+ Meer informatie

ZIJN AMBTSDRAGERS VANDAAG VOLDOENDE TOEGERUST om met de vragen rond de bijbel in de ambtelijke praktijk verantwoord om te gaan?

30 minuten leestijd

De vraag in dit verband stellen is eigenlijk haar beantwoorden. Wanneer wij namelijk zouden zeggen: ja, zij zijn daarvoor voldoende toegerust, dan zou een toerustingsconferentie over dit onderwerp voor hen een overbodige luxe zijn. Het comité heeft daar kennelijk anders over gedacht, anders zou het dit thema niet aan de orde hebben gesteld.

Er leven allerlei vragen rond de bijbel. Ambtsdragers moeten daarmee verantwoord kunnen omgaan. Daarvoor moeten ze worden toegerust. Dat zijn de drie vooronderstellingen die in de vraag van het thema opgesloten liggen. Onze inzet is daarbij de toerusting. Wat is er voor die toerusting nodig? In de eerste plaats is nodig dat wij erkennen dat er reële vragen liggen, anders kunnen we er ook niet goed mee omgaan. Vervolgens moeten wij de goede geestelijke instelling vinden, om ten slotte van daaruit de vragen onder ogen zien.

1. Reële vragen

De vragen rond de bijbel hebben op de ene of andere manier te maken met het menselijke karakter van de Schrift. Wij belijden dat de bijbel Gods Woord is. Dit neemt echter niet weg, dat God gebruik maakt van mensen. De leefwereld van die mensen wordt daarbij door God niet uitgeschakeld, maar ingeschakeld. Op allerlei manieren blijkt de bijbel sporen te vertonen van de tijd waarin hij is geschreven. Exegeten die studie hebben gemaakt van de wereld waarin de bijbel ontstond, zijn de eersten die op deze sporen zijn gestuit. In onze kring heeft prof. Oosterhoff al in 1965 daarop geattendeerd, in een artikel in het Jaarboek over de ‘Hermeneutiek van de wet’. Hij bedoelt daarmee de wet van Mozes, waarmee de Tien geboden een onlosmakelijke eenheid vormen. Hij schrijft:

‘Vergelijking van de wet van Mozes met andere oude babylonische wetten uit dezelfde tijd of daarvoor heeft voldoende bewezen, dat de Mozaïsche wet verankerd is in het rechtsleven van het oude oosten en op tal van punten deel heeft aan de oud-oosterse cultuur.’

Wel is er een groot verschil in de geest van de wetten. Maar dat neemt niet weg dat God met zijn openbaring ingegaan is in en Zich heeft aangesloten bij het bestaande, om op deze wijze het bestaande te doorbreken en te verheffen. Daarom moeten wij onderscheid maken tussen het blijvende beginsel in de wetten en de verdwijnende vormen.1

Ook op een ander terrein heeft prof. Oosterhoff aandacht gevraagd voor de cultuurhistorische kenmerken van de bijbelse openbaring, namelijk in de wijze waarop ons in Genesis 2 en 3 de geschiedenis van de zondeval wordt beschreven. Hij signaleert allerlei verwante details in de verhalen over het begin van de mensengeschiedenis bij de omringende heidenvolken. Hij komt tot de conclusie dat in deze hoofdstukken openbaring wordt gegeven in beeiden en vormen, die pasten bij de denk- en voorstellingswereld van de oude Israëliet; geen letterlijke beschrijving, maar een profetisch-symbolische weergave.2

Aandacht voor de cultuurhistorische verwevenheid van deze hoofdstukken met de omringende wereld kan de ogen openen voor allerlei aspecten in de verkondiging van deze hoofdstukken. Zo is de slang in het paradijs geen dier zonder meer. Het spreken over de slang in Genesis 3 heeft een antithetisch karakter, gericht tegen het heidendom. Buiten Israël werd de slang als wijsheids- en levensdier vereerd. Tegen die achtergrond is de slang in Genesis 3 de bedrieger en de verleider. Israël ontvangt daarin de boodschap: wie de slang vereert, komt bedrogen uit. Verder wordt de slang in de oude oosterse scheppingsmythen vereenzelvigd met de chaosmonsters die daarin voorkomen. De slang is daarom in het paradijs de incarnatie van alle anti-goddelijke machten die tegen God opstaan en de mens ten val brengen.3 Zo zien we dat het in rekening brengen van cultuurhistorische invloeden een verdieping kan betekenen van ons inzicht in de boodschap van de Schrift.

Het derde en laatste voorbeeld van de menselijke kant van de Schrift heeft betrekking op de wijze waarop het Nieuwe Testament omgaat met het Oude. Volgens prof. Versteeg maakt Matteüs in zijn omgang met het Oude Testament gebruik van de targoem-methode, die in zijn tijd onder Joodse schriftgeleerden gebruikelijk was. Daarin werd niet een sterk onderscheid gemaakt tussen de tekst als objectief gegeven en de interpretatie als een subjectieve opvatting over de tekst. Tekst en uitleg werden ineengevlochten en zo werd de tekst geactualiseerd en toegepast op de situatie van de hoorders.4 Dus niet het onderscheid tussen ‘wat staat er precies?’ en ‘wat betekent dat voor ons?’, maar een uitleg die gekleurd is door de eigen situatie van de lezer.

