+ Meer informatie

OPENINGSWOORD ambtsdragersconferentie van zaterdag 6 oktober 1990 in de Ichthuskerk te Amersfoort

5 minuten leestijd

Waarde broeders,

Deze conferentie bedoelt geen interkerkelijk eenheidsspektakel te zijn, nog minder een bijeenkomst waarin we bij herhaling de geestelijke en kerkelijke maat bij elkaar nemen om te bezien of enkele losse stukken misschien in aanmerking komen om aan elkaar gezet te worden.

Het comité, misschien gedrongen door het verlangen naar méér eenheid in geest en gevoelen binnen eigen kerken, meende allen van wie vaststaat dat zij op dezelfde wortel van Schrift en belijdenis stoelen, samen te moeten brengen op een dag van bezinning rond de vraag waarmee het te verantwoorden is dat wij als kerken van Christus in deze wereld, in onze Nederlandse samenleving, met een Evangelie dat fundamenteel voor ieder gelijk en waar is, elkaar geestelijk en organisatorisch op afstand houden, als leefden wij uit volstrekt verschillende geestelijke werelden en als dienden we ieder onze eigen God. Naar binnen weten we natuurlijk beter, maar naar buiten-waar ten diepste onze roeping ligt-wekken we die indruk wel.

Een stad op de berg, een licht op de kandelaar, het zout der aarde, lichtende sterren die schijnen temidden van een krom en verdraaid geslacht, wie zou hier durven zeggen, dat elke kerkgemeenschap afzonderlijk en wij allen als geheel, aan dit door de Here Jezus beschreven profiel beantwoorden? De overtuigingskracht van de prediking der kerk naar buiten is tot heel laag gedaald. De wervingskracht is teruggelopen tot bijna nul. De kerkelijke zaken worden gaande gehouden. Organisatorisch wordt zo goed mogelijk op de kerkelijke winkel gepast. In kerkelijke jaaroverzichten toont men zich al dankbaar als van numerieke stabiliteit sprake blijkt te zijn. Veel kerkelijke energie en ambtelijke tijd worden geïnvesteerd in de beheersing van kleinere of grotere interne conflicten. De zondagse prediking en de pastorale zorg in de week zijn er en de inspanningen daartoe zijn groot, maar de algemene klacht is dat er veel doodsheid en dorheid is, weinig getuigenis naar buiten, terwijl we kerk zijn in een samenleving en in een cultuur die in bijna alles schreeuwt om vanuit het Evangelie aanwijzingen voor een vernieuwd en een gecorrigeerd levenspatroon aangereikt te krijgen. We moesten duidelijker en overtuigender zijn, broeders.

We zijn hier bij elkaar op een dag, waarop evenals op alle andere dagen op deze aarde 40.000 kinderen vóór de voltooiing van hun eerste levensjaar sterven, op een tijdstip waarop vooraanstaande medici verklaren dat naar verwachting het jaar 2000 een toename van de kanker met 50% te zien zal geven, in een fase van de geschiedenis waarin de ene ecologische ramp de andere opvolgt.

De politieke en economische instabiliteit van de onder het communistische juk vandaan gekomen volken van Oost-Europa is beangstigend groot en het is niet te overzien waartoe dat nog zal kunnen leiden.

Hoezeer benauwt ons de crisis in het Midden-Oosten. Als diplomatieke middelen blijken ontoereikend te zijn, zal het tot een militair treffen komen, wat de kiem van een derde wereldoorlog in zich heeft.

Wat ons eigen land en andere Westeuropese landen betreft: we hebben rekening te houden met de nu nog niet zo duidelijk zichtbare maar straks steeds duidelijker wordende invloed van de islam in onze multiculturele en multiraciale samenleving. Laten we ons als christelijke kerken er maar goed rekenschap van geven dat van onze kinderen en kleinkinderen vanuit hun christelijk geloof heel wat zal worden gevraagd in de confrontatie met deze jongste wereldgodsdienst. Een godsdienst, die in heel wat dingen met het christelijk geloof parallel loopt, behalve in het meest fundamentele van het christelijk geloof, namelijk dat er onder de hemel geen andere naam tot zaligheid, tot verlossing, is gegeven dan die van Jezus Christus.

Onze kinderen en kleinkinderen zullen met twijfel rond deze fundamentele waarheid van het christelijk geloof in de toekomst steeds sterker op de proef worden gesteld. Het kruis van Golgotha, het offer van Christus, altijd al een ergernis en dwaasheid geweest, zal in de toekomst als enige weg waarlangs God mens en wereld met zich heeft verzoend, steeds feller ter discussie worden gesteld. Door de toenemende ergernis hierover van buitenaf, door intensivering van de theologische twijfel hierover van binnenuit, door het toenemende verlangen naar een vergelijk tussen het christelijk geloof en de joodse religie en niet in de laatste plaats door de al te vanzelfsprekende manier waarop de gevestigde kerk met dit grootste geheimenis van het christelijk geloof omgaat, is te vrezen dat we het als christelijke kerken in het geloof in en het belijden van dàt wat het hart van het Evangelie vormt, steeds moeilijker zullen krijgen.

Zijn we-als ik nog even op die vanzelfsprekendheid mag terugkomen-nu al niet vervallen tot een situatie waarin we nog wel opvattingen, inzichten, standpunten, meningen en gevoelens hebben, maar zonder dat we over het ongelooflijke dat we mogen geloven nog echte verwondering kennen, verwondering over dat wat in geen enkele theologische formule is te vangen; verwondering waaraan, gemengd met verootmoediging, alleen in eerbiedige aanbidding uitdrukking wordt gegeven.

Langs het kruis van Christus loopt ons aller weg naar God toe, beter gezegd: Gods weg naar ons mensen. In de erkenning dáárvan zijn we één. Daar is de plaats waar we elkaar pas echt kunnen ontmoeten, waar al onze menselijke theorieën, theologieën, filosofieën en allerlei godsdienstige gedachtenspinsels van lagere en hogere orde ineenschrompelen tot verbazing en verwondering over het grote geheimenis, dat het God de Vader heeft behaagd langs de weg van Jezus zijn zoon, de weg van diens lijden en sterven, de verlossing van mens en wereld te bewerkstelligen en dat er een Heilige Geest is die ons daaraan persoonlijk en gemeenschappelijk deel wil geven.

Ik wil met u de toon voor deze conferentie zetten door-alvorens tot onze gedachtenwis-seling over het thema van deze dag over te gaan-in de eenheid van ons geloof Christus als Here der Kerk te eren met de woorden van het oude gereformeerde gezang: U, heilig Godslam, loven wij, wat ik in mijn kinderjaren dikwijls heb horen zingen bij de viering van het Heilig Avondmaal in de Gereformeerde Kerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.