+ Meer informatie

Heeft de gereformeerde gezindte nog toekomst? (3)

Ds. A. Baars: "Het gebrek aan werkelijke, geestelijke bewogenheid is een van de grotste manco's in de reformatorische gezindte"

22 minuten leestijd

Oppervlakkig bezien heeft de gereformeerde gezindte niet te klagen. De kerkgang is goed. Aan geld is geen gebrek. Het aantal eigen instellingen neemt gestaag toe. De keerzijde is dat zij die buiten staan meer en meer uit het blikveld verdwijnen. Een ontwikkeling die nog wordt versterkt door de toenemende verwarring en verdeeldheid in eigen kring, die alle aandacht opslokt. Heeft de wervingskracht van de traditioneel-gereformeerden opgehouden te bestaan, zoals prof. Graafland in zijn boek "Gereformeerden op zoek naar God" constateert? Ter afsluiting van deze interviewserie de visie van ds. A. Baars.

In 1974 werd ds. Baars bevestigd in zijn eerste gemeente, de Christelijke gereformeerde kerk van Urk. Zeven jaar later emigreerde hij met zijn gezin naar Canada, in verband met het beroep dat hij had aangenomen naar de Free Reformed Church van Dundas. Een overgang naar een ander kerkverband, een ander geestelijk klimaat, een andere cultuur, een ander land. De kerken van gereformeerde signatuur vormen er een minuscule minderheid en moeten het stellen zonder het bolwerk van eigen instellingen, waarover de gereformeerde gezindte in ons land beschikt. In Canada werd ds. Baars' interesse voor het werk van de puriteinen gewekt. Met het gevolg dat een groot deel van zijn omvangrijke bibliotheek nu bestaat uit geschriften van Engelstalige calvinistische theologen. Planken vol met werk van Thomas Manton, Thomas Boston, John Owen, John Newton, John Flavel, Thomas Brooks, George Whitefield en Charles Haddon Spurgeon. Ze hebben hun stempel gedrukt op het denken van de christelijke gereformeerde predikant.

Andere God
In '88 keerde hij terug naar Nederland, nadat hij een beroep naar de Christelijke gereformeerde kerk van Middelharnis had aangenomen. Wat hem de achterliggende twee jaar is opgevallen, is de toegenomen verstarring binnen de gereformeerde gezindte. ,, Daarin val ik Graafland bij. Hij houdt ons een spiegel voor en we doen er goed aan om er grondig in te kij ken. Met de uitweg die de hoogleraar wijst is hij minder gelukkig. ,,Wat mij verbaasd heeft, is de waardering waarmee Graafland spreekt over Berkhof. Toen in'73 "Christelijk geloof" van Berkhof verscheen, is hij daar in verschillende artikelen fundamenteel tegenin gegaan en heeft hij de gereformeerde leer op uitstekende wijze verdedigd. Nu stelt hij dat het verschil tussen hem en Berkhof vergelijkbaar zou zijn met dat tussen Gomarus en Arminius. Daarin kan ik hem niet volgen. Berkhof is toch op wezenlijke punten verder van de gereformeerde leer verwijderd dan Arminius? Als ik zijn "Christelijk Geloof" lees, kan ik het niet anders zien dan dat hij het over een andere Christus en een andere God heeft dan onze belijdenis. Deze noties mis ik in de waarderende woorden die Graafland aan het adres van Berkhof richt.

Godsverduistering
Ook in de gereformeerde gezindte wordt in toenemende mate de term Godsverduistering gebruikt om het geestelijke klimaat van onze tijd te typeren. Hoe waardeert u deze term? ,, Graafland zet fraai uiteen dat het een filosofische term is, die bij Buber vandaan komt, en via Berkhof in ons Nederlands spraakgebruik is terechtgekomen. Ook al heeft hij wat aarzelingen, hij wil die term toch overnemen, nadat hij een aantal alternatieven heeft afgewezen. Toch heb ik moeite met deze typering. Mijn eerste bedenking is dat in deze term de notie van de schuld nauwelijks doorklinkt. Graafland wijst daar trouwens ook op. Een ander bezwaar, waar hij eigenlijk geen aandacht aan schenkt, is dat deze term de indruk wekt dat God de totaal Afwezige is. Maar als de Heere Zijn aangezicht verbergt, betekent dat bijbels gezien niet dat Hij volledig afwezig is, maar dat Zijn gunst verborgen is. Hij is dan tegenwoordig in Zijn toorn."