Het is goed om oog te hebben voor dit eigene van het omgaan met het Oude Testament. Voor Matteüs en ook voor Paulus is dat omgaan geheel bepaald door het hun geschonken geloof dat in Christus het Oude Testament vervuld is. En daardoor staan zij ons na. Tegelijk ervaren wij afstand. Want:

‘Onze manier van exegetiseren kan niet meer die zijn van de klankexegese en die van de verstrengeling van gedachten en lezingen zoals we die… in tal van… citaten door het hele N.T. heen vinden.’5

Oosterhoff komt tot de conclusie:

‘Dit heeft het literair-critisch onderzoek in elk geval onomstotelijk aangetoond, dat het proces, waarin het O.T. in de loop van eeuwen is tot stand gekomen, veel ingewikkelder is geweest dan vaak is gedacht en de Schrift zeker niet zó mechanisch is ontstaan, dat de bijbelschrijvers moeten worden gezien als een soort secretarissen van de Geest, die eenvoudig neerschreven wat hun werd gedicteerd. Het feit, dat de bijbel Gods Woord is, geïnspireerd door de Heilige Geest, neemt niet weg, dat mensen hem hebben tot stand gebracht en dat alles op menselijke wijze is toegegaan.’6

Door oog te hebben voor dit historisch bepaalde menselijke karakter van de Schrift kan ons inzicht worden verdiept in de eigen boodschap en betekenis van Schriftgedeelten, zo zagen we reeds. Toch ligt hier tevens de aanleiding voor de vragen rond de bijbel, waarnaar het conferentiethema verwijst. Als God met zijn openbaring is ingegaan in en Zich heeft aangesloten bij het bestaande, dan komen in die openbaring immers allerlei historisch-menselijke aspecten mee. Dat stelt ons voor de vraag: wat is in de Schrift dan blijvende openbaring, en wat behoort bij de tijdgebonden historische context? Enkele voorbeelden.

Het instituut van de slavernij beschouwen wij als een tijdgebonden element, al is men het daarover echt niet altijd eens geweest. Hetzelfde geldt voor de sluier of hoofddoek die de vrouw volgens Paulus in de samenkomst moet dragen (1 Kor. 11: 5-6). Ook zijn opmerking dat de natuur leert dat lang haar voor de vrouw een eer en voor de man een schande is (1 Kor. 11: 14-15), wordt niet algemeen onder ons gedeeld. En wat doen wij met zijn uitleg van Genesis 2, dat de man niet ten behoeve van de vrouw geschapen is, maar de vrouw ten behoeve van de man (1 Kor. 11: 9)? Hiermee drukt de apostel een ongelijkwaardige verhouding uit, die tegenwoordig door velen niet meer wordt verdedigd.

Verder beschouwen wij het verbod om doorbloed vlees te eten (Hand. 15) als tijdgebonden, want wij houden ons er niet meer aan. Ook de ziekenzalving is in de kerken van de Reformatie in onbruik geraakt, ook al wijst Jakobus deze weg (hoofdstuk 5: 14). Jezus’ oproep om geen schatten te verzamelen op aarde en niet bezorgd te zijn voor de dag van morgen wordt door ons blijkens onze pensioenvoorzieningen niet volledig opgevolgd. En het renteverbod op leningen aan de armen krijgt onder ons maar weinig aandacht. Wij leven immers niet meer in de tijd waarin kleinschalige landbouw en visserij de belangrijkste pijlers van het economische leven vormden, en mensen alleen iets lenen wanneer ze gebrek lijden, zoals vroeger. Nee, wij leven in een tijd waarin de wereldhandel de dienst uitmaakt en het vragen van rente normaal is. Daarom laten wij het na kritiek te leveren op de praktijk van rentedragende leningen aan landen vol arme mensen.

Met deze voorbeelden wil ik niet beweren, dat op al deze punten wij terecht de bijbelse aanwijzingen geheel of gedeeltelijk voor tijdgebonden houden. Wat ik ermee wil onderstrepen is dit: in de praktijk van onze omgang met de bijbel beschouwen wij feitelijk allerlei zaken als tijdgebonden. Op zichzelf is dat niet verkeerd, want de aard van de openbaring brengt met zich mee, dat zij ingaat in het historisch bestaande en daarvan dus ook de kenmerken draagt. Alleen is het zo belangrijk dat wij helder zicht krijgen op de vraag, waarom wij in het ene geval bepaalde elementen wel als voor ons normatief beschouwen en in het andere geval niet. Anders kun je als ambtsdragers met deze vragen niet omgaan.

