+ Meer informatie

Jobs offeren voor zijn kinderen

7 minuten leestijd

En daarom wordt hier in het bijzonder gezegd, dat Job, nadat de zonde gedaan was bij de gastmalen van zijn kinderen, hen beval zich te heiligen, en voorts bracht hij een plechtig offer voor ieder van hen, zeggende: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, dat ze God niet gedankt hebben. Wij zullen echter over dit alles aan het einde spreken. Wij zien dan dat Job niet was als die mensen, die nadat zij bezwaar gemaakt hebben, tot de slotsom komen dat men geheel buiten het spoor moet gaan. Maar Job gaat naar het geneesmiddel, namelijk: God zal ons ondersteunen in onze zwakheden; ook al hadden mijn kinderen niet geheel hun plicht gedaan, God zal medelijden hebben met hen en met mij. Laten wij Hem dus vergeving vragen. Intussen verbiedt Job zijn kinderen niet hun gewone gastmalen te houden. Waarom niet? Omdat de zaak zelf goed was, gelijk wij gezegd hebben. Als Job gezegd had: dit is een goddeloze zaak, o, men moet niet offeren, want dat zou Gods Naam misbruiken zijn, en een slechte dekmantel aandoen. De offers zijn niet verordend om ons in het kwade te doen blijven, en opdat ieder zichzelf zal koesteren en zichzelf vleien in zijn zonden, om te zeggen: ik zou kunnen offeren, en dan zal God tevreden zijn. Job offert dus niet om te zeggen dat hij een slechte zaak handhaaft, maar hij weet dat zijn kinderen goed doen, wanneer zij de één na de ander zulk een bijeenkomst houden, en dat dat een lofwaardige zaak is. Aangezien hij dat weet, wil hij niets zoeken te zeggen op wat goed is, maar hij zoekt het geneesmiddel, om, voor het geval er een zonde onder verscholen is, het God moge behagen dat te herstellen, en als om te zeggen: wel, wij moeten God vergeving vragen, opdat hij onze zwakheid te hulp moge komen. Wij zien dan hoe Job hier handelt, gelijk ook wij er moeten handelen. En laten wij tenslotte opmerken, dat als Job zijn kinderen bevolen heeft zich te heiligen, hij daarin het onderricht getoond heeft, dat hij hun gegeven had van hun kindsheid af, namelijk om God te dienen. Wanneer er eenvoudig gezegd werd dat Job de Heere geheiligd heeft, zou men zeggen: Wel, dat was een braaf man wat hem zelf aangaat, maar hij heeft niet veel zorg voor zijn kinderen gehad; het was hem genoeg om zichzelf te kwijten jegens God, maar hij heeft anderen de vrije teugel gelaten. Maar integendeel, er wordt gezegd, dat hij hén bevolen heeft, dat zij zich zouden heiligen, en dat zou tevergeefs gedaan zijn, en nutteloos geweest zijn, als zij niet reeds lang onderwezen waren geweest, hoe zij moesten wandelen in de vreze des Heeren. En hoewel zij reeds volwassen mannen geworden waren, en ieder zijn huis had, en zijn tafel voor zichzelf, is het toch zó dat Job niet naliet hen steeds onder een zekere tucht te houden. Daar hebt ge een leer die ons zeer nuttig is, namelijk dat de vaders hun kinderen zó moeten leiden, dat God door allen geëerd wordt. En wij moeten zoveel te meer deze leer opmerken, als wij zien dat ze zo slecht in praktijk gebracht wordt. Want tegenwoordig willen degenen, die kinderen hebben, wel dat ze onderwezen worden. Maar dat zij geleid worden door een ijver en liefde voor God, men zal er met grote moeite één op de honderd vinden. Hoe komt dat? Ieder denkt aan zijn voordeel. Hij zal zeggen: Ik zou wel willen dat mijn kind onderwezen werd. Maar wat? Wanneer hij een goed verstand heeft, laat hij omhoog komen, zich laten gelden, laat hij goed