Crisis
Hoe beoordeelt u de opvatting van prof. Graafland dat de crisis van de Godsverduistering, zoals hij het noemt, de gereformeerde gezindte niet voorbij gaat? ,, Daarin geef ik hem gelijk. De kerkverlating werkt ook bij ons door. De verwereldlijking tast onze gezindte op verschillende fronten aan en er is nogal wat verwarring, verdorring en verstarring op geestelijk en kerkelijk gebied. Voor deze dingen mogen we het hoofd niet in het zand steken. Misschien wordt de ernst van de situatie wel te veel onderschat." Door de cultuuromslag zou de uraag uan de Reformatie "Hoe krijg ikeengenadigGod?" volgens velen meeren meer verdrongen worden door de vraag "Is er wel een God?". Bespeurt u die ontwikkeling in uw werk? ,, Vanuit mijn eigen pastorale ervaring kan ik alleen maar zeggen dat onder ons de vraag van de Reformatie nog heel sterk leeft. Natuurlijk weet ik dat vooral onder een aantal jongeren ook vragen rond het bestaan van God leven. Toch ben ik zelf deze vragen in de gemeente betrekkelijk weinig tegengekomen. De vraag of God bestaat is trouwens niet nieuw. Zelfs kinderen van God uit verschillende tijden hebben ermee geworsteld. Denk aan Bunyan."

Goddeloze vraag
In zijn boek "Gereformeerden op zoek naar God" gaat prof. Graafland in op de gedachtenwisseling tussen ds. G. Boeren dr. H. Berkhof in '55/'56, waarin ds. Boer stelde dat de vraag of God bestaat een ongeoorloofde en goddeloze vraag is. Heeft Graafland niet gelijk als hij stelt dat zoekers daardoor bij voorbaat de deur wordt gewezen? ,,Je moet die uitspraak van Boer zien in het verband waarin hij voorkomt. Letterlijk zegt hij tegen Berkhof :„ U bent langs de weg gekomen: is er wel een God? Daarbij noemt u alleriei mensen die u de weg gewezen hebben. Dat alles maakt stil en vervult met eerbied. Maar velen van ons zijn door veel verschrikkelijker dingen gegaan, Immers, de vraag "Is er wel een God?'' en het antwoord dat daarop komt, baant de weg tot de vraag: "Wie is deze God? Hoe leer ik Hem kennen? Hoe kom ik met Hem in het reine? " Waar u eindigt begint het pas. Immers, dieper dan de aangevretenheid van de moderne mens in deze cultuurfase gaat de ontdekking van de Heilige Geest. Wanneer wij gesteld worden in de ontmoeting met de levende God, Die ons verbrandt in onze problemen en aanvechtingen en de grondvraag aan de orde stelt, namelijk onze schuld. Hier komen de volle tonen van zonde en genade tot ontplooiing. Wie voor God staat blijft alleen de schreeuw om genade over. Wij staan daar niet als mensen van de twintigste eeuw, maar als goddelozen en vijanden." Boer zegt dus niet dat de vraag of God wel bestaat niet gesteld mag worden. Hij gaat daar ook op in. Maar die vraag valt voor hem in het niet bij de vraag: Hoe krijg ik een genadig God? Daarin val ik Boer van harte bij. We zullen iemand die blijft staan bij de vraag " Is er wel een God?'' eeriijk moeten zeggen: dat is te kort."

Apologetiek
,,Zeker niet. Van Til heeft geleden aan de godloosheid van de cultuur van deze eeuw en geprobeerd de moderne mens te verstaan. In dat opzicht is er een zekere verwantschap tussen Van Til en Graafland. Graafland verwijt Boer en Berkhof dat ze de moderne mens niet aanspreken op het punt waar die staat, waardoor hun woord niet echt bij die mens landt." Daarin ziet u toch verschil tussen ds. Boeren prof. Van Til? ,, Ik denk dat het verschil betrekkelijk is. Je zou kunnen zeggen dat Van Til zich meer bewust, en zeker op een wetenschappelijker niveau, heeft afgevraagd: hoe bereik ik de mens van vandaag met het Evangelie? Die vraag heeft hij echter ingebouwd in zijn apologetiek (verdediging van de geloofsleer - HdV). En op dat punt is er heel veel overeenkomst tussen Van Til en ds. Boer. Ook Boer heeft op een bewogen manier de leer van Schrift en confessie verdedigd. Dat apologetisch element mis ik eerlijk gezegd vandaag nogal eens bij veel gereformeerde theologen. Het blijft te veel bij het tonen van begrip voor de vragen van de moderne mens. Die wordt zo weinig geconfronteerd met het: Zo zegt de Heere! Je bespeurt die tendens ook wat in het boek van Graafland. Je mist te veel het spreken vanuit de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben. Waarbij je direct moet zeggen datje dat ook ter rechterzijde veel te weinig vindt. Dat hangt samen met het ontbreken van de missionaire spits, waarop Graafland terecht wijst.''