Zo komen wij voor de vraag te staan: waarom wordt het zwijggebod voor de vrouw in de gemeente nu wel of niet bepaald door de specifieke historische situatie van die gemeente toen? En een samenwonend stel zegt op huisbezoek: ‘In de tijd van de bijbel werden huwelijken heel anders gesloten dan nu, en er kwam geen ambtenaar van de burgerlijke stand aan te pas. Waarom zouden wij dan nu naar het gemeentehuis moeten? Wij beschouwen onze relatie als een volwaardig huwelijk. De overheid doet dat ook, kijk maar naar onze belastingaanslagen, en wij vragen ook aan de kerk ons als echtpaar te erkennen.’ Ambtsdragers moeten worden toegerust om hierop een gefundeerd antwoord te geven.

Behalve de vraag: wat is van blijvende betekenis en wat is specifiek voor de tijd waarin het werd geschreven, komt de vraag op ons af: wat moet letterlijk worden opgevat, en wat symbolisch? Als het scheppingsbericht gebruik maakt van voorstellingen uit die tijd die niet letterlijk moeten worden verstaan, waarom dan de weergave van andere gebeurtenissen niet? En hoe ver mag dat gaan? Bestaat niet het gevaar dat op den duur alles verdampt tot symboliek?

We hebben geaccepteerd dat de hemel niet letterlijk ‘boven’ is, ook al spreekt de bijbel op deze wijze. De volgende vraag is: waar is de hemel dan wel, nu onze astronomie het heelal uitmeet in afstanden van miljoenen lichtjaren? De hemel moet toch ergens ruimtelijk zijn, want Jezus is lichamelijk naar de hemel gegaan, en een lichaam heeft ruimtelijke afmetingen.

En als in de bijbel symbolische beschrijvingen voorkomen, ook op plaatsen waarin dat niet expliciet wordt vermeld, wat hebben we dan voor weerwoord, als wordt gesteld dat de maagdelijke geboorte en de opstanding van Jezus een symbolische uitdrukking zijn van de betekenis die de gelovigen destijds aan Hem hechtten? En als velen vandaag de dag zeggen dat ze zich bij een plaatsbekledend sterven ter verzoening van de zonden niets zinnigs kunnen voorstellen, betekent dat dan dat we deze bijbelse benadering ook maar moeten beschouwen als een symboliek die vroeger meer zeggingskracht had dan tegenwoordig?

Al met al zijn het verstrekkende vragen, waardoor mensen in verwarring kunnen worden gebracht. Daarom is het van groot belang dat wij er verantwoord mee om leren gaan.

2. De goede geestelijke houding

Voordat ik probeer om in de praktische toerusting een aantal overwegingen aan u voor te leggen, staan we stil bij het belang van een goede geestelijke instelling. Welke houding nemen we in ten opzichte van de gestelde vragen? Een heel voor de hand liggende reactie is vrees: de vrees dat ons allerlei zekerheden worden afgenomen en dat we er geen andere zekerheden voor terugkrijgen. Dat brengt ons tot de neiging om de vragen ver van ons af te duwen.

We moeten er echter voor oppassen, dat wij onszelf niet op de been houden met schijnzekerheden. Echte zekerheden hebben een goede grand. Zij staan open voor toetsing, want ze kunnen tegen een stootje. Zij kunnen de toets doorstaan. Zodra er een sfeer ontstaat waarin bepaalde vragen niet gesteld mogen worden, omdat ze te bedreigend zijn voor wat als zekerheid geldt, dan is dat een bewijs dat er een diepere onzekerheid onder zit. Wanneer dan alleen al het stellen van eerlijke vragen als verdacht wordt beschouwd, ontstaat er een beklemmende sfeer, want: die vragen mogen niet aan de orde worden gesteld. Mensen kunnen daardoor in nood komen. Dat is een pastoraal motief om er wel mee bezig te zijn.

Ik geef een voorbeeld van een student, lid van een van de kerken van gereformeerde belijdenis, die na een avond waarop ik gesproken had aan mij schreef:

‘Ik heb eigenlijk allereerst een wat algemene vraag. Ik ben al een lange tijd bezig met het lezen van allerlei boeken op het gebied van hermeneutiek e.d. Ik heb feitenkennis en gedachten/twijfels op dat gebied, terwijl veel gemeenteleden niet met deze dingen bezig zijn. Tijdens kerkelijke bijeenkomsten en discussies zou ik deze feitenkennis en gedachten in kunnen (en willen) brengen, maar dat doe ik vaak niet. Ik ben dan bang dat ik mensen opzadel met gedachten/twijfels waar ze niet op zitten te wachten en die misschien wel afbreuk zouden doen aan hun geloof. Aan de andere kant is dit erg frustrerend voor mij: discussies gaan zo op, voor mij, wezenlijke dingen aan me voorbij, het is erg onbevredigend en als ik geloof dat iets waarheid/relevant is zou ik het toch gewoon moeten zeggen. Wat is volgens u de juiste houding in dit verband?’

