij herkenden ook in het werk der vaderen en in de activiteiten van hen die ons voorgingen. Was het onze tempel, of was het Gods tempel? Voorzover de liefde tot de kerk zuiver is geweest, en goddelijk van oorsprong, zal het toch geen andere liefde zijn geweest, dan die tot Gòds kerk, zoals wij haar beeld in Schrift en belijdenis getekend zagen? Terwille van het huis van de HERE onze God, zo hebben wij gezegd, zal ik het goede voor u zoeken. Terwille niet van ons huis, maar terwille van Gods huis.

En dan ook in verband daarmee: terwille van mijn broeders en mijn vrienden. Daarom behoeft er geen vrees in het hart te zijn, vrees voor ontrouw aan het verleden. Want de roeping Gods, waarmee wij geroepen worden, komt van boven. En daarom kan datgene wat heilzaam is naar het Woord van God en naar de belijdenis, die op dit Woord gegrond is, niet anders dan heilzaam zijn voor onze kerken. Wij hebben geen recept voor het kerkzijn naar binnen en een recept voor het kerkzijn naar buiten. Er is een Woord, dat ons geheel en al in beslag neemt en dat Woord zegt ons, wie onze vrienden en wie onze broeders zijn.

Ik geloof de gemeenschap der heiligen. En wij dienen de gemeenschap der heiligen in de meest brede zin, wanneer wij haar dienen binnen het eigen kerkverband naar de norm die de Here ervoor aangeeft in zijn Woord.

Zijn er dan mogelijkheden? Zijn de bezwaren niet onoverkomelijk? Ik denk aan het Woord der Schrift: laat uw hand doen wat zij vindt om te doen. En doe dat uit alle macht. En aan het Woord: wie veracht de dag der kleine dingen?

Er zal geen mogelijkheid zijn tenzij die gezocht wordt, daar waar de gemeente bijeenkomt: dat is op het grondvlak. Dat is in overeenstemming met de belijdenis, die uitgaat van de plaatselijke kerk. Het strookt evenzeer met de kerkorde, die al evenzeer van de plaatselijke kerk uitgaat. Het kerkverband is er om het leven in de gemeente te stimuleren. Dezelfde gedachte heerste in 1892, toen als een van de bezwaren tegen een haastige vereniging werd ingebracht dat zij vrijwel buiten de gemeenten omging: de wederkerige liefde ontbrak. Het recht van de gemeente was verkort. Daarom is het goed en principieel gedacht, dat de toenadering plaatsvindt daar waar de gemeente samenkomt. Er mag geen discrepantie, geen onderlinge afwijking zijn tussen wat op meerdere vergaderingen wordt bepaald aan beleid en wat aan de basis van dit beleid kan worden verwerkelijkt. Maar evenmin tussen datgene wat aan de basis leeft aan verlangens en hetgeen door synodes kan worden gestimuleerd of afgeremd.

De mogelijkheid dient ernstig onderzocht te worden op welke wijze de Schrift, de belijdenis en de kerkorde een creatieve manier van omgaan met bepaalde structuren mogelijk maken. Wij zijn gewend aan de figuur van kerkeraad en gemeente, die in een onderlinge verhouding staan; wij spreken eveneens over de verhouding tussen de ene plaatselijke kerk met een andere, binnen hetzelfde kerkverband. Welke aanzetten geeft de Schrift en welke modellen kennen wij uit de geschiedenis van de gereformeerde kerken, die het ons mogelijk maken om vormen en structuren te zoeken, die recht doen aan de verscheidenheid binnen de gereformeerde gezindte en tegelijk ook recht doen aan de bijbelse en confessionele eenheid.

Wij geloven, dat het kerkverband noodzakelijk is. Het is te beschouwen als een federatie van kerken. Is er, zo vragen wij, een figuur denkbaar waarin een federatie van kerkverbanden, als eerste aanzet tot een werkelijke toenadering, gerealiseerd wordt?

Dit alles heeft slechts zin, wanneer binnen een zodanige structuur recht wordt gedaan aan de katholiciteit van de kerk. Elke vorm van sectarische eenzijdigheid moet hier worden bestreden. Daarom mogen wij dankbaar zijn voor de kerkelijke contacten die er zijn tussen de christelijke gereformeerden en de Nederlands gereformeerden, en voor de groeiende toenadering tussen de christelijke gereformeerden en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Maar deze contacten weerspiegelen geenszins de gehele gereformeerde gezindte. Zij vormen een aanzet, maar zij kunnen niet als het einde beschouwd worden. We kunnen en we mogen niet eerder rusten voordat alle gereformeerden elkander in hun veelkleurigheid herkend hebben. Wie hier een wig probeert te drijven tussen de bevindelijk gereformeerden en de meer leerstellig aangelegde gereformeerden, komt in strijd met het reformatorisch belijden, dat immers breed van opzet was. Hij komt evenzeer in strijd met de geschiedenis van de gereformeerde kerk hier te lande, zoals deze voor en na Dordt zich in verscheidenheid openbaarde. Teellinck wees Gomarus niet af, de Nadere Reformatie harmonieerde met de Dordtse orthodoxie; het gereformeerd belijden kent beide elementen, die van het kennen en die van het vertrouwen, en er is slechts één volk van God.

Er zal geen enkele mogelijkheid zijn om aan de eenheid van de gereformeerde belijders gestalte te geven, wanneer die weg niet met voorzichtigheid wordt gezocht. Met geduld, met liefde en met volharding, waarbij niemand wordt buitengesloten, die in goede trouw zich stelt op de grondslag van de Schrift en van de belijdenis van de kerk. Christus vergadert zijn gemeente. Wij doen het niet, en zeker niet in eigen kracht.

Daarom is wellicht het meest effectieve middel dat van het gebed. Een bidstond voor de eenheid van de kerken: zij zal de spot opwekken van de wereld. Zij zal evenzeer de hoonlach doen horen van het ongeloof, ook van het ongeloof onder gereformeerde mensen. Maar een krachtig gebed van de gemeente vermag veel, omdat het aansluit bij het allerkrachtigste gebed van de grote Hogepriester, de Here Jezus Christus zelf: Vader Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt. Opdat zij allen één zijn. Ons gebed moge aansluiten bij het Zijne.

En zo heeft het een vaste grond in het werk van Christus, die door de hogepriester Kajafas werd aangewezen als het Lam van God, dat de zonde der wereld wegnam. Hij stierf naar het woord van de Heilige Geest, om de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen. We prediken de verzoening door het bloed van het kruis.

Ik eindig met een kort gebed, dat Martin Bucer eenmaal neerschreef in een brief aan een vriend: ach, Here Jezus, moge Uw bloed krachtig zijn, opdat Gij ons verenigt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.