Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Afbeelding van artikel niet beschikbaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

¶ Jasper Vree, Kerk, huis, school en staat. Leven, werk en vriendenkring van P. Hofstede de Groot (1844-1886). Uitgeverij Verloren, Hilversum 2017, 854 pp. isbn 978 90 8704 641 4. €59,00.

21 minuten leestijd

In 1984 verscheen bij Kok in Kampen de handelseditie van het proefschrift van Jasper Vree, De Groninger godgeleerden. De oorsprongen en de eerste periode van hun optreden. Nu, in 2017, komt bij Verloren in Hilversum een vervolg op deze bekende studie uit. De focus ligt ditmaal niet op een groep maar op de figuur die als hart en ziel van de ‘Groninger richting’ beschouwd werd: de hoogleraar Petrus Hofstede de Groot (1802-1886). De leidende gedachte is echter ongewijzigd gebleven. ‘Gedachten gaan op voeten’, ofwel: het denken van een academicus valt niet los te zien van de tijd waarin die leeft, waarin die ingrijpt. Dit praktijkgerichte denken wordt door Vree kritisch, tot in de details en met kennis van zaken besproken. Met dat laatste komt tevens een afgewogen weging van argumenten mee, van voor- en tegenstanders. Deze werkwijze garandeert distantie, zowel ten aanzien van de wisselende kwaliteit van het academische werk van De Groot als ten aanzien van diens opvattingen over kerk, huisgezin, school en staat als door God gewilde ordeningen. Het streven om zich niet op één van die velden te concentreren wordt echter geenszins als onrealistisch afgewezen. Integendeel: dit programma vormt een hoofdthema van het boek. De Groot wilde heel bewust geen geleerde pur sang zijn. Een aanzienlijk deel van zijn tijd en energie – en van zijn persoonlijk vermogen – besteedde hij niet aan zijn universitaire carrière, maar aan kerk, school en samenleving. Dat betekende: inlandse zending, een godgeleerd genootschap, meerdere tijdschriften, schoolinspectie, catechisatie. Hij was kortom een geëngageerd theoloog.

De sympathie voor deze activistische opstelling, waar Vree al blijk van gaf in 1984, is sindsdien onverminderd bij hem aanwezig gebleven. Het levert Kerk, huis, school en staat een fraaie dubbelstructuur op. Enerzijds zijn er de al genoemde distantie ten opzichte van het gekozen onderwerp; de acribie; de aandacht voor het correct weergeven van talloze technische en procedurele details. Anderzijds toch ook een onomwonden sympathie voor het streven van de geportretteerde. Vree maakt geen geheim van zijn waardering voor De Groots inzet om theorie buiten de universiteit te brengen, om academische inzichten te confronteren met de weerbarstige werkelijkheid van kerk en samenleving. Zijn beschouwingen over De Groot staan in dit opzicht niet los van zijn even bekende publicaties over diens tegenpool Abraham Kuyper. Met enige spijt constateert Vree dat De Groot een van de laatste vertegenwoordigers van het type hoogleraar generalist was, ‘voor wie niet het wetenschappelijk onderzoek en onderwijs op een beperkt gebied voorop stond, maar veeleer het onderwijs als opvoeding van een nieuwe generatie leiders voor de natie, alsmede de dienst aan de publieke zaak’. Daarmee is dan meteen het centrale belang van kennisvermeerdering aangekondigd, op elk van de vier terreinen waarop Hofstede de Groot zich bij voorkeur bewoog.

Het is verhelderend om Vree’s uiteenzetting van De Groots onderwijsidealen naast het in 2014 eveneens bij Verloren verschenen werk van Klaas van Berkel te leggen, Universiteit van het Noorden. Vier eeuwen academisch leven in Groningen deel 1 (de oude universiteit 1614-1876). In kerkhistorische literatuur wordt de gedachte van een doorgaande opvoeding van de mensheid, ‘in en uit Jezus Christus’ allereerst theologisch benaderd. De door Vree beschreven dynamische inslag van het denken van de Groninger godgeleerden past echter ook heel goed bij het academische klimaat van die dagen. De tragiek van de ‘Groningers’ in hun nadagen was niet dat zij ogenschijnlijk voor eens en voor altijd in één bepaalde vorm gefixeerde theologische formuleringen in hun tijd plaatsen (ook orthodoxen als Kuyper deden dat), maar dat zij met hun ‘naïeve’ opvatting van de lichamelijke opstanding de aansluiting verloren met de manier waarop over dat onderwerp in de medische faculteit werd gedacht. Theologie, zo maakt vergelijking met het overzichtswerk van Van Berkel duidelijk, bleef in hoge mate een alpha-studie. Eigenlijk is dat verbazingwekkend, want buiten de muren van de Academie werkten Hofstede de Groot en diens vrienden juist nauw met medici samen om de volksgezondheid te verbeteren. De opstanding van Jezus Christus was een kernstuk in De Groots theologie, en kreeg praktisch gestalte in zijn engagement. Daarvoor, voor die uitwerking, bestond een brede waardering in de Groningse elite, ook in de universiteit. ‘Letterlijke’ opvattingen van een historische zondeval of hemelvaart konden daar echter op steeds minder waardering rekenen, niet in de laatste plaats dankzij De Groots eigen inspanningen – hij was ook schoolinspecteur – om van hoog tot laag het onderwijs te verbeteren. Het creëerde een lacune waarvan het door hem als vervalfenomeen beschouwde modernisme dankbaar gebruikt zou maken. Zelfs De Groots jongere geestverwant W. Muurling ging in de jaren zestig tot de modernen over.