Zo’n ontboezeming bevestigt mij in mijn overtuiging: er moet binnen de kerken ruimte zijn om over deze dingen te spreken. Tegelijk legt de briefschrijver de vinger bij een gevoelige plek: mensen die nog nooit met deze kwesties in aanraking zijn geweest, kunnen erdoor in verwarring worden gebracht. Uiteindelijk denk ik echter dat oriwetendheid nooit de basis kan zijn voor ware gemoedsrust. Dat is in de Reformatie al benadrukt. Het is dus van belang dat er een sfeer van vertrouwen ontstaat, waarin gevoelige vragen op een geestelijke en pastorale manier aan de orde kunnen worden gesteld. Laten wij ons onze onzekerheid en kwetsbaarheid daarbij maar inleven voor God en op Hem zien, om door zijn Geest te worden verlicht.

Het tweede dat bij een juiste instelling hoort is, dat wij onszelf rekenschap geven van onze liefde voor het Woord van God. Laten wij ons bewust zijn van wat Gods spreken in de bijbel voor ons betekent en welke invloed het verkondigde heil op ons persoonlijke leven heeft. Dat is de werkelijke graadmeter voor onze onderwerping aan de bijbel als het Woord van God. En laten ons denken en spreken doortrokken mogen zijn van een geestelijke verbondenheid met de God van het Woord.

Wezenlijk voor onze geestelijke verbondenheid met de heilige Schrift is, dat we haar het laatste woord geven. Buitenbijbelse gegevens kunnen wel een aanleiding vormen om bijbelgedeelten op een nieuwe manier te gaan lezen, maar uiteindelijk moet deze nieuwe manier van lezen bevestigd worden door de bijbel zelf. Dat wil zeggen dat door dit nieuwe verstaan de Schrift in allerlei facetten en verbanden op een nieuwe wijze voor ons opengaat. Dàt de Schrift bij een nieuwe manier van lezen op een nieuwe wijze voor ons opengaat valt lang niet altijd objectief te bewijzen. Dat kan namelijk alleen tot stand komen door middel van de werking van de Heilige Geest, en die laat zich niet objectief registreren. Door de Geest bewijst de Schrift zichzelf en zet zij zich door in ons leven. Die ondervinding is van wezensbelang bij het bezig zijn met de vragen rond de bijbel.

Wat tevens belangrijk is, is dat wij die ondervinding met elkaar delen. Daarom moeten we elkaar blijven ontmoeten en op geestelijke wijze contact met elkaar zoeken. En ook als we elkaar niet in alles zullen vinden, en er verschillen in inzicht blijven in wat God door middel van de Schrift ons te zeggen heeft, laten we er ook dan tot het uiterste van blijven uitgaan, dat ook de ander zich wil laten gezeggen door de Schrift. Dan gaan we geestelijk met elkaar en met de vragen om.

3. Omgaan met de vragen

Als ik probeer in te gaan op vragen rond de bijbel, kan dat in dit verband alleen in samenvattende zin gebeuren. Ik maak een aantai opmerkingen, die naar ik hoop enig houvast kunnen geven.

a. Ik begin met te benadrukken dat de Heilige Geest met recht de eerste auteur van de Schrift wordt genoemd. Daarom hebben wij het licht van de Geest nodig om de Schrift te verstaan. Dit betekent nooit dat wij met een beroep op de Geest onze eigen uitleg kunnen rechtvaardigen, dat zou ons in spiritualistisch vaarwater brengen. Het betekent echter wel, dat wij volstrekt afhankelijk zijn van de Geest. Het gaat er uiteindelijk om, dat de Geest de betekenis van een Schriftwoord evident maakt, zodat wij tot de overtuiging worden gebracht: ja, dat heeft de Here ons hier te zeggen. Deze overtuiging moet wel altijd weer aan toetsing worden onderworpen, omdat onze overtuiging nu eenmaal nooit onfeilbaar is.

Het geestelijke verstaan van de Schrift houdt altijd verband met Christus. Hij is het vleesgeworden Woord dat ons in de Schriften wordt verkondigd. Hij is het centrum van de Schrift. Dat wil niet zeggen dat wij de inhoud van de Schrift moeten reduceren tot wat expliciet over Hem gezegd wordt, maar wel dat wij altijd het verband zoeken waarin de verschillende onderdelen van de Schrift tot Christus staan. Deze grondovertuiging aangaande de Geest als Degene die de Schrift heeft ingegeven en daarom haar bedoeling doet verstaan, en aangaande Christus als de inhoud der Schriften, is fundamenteel. Zonder haar blijft de belijdenis van de bijbel als het Woord van God leeg.

b. In de tweede plaats is het belangrijk te zien dat de manier waarop wij de bijbel benaderen mede bepaald wordt door de manier waarop wij in onze westerse cultuur zijn gevormd. Ons denken is beschouwend, analyserend, kritisch-onderscheidend. ‘Waarheid’ is voor ons dienovereenkomstig: de letterlijke juistheid van wat de tekst naar voren brengt, zoals dat door middel van het tekstonderzoek wordt vastgesteld.