Traditie
Een belangrijke oorzaak daravan is volgens Graafland het traditionalisme dat deze gezindte kenmerkt. Deelt u die mening? ,,Ik wil beginnen bij het woord traditie. Daar zitten meer kanten aan dan Graafland in dit boek benadrukt. Je ziet dat de gereformeerde gezindte geconfronteerd wordt met een stuk wereldgelijkvormigheid en dat bij allerlei kernzaken van het gereformeerd belijden vraagtekens worden geplaatst. Een begrijpelijke reactie is dan dat men zich vastklemt aan de gereformeerde traditie. Ik beoordeel dat niet uitsluitend negatief. De traditie kan een bewarende functie hebben. Heel duidelijk is dat in de emigrantensituatie. Ik denk aan de twee emigrantenpredikanten uit de tijd van de Afscheiding. Scholte propageerde direct openheid naar de Amerikaanse samenleving. Zijn geestelijk erfgoed was dan ook heel snel verdwenen. Van Kaalte deed precies het tegenovergestelde en stichtte een Hollandse, gereformeerde kerk. Daarvan vind je in de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag de sporen. En het is onmiskenbaar dat de Heere daar zijn zegen aan verbonden heeft. Wordt het een krampachtig traditionalisme, waarin het leven ontbreekt, dan kan de traditie een juk worden. Dat ben ik met Graafland eens. Maar het andere zou ik erbij gezegd willen hebben."

Isolement
De gereformeerde gezindte beschikt inmiddels over een bolwerk uan eigen instellingen. Ligt in dit isolement onze kracht of onze zwakte? ,,Enerzijds is het een begrijpelijke ontwikkeling, anderzijds zie ik ook wel schaduwkanten. Om met het eerste te beginnen; neem de reformatorische scholen. In het algemeen gesproken is het protestantschristelijk onderwijs de laatste tientallen jaren sterk verwaterd. Dat maakt het legitiem dat men vanuit de zorg voor de godsdienstige opvoeding van het kind eigen scholen is gaan stichten. Ik sta daar ook helemaal achter. Maar nu de ene organisatie na de andere wordt gesticht, is het beslist niet denkbeeldig dat een gettomentaliteit ontstaat, zoals Graafland het noemt. Die heeft minstens drie gevaren. In de eerste plaats is het mogelijk dat de eigen organisaties tè beschermend werken. Het gebeurt te veel dat met name jonge mensen, wanneer ze buiten de eigen kring komen, zo' n schok krijgen dat ze al heel spoedig dat wat ze hebben meegekregen vaarwel zeggen. Het tweede is dat we bij het toenemen van het aantal eigen organisaties de bijbelse roeping zouden kunnen gaan vergeten, namelijk om in een goddeloze wereld te zijn als een zoutend zout, te spreken, te getuigen. Dat verslapt al snel als we steeds meer binnen de beslotenheid van de eigen kring functioneren. Je ziet ook een zekere hoogmoed optreden. We hebben altijd moeite gehad met de gearriveerdheid van de mannenbroeders van Kuyper, maar ik vrees dat ook wij niet vrij zijn van een zekere gearriveerdheid met onze verworvenheden. Zo kan de bevindelijke zuil tot een ivoren toren worden, vanwaaruit wij wat meewarig neerzien. Voor deze gevaren dienen wij voortdurend op onze hoede te zijn."