Maar dan zijn we al in de latere hoofdstukken van deze omvangrijke studie aangeland. In de aanloop komt op indrukwekkende manier naar voren met hoeveel inspanning de modernisering van Nederland gepaard ging, en hoe groot de bijdrage daaraan was van het patriciaat in stad en platteland. Gemoderniseerd onderwijs, de publieke hygiëne, de zorg voor hulpbehoevenden, de geleidelijk en gecontroleerd toenemende participatie van de geschoolde middenklasse aan de politieke en kerkelijke besluitvorming – dat alles vroeg niet enkel om een efficiënt overheidsapparaat maar ook om actief betrokken burgers als De Groot. Bij de uitvoering van zijn projecten betrok hij mensen die eerder aan de marge van de standensamenleving verkeerd hadden, maar nu nadrukkelijker dan ooit in beeld kwamen als handelende personen met een eigen verantwoordelijkheid: de vrouwelijke verpleegsters in nieuwe zorginstellingen (waarbij het Rauhe Haus in Hamburg en de Fliedner-instellingen in Kaiserswerth als voorbeeld dienden) zijn een voorbeeld, maar ook de steeds mondiger wordende catechiseermeesters in de kerk (die niet zelden een orthodox standpunt innamen).

De consequenties van de door De Groot zo hartstochtelijk gesteunde scholing waren aanzienlijk. Nederlanders oefenden zich in publiek debat, leerden argumenten uit te wisselen met geestverwanten én tegenstanders. Onbeperkt moeten we ons die participatiesamenleving overigens ook niet voorstellen. De Groot had in zijn jonge jaren de excessen meegemaakt van de Franse revolutie. In later jaren maakten het geweld in Frankrijk in 1830 en 1848 een diepe indruk op hem. De Groningse hoogleraar geloofde in opvoeding en ontwikkeling, maar dan wel beschermd door de Nederlandse natiestaat en daarbinnen door een bezielende werking van de Nederlandse Hervormde Kerk op heel het volk. In die zin was hij zich ervan bewust tot een ‘nationale elite’ te behoren. Zonder deze overkoepelende kaders leek geen vooruitgang mogelijk. Onbezonnen democratisering zou dan kunnen uitmonden in ‘oglocratie’, een gevaar dat eveneens dreigde in de protestantse Afscheiding van 1834. Het politieke liberalisme van Thorbecke beschouwde hij als een hoogst riskant experiment, de rooms-katholieken als een potentieel gevaar voor het weldadige protestantse karakter der natie, de joden als ‘welkome gasten’ (die echter niet geacht werden zich al te zeer in te laten met ’s lands politiek en schoolinrichting).

Stellen we de vraag hoe dit boek zich verhoudt tot de bestaande literatuur, dan vallen twee thema’s op. Allereerst de positionering van de theologie binnen de geesteswetenschappen, die nodig is om het oeuvre van De Groot in zijn eigen karakter te verstaan. De dynamische aspecten van de Groninger godgeleerdheid komen het duidelijkst uit wanneer beseft wordt dat De Groot ook een geesteswetenschapper was: de principes van sola fide en sola Scriptura konden door hem onmogelijk statisch worden opgevat. Hij respecteerde de traditie, maar evenzeer het toenemend inzicht dat zijn universiteit op zo’n stimulerende manier representeerde, gebruikmakend van de door God gegeven verstandelijke faculteiten. Uiterst nuttig voor de hedendaagse lezer is ook de bespreking van De Groots reactie op het liberalisme. Zoals bekend maakte Thorbecke rond het midden van de negentiende eeuw een grote opgang in de provincie Groningen. Het is dan ook attractief om de Groninger godgeleerdheid achteraf als een vroeg stadium van datzelfde liberalisme te beschouwen, zowel in de politiek als in de theologie. Die interpretatie is des te verleidelijker omdat dit precies was wat De Groots orthodoxe tegenstanders indertijd ook al beweerden! Maar al te gemakkelijk kan dan een beeldvorming ontstaan van de Groninger richting, liberalisme en uiteindelijk modernisme als opeenvolgende stadia van dezelfde denkbeweging. Deze visie wordt overtuigend door Vree weerlegd.