Deze analytische denkhouding en deze kijk op waarheid als letterlijke juistheid is in de bijbel lang niet zo bepalend. In de bijbel is het denken veel minder objectiverend en analyserend, en veel meer associatief, vanuit de persoonlijke betrokkenheid en het belang voor de eigen situatie. We hebben dit al met prof. Versteeg geconstateerd ten aanzien van de manier waarop oudtestamentische citaten in het Nieuwe Testament functioneren. Dat ging over de targoem-methode, waarin de eigen situatie en de eigen overtuiging van de lezer bepalend was voor de uitleg.

Ook bij wat in de bijbel onder ‘waarheid’ wordt verstaan, ligt de nadruk veel meer op wat je er praktisch aan hebt, of het betrouwbaar en duurzaam is, dan op theoretische, objectieve juistheid. Dit wordt weerspiegeld in de vrijheid waarmee de vier evangelisten hun materiaal rangschikken en zelf vorm geven. Verder uit de onbekommerdheid waarmee in het Nieuwe Testament soms aangesloten wordt bij de Joodse traditie, bijvoorbeeld op het punt dat de wet door bemiddeling van engelen aan Mozes gegeven is (Gal. 3: 19; Hebr. 2: 2), ook al zwijgt Exodus hierover. Niet de vraag ‘wat is historisch juist?’, maar de vraag ‘wat betekent het voor ons?’ gaf hier de doorslag.

Verder kunnen als voorbeelden voor een minder exacte en een meer associatieve benadering naar voren gebracht worden, dat veel getallen in de bijbel een meer symbolische dan exacte waarde hebben, en, wat al eerder is genoemd, dat gebruik gemaakt is van mythische beeldtaal.

Het verschil in beleving zou kunnen worden verduidelijkt met het verschil tussen fotografie en schilderkunst. Een schilderij is niet hetzelfde als een kopie van de werkelijkheid, ook niet als de werkelijkheid wordt uitgebeeld. Een goed schilderij komt alleen tot stand als het door de kunstenaar heengegaan is. Hij heeft de vrijheid om de zaken op zijn eigen wijze te ordenen, zelfs dingen weg te laten of toe te voegen. Een fotograaf daarentegen volstaat met het registreren van de werkelijkheid buiten hem. Een schilderij is geen objectieve weergave, een foto is dat veel meer. Toch kan door eigen accentueringen de werkelijkheid in een schilderij vaak veel duidelijker worden weergegeven dan op een foto. Het huishouden van Jan Steen brengt gecomprimeerd heel veel alledaagse dingen bijeen zoals ze in de 17e eeuw gebruikelijk waren, en hij verwerkt daar ook nog allerlei waarschuwende boodschappen in. Op een foto zou dat nooit lukken.

Probeert u zich voor te stellen dat vroeger fotografie niet bestond. Dat houdt niet alleen in dat het technisch onmogelijk was, maar ook als concept, als idee, was fotografie afwezig. Daarmee moet men het ongeveer vergelijken, dat letterlijke juistheid een veel geringere rol speelde, en dus ook kritische toetsing en verificatie achteraf.

Daarom mogen we aan de bijbel niet de eis stellen dat alles letterlijk moet kloppen. Prof. Versteeg schrijft:

‘De weg van het harmoniseren om daardoor alles te laten kloppen is een onbegaanbare en doodlopende weg. Men verstrikt zich op die weg in steeds fantastischer en onwaarschijnlijker redeneringen.’7

c. Mijn derde opmerking is een antwoord op de vraag of op deze wijze de werkelijkheid van de heilsgeschiedenis niet veel te onzeker wordt. Hoezo te onzeker? Wij blijven er toch van uitgaan dat in de bijbel betrouwbare getuigen aan het woord zijn die in dienst staan van de Heilige Geest! Dit uitgangspunt is inherent aan de grondovertuiging dat de bijbel Gods Woord is. Dat houdt niet per se in, dat alle bijzonderheden letterlijk kloppen, maar wel dat hun boodschap betrouwbaar is: dit is het heil dat God voor ons in en door Christus tot stand heeft gebracht. En ook wanneer er bijzonderheden zijn die niet letterlijk kloppen, doet dit geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de berichten. Want dan zijn ze toegevoegd om de betekenis van Gods heilshandelen des te beter te laten uitkomen.

Zo nam Lucas de vrijheid om de gelijkenis van het huis op de rots en het huis op het zand om te vormen zodat zij begrijpelijk werd in een niet-Palestijnse context. Bouwen op een rots wordt bij hem voorafgegaan door diep graven, terwijl Matteüs daarover zwijgt. En hij spreekt niet over stortregens, maar over een rivier die wild buiten haar oevers treedt (Mat. 7: 24-27; Luc. 6: 46-49).

d. Mijn Vierde overweging heeft betrekking op het feit dat over de heilsfeiten eigenlijk altijd in menselijke taal, en daarmee in menselijke beeiden en voorstellingen gesproken wordt. Zo is het spreken over de opstanding een spreken naar analogie van het opstaan na het wakker worden uit de slaap. Het is Jezus zelf die deze verbinding met de slaap legt, na het sterven van het dochtertje van Jaïrus. Hij zegt: ‘het meisje is niet gestorven, maar het slaapt’, als toespeling op het feit dat Hij haar tot leven zal wekken. Ook het spreken over de verzoening roept associaties op met wat er nodig is om het weer goed te maken tussen twee partijen.