verzamelen, laat hij in aanzien zijn, en in ere. Ziedaar de oogmerken die de vaders hadden, toen ze wilden dat hun kinderen onderwezen werden; maar zich houden bij deze eenvoudigheid, om te zeggen: Ik ben tevreden wanneer mijn kind God dient, ervan verzekerd dat God hem zegenen zal, hem voorspoed zal geven, en ook al is hij arm naar de wereld, ik ben er tevreden mee dat God zijn Vader is. Hoevelen zijn er die zulke overleggingen hebben? En God geeft het loon ook terug aan de vaders, gelijk zij het verdiend hebben; want het schijnt hun toe dat zij genoeg gedaan hebben, wanneer zij hun kinderen vooruit gebracht hebben. En God laat toe dat hun kinderen hun de ogen uitsteken, dat het beulen zijn die hen martelen. Wij zien dat voor ogen, maar wij weten niet dat het God is die hen kastijdt, en met goed recht. En dus moeten wij des te meer de leer goed opmerken die de Heilige Geest ons hier voorhoudt onder het voorbeeld van Job, te weten dat de vaders hun kinderen zó in de toom houden, dat zij ze aanspören om God te dienen. En ook deze omstandigheid moet niet vergeten worden, n.l. dat hoewel de kinderen van Job reeds volwassen waren, de vader ze niettemin altijd in onderdanigheid houdt, en ze aanspoort vergeving van God te vragen, wanneer ze Hem hebben beledigd, en zich te reinigen. Maar tegenwoordig, zodra de kinderen tien jaar zijn, menen zij al dat zij mannen zijn; men moest ze met de stok geven vijftien jaar nadat zij de tekenen van man-zijn krijgen. En het schijnt dat het wonderkinderen zijn; want het zijn anders niet dan kleine stukjes vuil, en het is niets nieuws dat zij geen berisping verdragen en geen lering aannemen; het schijnt hun toe dat men hen verkeerd en onrechtvaardig behandelt. Daartegenover zien wij hoe er hier van gesproken wordt. Maar hoe komt dat? De vaders zijn wel waard dat hun kinderen hen niet meer gehoorzamen, en dat zij zich niet meer aan hen onderwerpen. En waarom? Want wie geëerd wil worden, die moet zich eer waard betonen, d.w.z. hij moet iéts laten zien. Hoe komt het dat een vader gezag verkrijgt over zijn kinderen om door hen gehoorzaamd te worden, en om ze in onderdanigheid te houden? Wanneer hij zulk een ernst en gematigdheid in zich zal hebben, dat de kinderen zich zouden schamen hem tegen tespreken, en een grote mond tegen hem op te zetten. Maar wanneer de vaders alle godsvrucht verwerpen, hoe zullen hun kinderen hen dan gehoorzamen, wanneer zij zelf niet de eer aan God bewijzen, die Hem toekomt? Daar hebt ge dan de oorzaak dat de kinderen zich zo ongezeggelijk tonen, en dat men ze niet in de toom kan houden. Dat komt, aangezien de vaders ongehoorzaam zijn aan God. En zoveel is zeker, dat de vaders én de kinderen hier veroordeeld zijn; de vaders om hun onachtzaamheid, als zij er niet op letten hun kinderen te onderwijzen in de vreze Gods, en ook de kinderen als zij zich niet laten regeren door hun vaders. En zij hebben hier een goed voorbeeld, want er wordt gesproken van mensen die konden zeggen: en mijn vader heeft mij in de toom gehouden in de tijd dat ik jong was, maar moet ik nu altijd onder de duim gehouden worden? De kinderen van Job konden zó spreken, maar wij zien, dat hoewel zij een huishouden hadden, zij niettemin altijd onder de leiding van de vader zijn; want er wordt in de tekst niet gezegd dat zij tegengesproken hebben wat hun bevolen is, gelijk er gesproken wordt over de kinderen van Eli.

Uit een preek over Job 1 : 2 t/m 5

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.