Wervingskracht
,,De wervingskracht van de traditioneel-gereformeerden heeft opgehouden te bestaan", constateert Graafland in zijn boek. Daarin valt u hem bij? „De absolute uitspraak van Graafland gaat me te ver. Ik ben ervan overtuigd dat de gereformeerde beginselen naar de Schrift zijn en dat een bevindelijke prediking nog altijd wervingskracht heeft. Wel bevinden we ons in een tijd van eb. Zelf ben ik steeds duidelijker gaan zien dat in de belijdenis het hart van het Woord van God klopt. Dan ontdek je ook dat daar nog altijd kracht van uitgaat. Zowel hier als in Canada heb ik toch ervaren dat jonge mensen, die midden in de branding van deze tijd staan en met allerlei wind van leer in aanraking komen, door een prediking die hierop gegrond is in het hart getroffen worden. Toch viel u Graafland bij in zijn stelling dat in de gereformeerde gezindte de missionaire spits ontbreekt. ,,Inderdaad. Ik wil dat vooral toespitsen op de bewogenheid. Het gebrek aan werkelijke, geestelijke bewogenheid is een van de grootste manco's in de reformatorische gezindte. Het toont onze geesteloosheid. Want waar de Geest werkt, daar komt bewogenheid met mensen die ten dode wankelen." In hoeverre is de geesteloosheid het gevolg van een vaak beschouwelijke prediking? ,,Een bekend gezegde is: de nood van de kerk is de nood van de prediking. Als er met de prediking iets mis is, lijdt alles daaronder. Er kan inderdaad een beschouwelijke prediking zijn die wel rechtzinnig is, maar erg dor en afstandelijk. We hebben, om een uitdrukking van de puriteinen te gebruiken, de zalving met de Heilige Geest nodig. Een dergelijke levende verkondiging ontbreekt te veel, ook in de rechterflank van de gereformeerde gezindte."

Diepe bewogenheid
Hoe verklaart u dat de Engelse calvinistische traditie altijd meer wervingskracht heeft gehad dan deNederlandse? ,,Dat "altijd" kun je niet helemaal hard maken. Vergelijkje de Engels-Amerikaanse met de Nederlandse kerkgeschiedenis, dan zie je bij ons een gelijkmatige stroom, al is die momenteel sterk aan het wegebben. In Engeland en Noord-Amerika zie je veel meer golfbewegingen. Tijden van geweldig geestelijk verval, gevolgd door indrukwekkende opwekkingen. Wel geef ik u helemaal gewonnen dat er in de bloeitijden een diepe bewogenheid is geweest met onbekcerde mensen. Die bewogenheid bleef niet beperkt tot de zielen van mensen, maar strekte zich uit tot de hele maatschappij. In de tijd van de Grote Opwekking ging men bij voorbeeld de slavernij onder kritiek stellen. Die gezindheid vind je niet alleen bij de puriteinen en de opwekkingspredikers die na hen kwamen, maar ook bij hun geestelijke nazaten als Ryle en Spurgeon. Door hun hartelijke en geestelijke bewogenheid spreken zij tot op de dag van vandaag aan."

Appèl
Prof. Graafland verklaart de wervingskracht van deze mensen uit het feit dat in hun prediking de uitverkiezing niet op de voorgrond stond. ,,Als hij daarmee bedoelt dat zij de uitverkiezing niet als een systeem op de voorgrond plaatsten, heeft hij gelijk. Maar je moet ook zeggen dat de predestinatie zeker voor calvinistische opwekkingspredikers als Jonathan Edwards en George Whitefield een zeer fundamentele zaak was, die hun hele visie op de prediking beslissend beïnvloedde. Zij waren ervan over- [> tuigd dat de verkorenen toegebracht moesten worden en hadden het verlangen om als middel in de handen van de souvereine God daartoe dienstbaar te zijn. De leer van de uitverkiezing en de souvereiniteit van God was voor hen een diepe werkelijkheid en een krachtige stimulans om het Evangelie van zonde en genade te preken." Ze hebben dat Evangelie gepredikt met bevel van geloof en bekering. Soms komen predikanten in de gereformeerde gezindte niet verder dan een wens. Ligt hier niet een verschil? ,, Ik zeg niet dat we nooit eens een preek mogen besluiten met de wens dat de Heere Zijn Woord zal zegenen. Maar blijft het daarbij, dan zijn we niet confessioneel en niet Schriftuurlijk. Ik zou de stelling durven wagen datje eigenlijk niet eens kunt spreken van prediking als het bevel van geloof en bekering ontbreekt. Prediking is proclamatie. Daar is het appèl onlosmakelij k aan verbonden.