Betekent dit feit dat allerlei menselijke voorstellingen in dienst genomen worden om de werkelijkheid van het heil uit te drukken niet, dat het slechts om menselijke voorstellingen gaat, die we ook wel zouden kunnen missen? Betekent het feit dat het om menselijke beeiden en voorstellingen gaat niet, dat het bijbelse spreken over het heil enorm wordt gerelativeerd? In de huidige discussies over de verzoening wordt het wel op die manier gesteld. Verschiliende bijbelschrijvers hebben bij de betekenis van Jezus’ sterven hun eigen gedachten gehad, en de gedachten van de één spreken ons meer aan dan die van de ander, en dat is niet erg, want het zijn toch maar menselijke gedachten, zo wordt geredeneerd.

Mijn antwoord is, dat de menselijke bewoordingen de werkelijkheid van het heil nooit kunnen omvatten, maar er wel op een ter zake doende manier naar verwijzen. Een voorbeeld dat ik geef heeft betrekking op Gods alomtegenwoordigheid. Psalm 139 (vs 5-6) zegt:

‘Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij.

Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij.’

Al doet de dichter zijn best het te verwoorden, hij moet erkennen dat het zijn begrip te boven gaat.

Het feit dat de werkelijkheid groter is, betekent niet dat wij de verschillende benaderingen en verwoordingen van de verzoening tegen elkaar uit mogen speien, in de trant van: de een heeft er dit van gezegd, maar de ander dat, zodat je het ook zo mag zien, in plaats van zus. Nee, al die benaderingen zijn nodig om samen aan het niet te bevatten heil recht te doen. En zelfs alle bij elkaar kunnen ze de volheid van het heil niet uitputtend beschrijven.

e. Mijn volgende overwegingen hebben betrekking op de rol van de wetenschap. Geloof en wetenschap hebben vaak met elkaar op gespannen voet gestaan, denk aan de invloed van de evolutietheorie, die momenteel overigens op haar retour lijkt te zijn.

Over de rol van de wetenschap moeten twee dingen worden gezegd. Het eerste is, dat we oog moeten hebben voor de grenzen van de wetenschap. De grenzen van de wetenschap worden bepaald door haar taak: het waarnemen, beschrijven en verklaren van waarneembare verschijnselen. De wetenschap overtreedt haar grenzen zodra ze zegt: wat niet waarneembaar is, bestaat niet. Zij doet dan namelijk een uitspraak over iets dat buiten haar onderzoeksveld ligt. Hier is te denken aan het bestaan van God en van wonderen. Die vallen buiten het terrein van het wetenschappelijk onderzoek, omdat ze niet aanwijsbaar en verifieerbaar zijn. We moeten ons daarom niet laten intimideren door lieden die zeggen: een maagdelijke geboorte en een lichamelijke opstanding zijn onzin, want het is wetenschappelijk bewezen dat die dingen helemaal niet kunnen. Het enige dat we kunnen zeggen is, dat ze door de huidige wetenschap niet zijn waargenomen en niet kunnen worden verklaard. Dat zegt iets over de beperkingen van de wetenschap.

Dat neemt niet weg dat de wetenschap ook wel eens hulpdiensten kan verrichten bij de interpretatie van de bijbel, en dat is de tweede opmerking die ik wil maken. Na heftige discussies heeft de conclusie van Copernicus over de beweging van de aarde ten opzichte van de zon tot het inzicht geleid dat de bijbelse uitspraken over het draaien van de zon niet letterlijk moesten worden opgevat. Zo kan in onze tijd de theorie van de gekromde ruimte ertoe bijdragen weer enig idee te hebben van de plaats van de hemel. Als de driedimensionale ruimte gekromd is, kan men zich enigszins een vierdimensionale ruimte indenken die de locatie kan zijn van de hemel. Misschien gaat het u nu wat te snel, maar voor mensen die erover hebben nagedacht, is dit een reële optie.

f. Het volgende heeft betrekking op de Schrift als norm voor het leven. In het begin vroeg ik uw aandacht voor de conclusie van prof. Oosterhoff, dat Gods openbaring is ingegaan in het bestaande en zich daarbij heeft aangesloten, om op deze wijze het bestaande te doorbreken en te verheffen. Dat betekent dat wij bij de toepassing van bijbelse aanwijzingen ons steeds moeten afvragen: in welke historische context zijn die aanwijzingen toen geschreven en hoe waren ze er toen op gericht het bestaande te doorbreken? Ze staan immers niet los van de historische context waarin ze zijn gesteld, ze zijn daar juist op gericht.

