+ Meer informatie

HET GODSGEBOUW

Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. 2Timotheus2:19.

5 minuten leestijd

Vanaf het ogenblik dat het Godswerk van vrije genade zich op de aarde openbaarde, heeft de duivel met zijn trouwe bondgenoot de mens, dit Godswerk tegengestaan, verdacht gemaakt, bestreden maar ook nagebootst. De mens is immers een trouwe bondgenoot van de duivel. In de diepe val is hij niet gedeeltelijk, maar volkomen van God afgevallen en volkomen de satan toegevallen. De mens is het met alle werken des satans eens, daarin vindt hij vermaak en zoekt er zijn leven in.
Dat geldt dus niet alleen in de dingen van de brute zonde en werelddienst, maar juist op het terrein waar de Heere met Zijn Geest werkt. Op de dodenakker verteert de dood zichzelf, maar op de akker van vrije genade probeert de dood het leven aan te tasten en te vernietigen. Daarom zijn juist op de plaatsen waar de waarheid nog recht gebracht wordt, de duivel en de mens het actiefst bezig. De vijandschap tegen de leer van vrije genade is dus niet vreemd, maar wee degenen die het vuur heimelijk of bedekt aansteken.
David moest daarvan zeggen, dat het kwam van hen die minzaam met hem handelden. Dat zijn de geveinsden met een tong van fluweel, maar met een hart van dodelijk venijn. Het zijn de tekenen van het beest uit de afgrond, het wijst op de bange tijd welke voor het ware leven aanstaande is.
De apostel waarschuwde tegen deze geesten zijn geestelijke zoon Timotheus. Onder toelating Gods zouden zij in hun vijandschap zich openbaren, in een ongoddelijk en ijdel roepen. Dat zou zelfs een tijd worden verdragen, onder de toelating Gods, waardoor zii in meerdere goddeloosheid zouden toenemen. Ja, hun woord zou voorteten als kanker (vs. 17).
Alverdervend zou het doordringen in het leven van de gemeente. Vele onwetende zielen zouden misleid worden en in het koor van vijandschap en heimelijk verzet meezingen. De apostel schrijft daarvan dat ze het geloof van velen verkeren; dat is een verkeerde richting doen uitgaan.
Tegen dit alles staat in de tekst aangewezen: „Evenwel, het vaste fundament Gods staat". Er is een evenwel, namelijk, tegen alle menselijke vondsten staat de eeuwige waarheid Gods. Het is een onwankelbaar getuigenis van de Hemel dat door de mens niet ongedaan zal kunnen worden gemaakt.
Hoe vreselijk zal het ontwaken zijn, in de dag aller dagen, als God zijn genadewerk zal bekendmaken, in de ontdekking van het bedrog van mensenwerk en menselijke overleggingen. Het zijn de wapens van de hel, om het werk Gods tegen te staan.
Meestal gebruikt de satan daartoe mensen, welke zonder levensvernieuwing een veranderde levenskoers zijn gegaan. Deze openbaren zich terstond in hun gangen. Zij worden al pratende geboren en hebben gelijk al kennis van zaken. Zij hebben hun vermaak in oordeel en vooroordeel, zij zoeken daartoe hun metgezellen bij hen die Sion gram zijn en leven van de roof.
Zij maken het Godswerk verdacht, door hun eigen vermeende bevinding als grond te kiezen en twijfelen nooit aan eigen hart, omdat de Heilige Geest nimmer inwoning in het hart maakte. Daarom missen zij de twistingen van de Heilige Geest. De apostel noemt hen natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben.
Zij hebben geen verstand van kermen, omdat de zonde nimmer in zijn Godonterend karakter werd ontdekt. Hun meegedeelde zondekennis bestaat meestal uit wat uitwendige daden, die door de algemene bediening van Gods Geest in de conciëntie wat benauwdheid veroorzaakten. Maar ze zijn niet gelijk aan de arbeid van de Heilige Geest welke in het uur der wedergeboorte Gods kinderen hun helwaardig bestaan doet kennen en aanvaarden.
Hoe nauw moeten wij dit toch onderscheiden en dat vooral in een tijd dat het ware werk der genade zo spaarzamelijk openbaar komt. In het derde hoofdstuk vers 5, spreekt de apostel over een gedaante van Godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben.
Hoeveel kan er zijn, wij kunnen stad en land aflopen, wij kunnen onze mond vol hebben van vermeende Godzaligheid, maar nimmer van dood levend zijn gemaakt. 
Het ware leven vindt zijn grond niet in eigen bevinding, maar in het eenzijdige werk van Goddelijke verkiezing en genade. Hun oorsprong is niet in eigen hart te vinden, maar in de vrijmacht van het Goddelijke welbehagen. De grond van de genade is de verkiezing Gods. Eer de kinderen geboren waren, goed noch kwaad voortgebracht hadden, was het besluit vast: „Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat". Daaruit vloeit in de tijd het uur van Gods welbehagen en als vrucht: de onwederstandelijke staatsverwisseling. Van dood levend gemaakt, uit de oude stam Adam uitgehouwen om in de levende stam Christus te worden ingelijfd. Deze alleen zijn de gekenden des Heeren. Deze noemt de Heere: De Zijnen!
Dat wij het recht zouden verstaan en dat in het licht van de naderende eeuwigheid. Daar zal geen kennis ons baten, geen beschouwing ons helpen, geen vermeende geloofsoefeningen gelden. Alleen de gekenden des Heeren zullen door de poorten binnen gaan.
Welzalig zij, die naar Zijn reinen leer,
in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen.
Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer;
Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.

Dirksland ds. P. Blok

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.