+ Meer informatie

Het Verbond der genade (4)

5 minuten leestijd

In ons vorige artikel hebben we stil gestaan bij de onverbrekelijke band tussen Raad des Vredes en Verbond der genade. Alléén die Christus' bloed deelachtig zijn, zijn ook de ware bezitters en deelgenoten van de goederen des Verbonds.

Het Genadeverbond brengt beloften mede, , die betrekking hebben op het leven in de godzaligheid, beloften van genade, rechtvaardigmaking, heiligmaking en heerlijkmaking. Voor wie deze beloften zijn?

Gods Woord geeft er ons een klaar antwoord op. De Heere sloot Zijn verbond met Abraham en Zijn zaad en beloofde de eeuwige zaligheid. Echter niet aan alle natuurlijke nakomelingen, daar Paulus in Gal. 2 : 27 zegt: Indien gij van Christus zijt, zo zijt gij Abrahams kinderen en naar de belofte erfgenaam. Ook in Gal. 4 maakt de apostel Paulus scheiding tussen de kinderen van Abraham, nl. tussen Ismaël en Izak. Ismaël is de zoon uit de dienstmaagd, maar Izak is de zoon uit de vrije en ontvangt de belofte des Verbonds, nl. Christus. Hierin is uitgedrukt het beeld van al Gods kinderen, die op Gods tijd en naar 's Heeren welbehagen worden wedergeboren door de Heilige Geest. Heel Gods uitverkoren kerk heeft deel aan de eeuwige weldaden en wezenlijke goederen van het Genadeverbond. God de Heere Zelf maakte in Gen. 17 Zijn Genadeverbond aan Abraham bekend met de woorden: Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen U, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u." Maar Zelf sloot de Heere Ismaël uit en sprak in Gen. 17 : 21: aar Mijn Verbond zal Ik met Isaiik oprichten, dien u Sara op deze gezetten tijd in het andere jaar baren zal." En als later de Farizeën en Schriftgeleerden zich beroepen, dat zij wedergeboren en bekeerde mensen zijn, omdat zij kinderen van Abraham zijn en dus de verbonds zegeningen deelachtig zijn, zegt Christus tegen hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken Abrahams doen; Gij zijt uit de vader de duivel en wilt de begeerten uws vaders doen." (joh. 8 : 39, 44).

Verbondsoprichting

In betrekking met het Verbond der genade spreekt Gods Woord, vooral in het Oude Testament van Verbondsoprichting en van het Verbond maken. We zullen enkele teksten opnoemen. Tegen Abraham sprak de Heere, dat Hij Zijn verbond met hem zou oprichten (Gen. 17 : 7); evenzo sprak de Heere ervan dat Hij met Abraham, Isaak en Jakob zijn Verbond opgericht heeft (Exod. 6 : 2—3). Van Pinehas, de priester, sprak de Heere tot Mozes: ie, ik geef hem Mijn verbond des vredes en hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond des eeuwigen priesterdoms. (Num. 25 : 12— 13). Met het volk Israël maakte God Zijn verbond aan de Sinaï: e Heere onze God heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb (Deut. 5 : 2). Van Koning David lezen we, dat hoewel zijn huis niet bij God was zoals het had moeten zijn, dat nochtans God met hem een eeuwig verbond gesteld had, een verbond dat in alles wèl geordineerd en bewaard was (2 Sam. 23 : 5). Ook toen de kinderen Israëls uit Egypte uitgeleid waren, heeft de Heere met hen een verbond gemaakt (1 Kon. 8 : 9). In de profeten wordt voorts dikwijls van dat oprichten en maken van het genadeverbond met Israël gesproken.

We zien in bovengenoemde teksten dat de Heere in het Oude Verbond steeds Zijn Verbond opgericht en gemaakt heeft met hoofden nl. met Abraham, met Israël, met Pinehas en met David. In deze hoofden heeft de Heere Zijn Verbond gemaakt met degenen die in de hoofden begrepen waren. Dit was de wijze van handelen van God in het Oude Testament, toen het Verbond der genade nog een schaduwachtige en wettische bedeling had. Het Verbond wordt nooit alleen met één enkel persoon gesloten, maar tegelijk met zijn zaad tot in verre geslachten. Het Verbond der genade sluit zich aan bij de Scheppingsorde, waar God het werkverbond met Adam, en zijn ganse nageslacht in hem

begrepen, oprichtte. Was in Christus reeds van eeuwigheid Zijn kerk begrepen, terstond is Hij na de val opgetreden als de tweede en laatste Adam, die de plaats van de eerste inneemt en herstelt en volbrengt, wat de Eerste verdorven en nagelaten had.

Christus als de Tweede Adam (1 Cor. 15 : 45) treedt op als handelende partij, daar ook in het genadeverbond de gelovigen nooit één enkel ogenblik beschouwd kunnen worden buiten Christus. Geheel het verbond der genade is van het begin tot het einde Christus toebetrouwd en Hij deelt de door Hem verworven weldaden als een erfenis uit. Christus als de Tweede Adam optredend heeft, cloor Zijn bediening het verbond der genade gebracht tot de aartsvaders en tot Israël en Hij is het Die door Zijn Geest het Genadeverbond verwezenlijkt in de harten van zondaren, de weldaden ervan schenkt, en het Genadeverbond in de loop der eeuwen zijn onderscheiden bedelingen geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.