Dat impliceert niet dat ze voor ons geen betekenis meer hebben, maar wel dat wij die betekenis moeten achterhalen door te letten op de werking die ze toen wilden hebben. Dan zien we aan de ene kant de invloed van het bestaande op de vormgeving van het gebod, en aan de andere kant de doorbreking van het bestaande door het gebod. De spanning waarin we dan komen te staan is: wat is specifiek voor de tijd waarin de aanwijzingen gegeven zijn, en op welk punt vertonen zij het nieuwe van Gods wil die het bestaande doorbreekt?

In het volgende voorbeeld ligt dat duidelijk. Het komt uit Exodus 21: 20-21, waar we lezen: ‘Wanneer iemand zijn slaat of zijn slavin met een stok slaat, zodat deze onder zijn hand sterft, zal deze zeker gewroken worden. Slechts indien hij een dag of twee in leven blijft, zal hij niet gewroken worden, want het is zijn eigen geld.’

Aan de ene kant bespeuren we hier een humanisering van het recht in vergelijking met de wetten van bijvoorbeeld het oude babylonische rijk. Een slaaf wordt in de wet van Mozes niet alleen gezien als iemands bezit, maar ook als mens. Daarom moet de dood van een slaaf gewroken worden, ook al is de dader de eigenaar zelf, die met het doodslaan van zijn slaaf zichzelf heeft gedupeerd. Toch oefent het oude zakelijke denken nog zijn invloed uit. Immers, indien de slaaf nog twee dagen in leven blijft en pas dan aan zijn verwondingen overlijdt, hoeft hij niet gewroken te worden. De eigenaar is met de doodslag immers een dief van zijn eigen portemonnee. We zien enerzijds de tendens om het verzakelijkte denken over slaven te doorbreken, maar we zien anderzijds dat dit gebod nog aan het oud-oosterse levensbesef van die tijd vastzit. Daarom waarderen wij het gebod niet los op zichzelf, maar in zijn tendens om het bestaande te doorbreken en te verheffen.

Als wij deze werkwijze echter willen toepassen op het actuele thema van de plaats van de vrouw, hoe moeten wij de oproepen tot onderdanigheid en zwijgzaamheid waarderen? Gesteid tegen de achtergrond van de toenmalige cultuur moeten ze eerder rolbevestigend dan roldoorbrekend worden genoemd. Die rolbevestiging was nodig, omdat vrouwen het evangelie dreigden te misbruiken om hun eigen emancipatiebelangen te behartigen. Toch lijkt het mij te smal om de toepassing van deze geboden alleen te laten bepalen door de vraag of het bestaande erdoor wordt doorbroken. Tegenover een revolutionair denken kan God toch ook het bestaande willen bevestigen.

Ik kan hier de kwestie van de positie van de vrouw niet volledig behandelen. Alleen wil ik de vraag onder ogen zien welk gewicht Paulus’ Schriftberoep daarbij heeft. Paulus beroept zich op teksten over de schepping van man en vrouw: de vrouw is gemaakt om de man (1 Kor. 11:9); Adam is eerst geformeerd, en daarna Eva (1 Tim. 2: 13). Hoe zwaar moeten wij deze uitleg laten wegen? Is wat Paulus uit Genesis 2 afleidt algemeen geldig, of alleen binnen het kader van het doel dat hij in die situatie beoogt? We hebben zo-even gezien dat ons idee van letterlijke juistheid niet aan de bijbel mag worden opgelegd, en dus ook niet aan Paulus’ omgang met Genesis 2. Denk aan de targoem-methode. Zijn Schriftgebruik staat in dienst van het doel dat hij heeft: de vrouwen ervan te weerhouden het evangelie voor hun eigen kar te spannen en daarmee de doorwerking daarvan binnen en buiten de gemeente te belemmeren.

Het is trouwens een belangrijk nieuwtestamentisch gezichtspunt bij de beoordeling van morele kwesties: wordt de doorwerking van het evangelie erdoor gediend of wordt die erdoor belemmerd?

Dit gezichtspunt kon wel eens doorslaggevend zijn als het gaat over samenwonen. De liefde als eis van het evangelie vraagt om wederzijds vertrouwen. Dit vertrouwen vraagt om duurzaamheid van de relatie, waarin de een volledig veilig is bij de ander. De duurzaamheid van de relatie wordt gediend door een optimale sociale en juridische bescherming van die relatie. De beste sociale en juridische bescherming van die relatie wordt in onze tijd nog altijd geboden door het burgerlijk huwelijk. Uit elkaar gaan is dan toch moeilijker, want je bent officieel getrouwd. Het gaat er niet om dat onze vorm van huwelijkssluiting door de bijbel voorgeschreven wordt, maar dat deze openbare plechtigheid de beste voorwaarden schept voor de vereiste duurzaamheid.

g. Wat betekent op deze wijze de onfeilbaarheid van de Schrift? Zij kan niet betekenen dat de Schrift vrij is van historisch bepaalde bestanddelen. Aansluiting bij het bestaande impliceert dat de kenmerken van de ontstaanstijd erdoorheen schijnen, ook als die voor ons niet maatgevend zijn. Onfeilbaarheid kan ook niet betekenen: absolute letterlijke juistheid. We hebben gezien dat de nadruk op letterlijke juistheid ook cultuurhistorisch bepaald is en in de bijbel zo niet voorkomt.

