Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Afbeelding van artikel niet beschikbaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

¶ Jan Jacobs, In de schaduw van Franciscus. De Nederlandse Minderbroeders-Kapucijnen, z.p.: Valkhof Pers 2016, 518 pag. isbn 978 90 5625 468 1, €29,95

13 minuten leestijd

Het monastieke leven in Nederland beleeft in getalsmatige zin jaren van neergang: het aantal kloosterlingen vertoont al decennia lang een dalende tendens en veel kloosters zijn gesloten. In samenhang daarmee komt de behoefte op om de geschiedenis van kloosters en kloosterorden te beschrijven en te documenteren. Zo beschreef bijvoorbeeld enkele jaren geleden Marit Monteiro in een zeer omvangrijk boek de geschiedenis van de Dominicanen in Nederland. Jan Jacobs heeft zich de afgelopen jaren gewijd aan de beschrijving van de geschiedenis van een andere orde in Nederland: de Minderbroeders-Kapucijnen (Ordo Fratrum Minorum Capuccinorum – afgekort: ofmcap).

De orde van de kapucijnen maakt deel uit van de franciscaanse traditie. De benaming ‘minderbroeders’ deelt zij met twee andere orden uit de franciscaanse traditie: de minderbroeders-conventuelen en de minderbroeders-franciscanen. De naam ‘kapucijnen’ is ontleend aan de lange puntmutsachtige kap, die vastgenaaid is aan het vormloze habijt van vaalbruine stof, waarin zij gekleed plegen te gaan. In de volksmond werden zij daarom al spoedig ‘scapuccini’ genoemd: ‘mannen met de puntkap’. In de zuidelijke Nederlanden werd dit verbasterd tot: ‘kapecienen’. Deze spotaanduiding hebben zij zich als geuzennaam toegeëigend.

Het begin van de orde reikt terug tot het eerste kwart van de zestiende eeuw. Pas vanaf 1882 is er echter sprake van een eigen Nederlandse kapucijnenprovincie. In dat jaar treedt er een breuk op in de Belgisch-Hollandse ‘provincie’, waarna de Nederlanders zelfstandig verder gaan.

Jacobs’ boek valt in zes delen uiteen. Het eerste hoofdstuk beschrijft de geschiedenis tot dat breukjaar 1882. Vervolgens wordt de blik exclusief gericht op de Nederlandse kapucijnen. Het tweede hoofdstuk is getiteld: ‘Een netwerk van kloosterfamilies’. Gedetailleerd beschrijft Jacobs hoe de Nederlandse kapucijnenfamilie wordt opgebouwd en nieuwe kloosters worden gesticht. Het midden van de twintigste eeuw is de periode van bloei. Vanaf de jaren zestig zet de neergang in en worden kloosters en huizen ook weer gesloten. Dit wordt ook zichtbaar gemaakt in de eerste bijlage met statistische gegevens. Een tabel laat zien dat de kapucijnen in 1882 met 118 mannen begonnen. In 1960 bereikt de orde in getalsmatige zin zijn hoogtepunt met 660 leden. De laatste regel van het schema laat zien dat het aantal in 2008 is teruggelopen tot 103. In het laatste hoofdstuk (pag. 459) lezen we dat er op 1 januari 2016 nog slechts 60 kapucijnen in Nederland woonden. Hun gemiddelde leeftijd ligt ruim boven de zeventig jaar.

In het derde hoofdstuk staat Jacobs stil bij het thema van studie en vorming. Kort schenkt hij aandacht aan de praktijk voor het ontstaan van de eigen Nederlandse provincie, om vervolgens opnieuw gedetailleerd te beschrijven hoe opleiding en vorming in Nederland gestalte kregen. Noviciaat, seminarie en de hogere of gewijde studies – ‘de opgang naar het altaar van de Heer’ – worden onderscheiden. Aan het slot van het hoofdstuk (pag. 260v.) is er aandacht voor een zwarte bladzijde uit de geschiedenis van de Nederlandse kapucijnen. Ook enkele leden uit hun kring blijken zich schuldig te hebben gemaakt aan een of andere vorm van seksueel misbruik.

Het vierde hoofdstuk beschrijft het ‘dienstwerk’ in Nederland. Er blijkt een grote verscheidenheid aan ‘apostolaatsvormen’ tot ontwikkeling te zijn gekomen: apostolaat van het gesproken en geschreven woord (dat niet alleen gericht was op bekering van mensen, maar ook sociaal-charitatief werk omvat). Voorts verscheidene vormen van categoriaal pastoraat (bijvoorbeeld onder Nederlandse arbeiders werkzaam in het Ruhrgebied, onder zeelieden in Rotterdam en Amsterdam, en andere vormen van arbeiderspastoraat) en vormen van sociaal apostolaat (bijvoorbeeld gericht op verwaarloosde jongeren en drankmisbruik). Ten slotte beschrijft Jacobs bijdragen van Nederlanders aan de opbouw van de kapucijnenprovincies in Oost-Europa.