Heiliging
Het naarbinnen-gerichtzijn van de gereformeerde gezindte wordt volgens prof. Graaflandgrotendeels veroorzaakt door het feit dat bijna uitsluitend over de noodzaak van de persoonlijke rechtvaardiging wordt gesproken en nauwelijks over de noodzaak uan het beoefenen van gerechtigheid door de christen in de samenleving. Valt u hem hierin bij? ,,De rechtvaardiging is door de reformatoren terecht opgevat als de persoonlijke rechtvaardiging van een verloren zondaar door God. Natuurlijk is het waar dat het bijbelse woord gerechtigheid ook de betekenis kan hebben van het doen van gerechtigheid in de samenleving. Daarin heeft Graafland gelijk. Het is mij echter uit zijn boek niet helemaal duidelijk geworden hoe hij deze notie wil verbinden met de klassieke rechtvaardigingsleer. Naar mijn gedachte moeten we het persoonlijke karaktervan de rechtvaardiging door het geloof voluit laten staan. Tegelijkertijd geldt dat ook over de heiliging moet worden gesproken. Daarbij denk ik niet alleen aan de heiliging in het persoonlijke leven, maar ook de heiliging in zijn uitstralende kracht in de samenleving. Dat móet aan de orde komen. Ik vrees dat dat bij ons inderdaad te weinig gebeurt."

Puur moralisme
De profeten hebben het onrecht in hun dagen heel concreet aan de orde gesteld. Wat heeft dat te zeggen voor de predikers onder het nieuwe verbond? ,, We zullen onszelf eerlijk de vraag moeten stellen: doen wij wel recht aan alle gedeelten van Gods Woord? Als we het hele Woord preken, dan komen de concrete zaken waarover de profeten gesproken hebben ook nu nog aan de orde. Maar het mag niet blijven bij het aanwijzen van concrete zonden. De zonde moet ook gepreekt worden in zijn diepte, als macht. Roep je mensen alleen maar op om zich van concrete zonden te bekeren, dan is het gevaar van een puur moralisme levensgroot aanwezig. Gaat het om het onrecht in de maatschappij, dan moeten we niet vergeten dat in Israël geen onderscheid bestond tussen kerk en staat. Dat betekent niet dat we moeten zwijgen over het onrecht in de wereld, als we vanuit het Woord duidelijke reden hebben om ertegen te getuigen. Maar als predikanten moeten we niet denken dat wij dezelfde taak hebben als de profeten. De profeten waren geïnspireerd. Dat zijn wij niet en dat dienen wc goed te beseffen. We moeten wel profetisch spreken, maar dan in die zin dat we luisteren naar wat Gods Woord ons zegt, om dat Woord zó door te geven. Al de "profetische" getuigenissen die kerken meenden te moeten afleggen tegenover de politiek zijn van weinig waarde gebleken. Dat komt ook daardoor, dat de kerk soms een profetenmantel aangetrokken heeft die haar niet past.

Grondlijnen
Maken de vragen van onze moderne cultuur een actualisering van de belijdenis noodzakelijk? ,, Dat hangt ervan af wat u met actualisering bedoelt. Is de bedoeling dat we de belijdenis moeten gaan herschrijven, dan zeg ik: nee. We doen er goed aan ons te realiseren wat een belijdenis is: een samenvatting van het getuigenis van het Woord van God, waarin het wezenlijke van dat Woord ons wordt doorgegeven. Daarom zijn er moderne vragen die niet direct in de belijdenis aan de orde komen, maar je vindt er wel de grondlijnen in vanwaaruitje op die vragen kunt ingaan. We hebben geen behoefte aan voorzichtige of vage pogingen om de belijdenis te herzien, maar aan een duidelijk prediking en catechese, die op grond van Schrift en belijdenis ingaan op de vragen van vandaag. Zo moet de belijdenis midden in de actualiteit worden gezet.'' Nu wijst prof. Graafland erop dat de nadere reformatoren de gereformeerde belijdenis hebben geactualiseerd en toegepast op hun tijd, terwijl nu een starre conservering van hun gedachtengoed soms kenmerk van het ware lijkt te zijn. Heeft hij daarin niet gelijk? ^ ,,Ik vind het moeilijk om een algemeen oordeel te vellen. Ik geloof inderdaad dat die tendens bestaat. Mijn stellige overtuiging is dat we de vragen ernstig moeten nemen en dat het van groot belang is dat we een helder en duidelijk antwoord geven. Niemand is geholpen met vaagheden, zowel naar links in de zin van "je moet het allemaal anders zien", als naar rechts in de zin van "Gods volk leert het anders". Bij die laatste uitdrukking zal toch op z'n minst gezegd moeten worden wat Gods volk anders leert en hoe dat in de Schrift verankerd ligt. Juist op die manier kunnen de belijdenis en het gedachtengoed van de Nadere Reformatie van een verrassende actualiteit blijken te zijn."