De onfeilbaarheid van de bijbel houdt in de onfeilbaarheid van wat God in de bijbel tot ons te zeggen heeft. Wàt God de Here ons te zeggen heeft moet in de weg van een eerbiedige en volhardende luisterhouding telkens weer worden ontdekt. Deze onfeilbaarheid kan niet objectief worden bewezen, zo van: kijk maar, het klopt allemaal. Zij is voorwerp van geloof. Voor de gelovige zal zij ook worden bevestigd, doordat de Here doet wat Hij in zijn Woord zegt.

h. De laatste vraag die ik aan de orde wil stellen is: voelt u zich als ambtsdragers nu voldoende toegerust om op grond van de Schrift praktische leiding te geven en toezicht te houden op de prediking, of krijgt u het gevoel dat het er allemaal alleen maar ingewikkelder op wordt? Er wordt wel eens gevreesd dat bij al die overwegingen over het verstaan van de Schrift eenvoudig bijbellezen steeds moeilijker wordt, en dat het modale gemeentelid steeds meer uitgeleverd is aan de theologen die moeten uitmaken hoe een tekst vandaag de dag moet worden opgevat. Drie opmerkingen hierover.

In de eerste plaats moeten we nuchter zijn. Ten aanzien van ethische en kerkrechtelijke vragen hebben we al heel lang geaccepteerd dat wij ons laten adviseren door deskundigen, omdat wij er zonder hen niet uitkomen. Ook is het normaal dat verklaring en toepassing van de bijbel deskundigheid vereist van mensen die de grondtalen kunnen lezen en inzicht hebben in de verbanden van de bijbel en in de eisen van de tijd. Het is bijbels dat wij wat dat betreft de gaven in de kerken benutten en daarmee elkaar dienen. In de tweede plaats: u kunt niet op uw lauweren gaan rusten. Volgens het bevestigingsformulier hebben de ouderlingen Gods Woord te onderzoeken en zich te oefenen in de overdenking van de verborgenheden van het geloof. Ik weet dat velen onder een grote tijdsdruk leven, maar het blijft belangrijk dat u hieraan toekomt. Uw taak is primair de gemeente bewaren bij het Woord van God. Het is van groot belang dat u inzicht in het Woord hebt en hoofd- en bijzaken kunt onderscheiden. Daarbij ontkomt u er niet aan bezig te zijn met vragen rond de bijbel. Ik voeg eraan toe: doet u dat vanuit het hart van het evangelie.

In de derde plaats: er is niet een soort theologisch leergezag, dat tussen de bijbel en de lezer in staat. Uiteindelijk gaat het erom dat de Schrift zelf tot ons spreekt en dat wij met ons hart beamen: dit heeft de Here ons te zeggen. Theologische deskundigheid is dienstbaar aan een beter verstaan. Dit verstaan hangt echter niet van de theologie af. De bijbelverhalen verkondigen ons Gods grote daden in hun heilsbetekenis voor ons. En in deze eenheid van feit en interpretatie aanvaarden wij ze als waarheid Gods. En de morele aanwijzingen in de Schrift lezen en verwerken we tegen de achtergrond van wat dienstbaar is aan de doorwerking van het evangelie de breedte en in de diepte. Mogen wij zo bewaard worden bij het Woord van God en elkaar bijstaan om dat Woord aan het woord te laten komen.

Noten

1. B.J. Oosterhoff, ‘Hermeneutiek van de wet’, in: Jaarboek 1965 van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, p. 200.

2. B.J. Oosterhoff, Hoe lezen wij Genesis 2 en 3? Een hermeneutische studie, Kampen 1972, p. 202v., 207vv.

3. A.w., p. 170v.

4. J.P. Versteeg, ‘Het gebruik van het Oude Testament door het Nieuwe Testament, met name in het evangelie naar Mattheüs’, in: Geest, ambt en uitzicht. Theologische opstellen, Kampen 1989, p. 36.

5. A.w., p. 41.

6. B.J. Oosterhoff, ‘Schriftgezag en modern bijbelonderzoek’, in: Het hoge Woord. Theologische bijdragen over het Schriftgezag van reünisten der Gereformeerde Theologen Studenten Vereniging “Voetius” te Utrecht, Amsterdam 1976, p. 96.

7. J.P. Versteeg, ‘Het fundamentalisme en de historische betrouwbaarheid van de Schrift’, in: Geest, ambt en uitzicht, p. 25.

Dr. B. Loonstra is predikant van de gemeente van Hoogeveen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.