Dat vormt de overgang naar de beschrijving van het werk van Nederlandse kapucijnen elders in de wereld, waaraan het vijfde hoofdstuk is gewijd. De Nederlandse kapucijnen blijken in het bijzonder missionair werk te hebben verricht in voormalig Nederlands-Indië. Op Borneo en later ook op Sumatra waren Nederlandse kapucijnen werkzaam. Vanzelfsprekend is er veel aandacht voor de moeilijke jaren onder de Japanse bezetter en de jaren van de onafhankelijkheidsstrijd. Ook zijn in de jaren van bloei van de Nederlandse tak van de orde enkele leden uitgezonden naar Chili en Tanzania.

Het relatief korte en laatste hoofdstuk beschrijft de bijdrage van enkele Nederlanders aan het bestuur van de orde wereldwijd (in Rome). Tevens staat de auteur stil bij de meest recente geschiedenis. Er wordt – vooral vanuit het buitenland – gepleit voor ‘internationale personele solidariteit’: zouden kapucijnen uit andere landen niet naar Nederland kunnen komen om te helpen de orde in stand te houden? Binnen Nederland wordt daar echter afwijzend op gereageerd: ‘Uitsterven van de provincie behoeft niet per sé voorkomen te worden. Het kan een waardig slot zijn van een waardevolle en zinvolle geschiedenis van de kapucijnenorde in ons land’ (p. 481).

Dit citaat duidt aan dat de Nederlandse provincie van de orde der kapucijnen waarschijnlijk niet lang meer zal bestaan. Om die reden is het goed dat de geschiedenis van de orde is beschreven. We krijgen een beeld van opkomst, bloei en neergang. Leden van de orde hebben met ziel en zaligheid gewerkt aan hun idealen en veel werk verzet. Ik liet al tweemaal het woord ‘gedetailleerd’ vallen. Het boek staat vol met data en jaartallen en schenkt veel aandacht aan organisatorische vragen. Dat vergt soms veel van de lezer. In het bijzonder geldt dat voor een lezer van protestantse huize. Het gebruik van jargon is voor mij niet altijd doorzichtig. Al lezend ga ik het verschil tussen paters en broeders wel begrijpen, vooral wanneer ik aan het eind van het boek (p. 468v.) lees dat tussen hen lange tijd een pijnlijk verschil in stand heeft bestaan. Maar wat is nu het onderscheid met ‘wereldheren’? Wat is een ‘apostolisch prefect’, een ‘apostolisch vicarius’ of een definitor? Wat is het verschil tussen ‘eerste orde’ en ‘derde orde’ (tweede orde ben ik niet tegengekomen)?

Sommige Nederlandse kapucijnen komen geregeld in het boek voor. In het bijzonder geldt dat voor bestuurders van de orde. Anderen komen maar een of enkele keren voor. Jacobs neemt in de lopende tekst dan geregeld als het ware een klein portretje van hen op. Met enkele woorden worden zij getypeerd. Zo krijgen zij een gezicht. Dat geldt heel letterlijk wanneer er ook een foto van de persoon in kwestie is opgenomen (het boek bevat veel foto’s; er is met zorg nagedacht over de plaats waar de foto’s zijn afgedrukt).

Op talrijke foto’s zien we mannen met ruige, lange baarden. Die baarden, zo wordt al snel duidelijk, staan in verband met de kapucijnse spiritualiteit. Die ruige, onverzorgde baarden vormden ten tijde van het ontstaan van de orde namelijk een protest tegen de ‘verfijnde luxe’ die veel geestelijken toen tentoonspreidden (p. 15). Over die spiritualiteit had ik graag meer willen lezen. Ik begrijp dat contemplatie en actie samenhangen. Beter gezegd: dat het laatste verworteld is in het eerste (p. 197). Ik begrijp ook dat de kapucijnen een strenge orde vormen. Armoede, nederigheid, dienstbaarheid en gehoorzaamheid zijn belangrijk, evenals stilzwijgen, nachtkoor en vasten. Met verbazing lees ik over de – ook in de twintigste eeuw nog voorkomende – ‘traditionele oefeningen van boetvaardigheid’: geseling op de blote billen of schouders (p. 206v., 482). Hoe verhoudt zich dat tot ‘de’ franciscaanse spiritualiteit? Datzelfde geldt voor slapen op de kale vloer en een paar keer per jaar geknield van de grond eten (wat mij eerlijk gezegd aan ontgroeningspraktijken van een studentenvereniging doet denken). Waarin onderscheidde zich nu de ‘ware kapucijnengeest’ (463) van de spiritualiteit van de minderbroeders-conventuelen en minderbroeders-franciscanen? –

Dit artikel werd u aangeboden door: Archief en Documentatiecentrum van de Gereformeerde kerken in Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017

DNK | 1 Pagina's

Afbeelding van artikel niet beschikbaar

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017

DNK | 1 Pagina's

PDF Bekijken