Verscheurdheid
De verscheurdheid uan de gereformeerde gezindte ziet prof. Graaf land als een van de hoofdoorzaken uan haar krachteloosheid. Terecht? ,,Dr. Martyn Lloyd-Jones heeft eens gezegd: Er is iets wat nog veel erger is dan de kerkelijke verdeeldheid en dat is de doodheid van de kerken. Hij heeft daar een wat schokkend beeld voor gebruikt. Toch doen we er goed aan dat op ons te laten inwerken. Je kunt wel proberen een aantal lijken in één graf te werpen, zo zei hij, maar daarmee worden ze nog niet levend. Wat we nodig hebben is levendmaking, een opwekking die er alleen kan komen in de weg van verootmoediging en gebed. Die woorden zijn mij uit het hart gegrepen. Nadat dit eerst gezegd is, stem ik helemaal met Graafland in. De toenemende verscheurdheid is iets wat de gereformeerde gezindte met krachteloosheid slaat. zowel naar de wereld als naar binnen toe. Je kunt zeggen: er wordt toch volop over geschreven en er worden toch volop besprekingen gevoerd? Maar wat naar mijn bescheiden mening maar al te veel binnen alle kerken ontbreekt is verootmoediging voor de Heere en het gebed om een geestelijke opwekking en geestelijke eenheid."

Evangelische beweging
Naarde mening uan prof. Graafland zou de gereformeerde gezindte er goed aan doen wanneer ze meer open stond voorde euangelische beweging. Zou dat inderdaad een positieve invloed kunnen hebben? ,, Daarin ga ik niet met Graafland mee. Ik ben vooral beducht voor de invloed van de evangelische beweging. Maar voor ik dat wat nader invul wil ik twee opmerkingen maken. In de eerste plaats moeten we ervoor oppassen dat we in onze bezwaren tegen de evangelische beweging ons niet beperken tot een aantal vlotte, algemene typeringen. Die kunnen heel oppervlakkig zijn. Onze kritiek dient vooral zakelijk te zijn, te meer omdat binnen deze beweging ook een zeer grote verscheidenheid bestaat. In de tweede plaats moet gezegd worden datje voor heel veel evangelische mensen op een aantal punten waardering kunt hebben. Daarin zijn ze vaak een beschamend voorbeeld voor de kerk. Ook voor de gereformeerde gezindte. Ik denk aan een stuk standvastigheid wanneer het gaat om bepaalde ethische problemen. Waarin men veel consequenter een bijbels leefpatroon nastreeft dan heel veel reformatorische gezinnen. Dat is buiten kijf."

Wesley
, ,Toch ben ik vooral beducht voor hun invloed. Natuurlijk is er niets op tegen als je met elkaar contact hebt en op een goede manier met elkaar omgaat. Maar we moeten niet onder de tafel werken dat in de evangelische beweging een meer of minder gematigde vorm van arminianisme overheersend is. Ik zie sterk de historische verbinding, via de Amerikaanse evangelicalen, met Wesley. Wesley stond een milde vorm van arminianisme voor, maar wel arminianisme en daarom niet minder gevaarlijk. In de miskenning van de totale verdorvenheid van de mens gaat hij niet zo ver als Arminius, maar met Arminius beklemtoont hij duidelijk de vrije wil van de mens en ontkent de dubbele predestinatie. Door de aantrekkelijke en vaak ook warme manier waarop deze gedachten binnen de evangelische beweging gepresenteerd worden, zie je dat veel mensen onder de invloed ervan geraken. Ik zie dat als een groot gevaar. Uiteindelijk wordt door deze lijn de leer van vrije genade verduisterd en komt het werk van Christus als een volkómen Zaligmaker niet meer tot zijn recht. Dat is mijn grote zorg."

Charismatisch
Ook prof. Graafland heeft oog voor het gevaar van remonstrantisme. Hij pleit dan ook niet voor samensmelting van reformatorisch en evangelisch, maar adviseert de gereformeerdegezindte het goede uit deze beweging over te nemen, waarbij hij vooral denkt aan de aandacht voorde bijzondere Geestesgaven. ,, Die vraag veronderstelt dat de bijzondere Geestesgaven kenmerkend zijn voor de evangelisciie beweging. Dat is niet juist. Wereldwijd gezien heeft de evangelische beweging een charismatische, maar ook een zeer geprononceerde anti-charismatische vleugel. De meest fundamentele kritiek op de charismatische beweging komt niet uit reformatorische hoek, maar uit orthodoxe kerken en groepen die zichzelf "evangelical" zullen noemen. Ook inhoudelijk ga ik hierin niet met Graafland mee. Misschien mag ik weer verwijzen naar opwekkingspredikers als Jonathan Edwards en Whitefield. Ook 'j kwamen in aanraking net bepaalde charismatisch getinte verschijnselen. Zij zijn daarvoor toch huiverig geweest en hebben benadrukt dat het wezenlijk gaat om het werk van de Heilige Geest in de weg van wedergeboorte en bekering. Ik denk dat we daaraan vast moeten houden. Ook Graaflands opvatting dat de mening van Calvijn over de bijzondere Geestesgaven in de eerste plaats werd ingegeven door zijn huiver voor de dopersen deel ik niet. Ik denk dat die huiver vooral uit zijn Schriftgeloof voortkwam. Met Calvijn zie ik een groot gevaar in het overgeestelijke, de doorsnijding van de band tussen Woord en Geest."

Openbaring
Is het exegetisch verdedigbaar om de bijzondere gaven van de Heilige Geest te beperken tot de beginperiode van de kerk? , , Dat is een vraag die zich niet in een paar zinnen laat beantwoorden. Toch wil ik proberen een aanzet tot een antwoord te geven. Lange tijd ben ik uit een soort veriegenheid van mening geweest dat de klassiek gereformeerde opvatting, dat de gaven van tongentaai en gebedsgenezing beperkt zijn tot de eerste christelijke gemeente, exegetisch niet houdbaar is. Tot ik op een conferentie in Grand Rapids prof. Palmer Robertson hoorde spreken. Die heeft in twee lezingen vanuit de Schrift willen aantonen dat het bij de profetie in het Nieuwe Testament en bij het spre ken in tongen gaat om openbaring. Robertson vat het spreken in tongen op als het spreken in vreemde talen. De genezingswonderen zijn een begeleidingsverschijnsel, een bevestiging van de openbaring. Toen de openbaring, het getuigenis van de profeten en apostelen, op Schrift gesteld werd, verdwenen ook de begeleidende verschijnselen. Die waren nu niet meer nodig. Via deze lezingen van Robertson kwam ik terecht bij oudere gereformeerde theologen uit Amerika, zoals prof. Benjamin Warfield, die kritische kanttekeningen hebben gemaakt bij de in hun tijd opkomende charismatische stroming. Ik voel me sterk door hen aangesproken. Wel geloof ik dat de Heere in tijden van bijzondere geestelijke opwekking, of ook onder bepaalde privé-omstandigheden, op het gebed nog wonderen doet. Maar de opvatting dat er ook nu nog mensen zijn die in heel bepaalde zin de gave van de genezing hebben, wijs ik als onbijbels af."

Herleven
De charismatische beweging verslaat wereldwijd haar miljoenen. Hebben kerken die vast willen houden aan de gereformeerde belijdenis nog toekomst? ,, Er zijn er die een tijd van zware verdrukking van de kerk voorzien. Veel puriteinen hebben daarentegen gedacht dat er nog een wereldwijde bloei voor de kerk zal komen. Ik hoop daar ook op, maar blijf toch wat vragen houden bij hun bijbelse fundering voor die stellige verwachting. Wel ben ik er zeker van dat de Heere Zijn werk in stand zal houden en dat er daarom toekomst is voor een kerk die de waarheid van de Schrift, onder inwachting van de Heilige Geest, zoekt te handhaven. Ik wil niet alles wat nietgereformeerd is afschrijven. Maar ik geloof wel dat in het gereformeerd belijden de waarheid van het Woord het zuiverst vertolkt wordt. Dat geeft mij moed om te zeggen: die kerk heeft toekomst waar het gereformeerd belijden op een levende wijze functioneert. Daarom hoop en bid ik dat in de weg van verootmoediging ook ons reformatorisch volksdeel weer herleven mag."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.