Het heftige verzet van De Groot tegen wat hij als het roomse gevaar beschouwde wekt achteraf wel enige bevreemding. Hij was toch óók degene die het kiemen van de Nederlandse Reformatie bij voorkeur herleidde tot de ‘inheemse’ Moderne Devotie en tot laat-middeleeuwse humanisten als Wessel Gansfort en Desiderius Erasmus. Vree voegt daar echter aan toe dat zijn toon tegenover de Rooms-katholieke Kerk in later jaren milder werd, zoals hij tevens meer oog kreeg voor de relevantie van het rabbijnse jodendom voor de christelijke theologie.

Al deze onderwerpen – en nog veel meer – worden door Vree met een enorme kennis van zaken behandeld. Mede daardoor is het niet een boek geworden om in één keer uit te lezen. De auteur heeft een opzet gekozen waarin het accent valt op de verschillende dossiers waarmee De Groot tijdens diens lange en veelzijdige arbeid te maken kreeg. Deze werkwijze resulteert niet zozeer in één doorlopend betoog, als wel in een lange reeks van zorgvuldig geschreven lemmata. Als voorbeeld noem ik enkele opeenvolgende paragrafen in hoofdstuk VI: ‘309; Voor afschaffing der slavernij, tegen Da Costa en het misbruik van kerkelijke goederen – 311; Zorg voor zwakzinnigen, geesteszieken, kwetsbare meisjes en doofstommen – 313; Strijd tegen Rome via België – 315; Geen extra reglement op het ambt van kosters, voorlezers en voorzangers – 316; Twintig jaar Vrouwenvereniging Groningen en een Kweekschool voor de zeevaart, enz.’

De Groninger godgeleerden was een jeugdwerk, waarin allerlei vragen voorlopig nog onbeantwoord mochten blijven, in afwachting van de uitkomsten van nog te verrichten onderzoek. Kerk, huis, school en staat is het werk van een gerijpt historicus, voltooid na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Ondanks de zakelijke toon komt daarin een licht element van weemoed mee: wat belangrijk is dient nú gezegd te worden, ‘zolang het dag is’. Er wordt een balans opgemaakt. Dat gebeurt door enkele grote lijnen te trekken (ze worden helder samengevat in hoofdstuk xi), maar toch vooral door de uiterste zorg die besteed wordt aan een adequate weergave op detailniveau. Hoewel het nergens expliciet zo wordt gezegd, lijkt het voor de hand te liggen dat die keuze wordt ingegeven door een zeker pessimisme: een alleszins gerechtvaardigde vrees dat de kennis van de context van Hofstede de Groot zowel in de academische als de kerkelijke wereld anno 2017 vermindert, dat het de moeite loont om het denken en doen van die tijd accuraat vast te leggen. In De Groninger godgeleerden worden jaren van opgang beschreven, van grote idealen. In Kerk, huis, school en staat wordt tevens de latere neergang in kaart gebracht. Opvallend genoeg gebeurt dat met even grote empathie. Hofstede de Groot besefte tijdens zijn emeritaat dat hij zijn best had gedaan, maar dat kerk en samenleving in menig opzicht andere wegen waren ingeslagen dan hij had gehoopt. Hetzelfde kan thans gezegd worden van het ideaal dat Vree heeft bepleit in zowel zijn studies over het neocalvinisme als die over de Groninger godgeleerden. Kerk, onderwijs en maatschappij zijn in dat model vervlochten in een hecht en wederzijds dienstbetoon, dat niet berust op welbegrepen eigenbelang maar op een vorm van geloof. In een geseculariseerde universiteit, een in ieder geval getalsmatig en wellicht ook inhoudelijk verzwakte kerk en een geïndividualiseerde samenleving lijkt dat alles een echo uit het verleden. Daar legt Vree zich overduidelijk niet bij neer. Zijn jongste boek is behalve een bron van kennis tevens een uitnodiging: dat de lezer in zijn eigen tijd en op zijn eigen manier zou kunnen proberen hetzelfde te doen als De Groot in de zijne, en daarbij ook de kracht van een christocentrische spiritualiteit zou kunnen ontdekken (vgl. p. 604). Deze biografie is daarmee méér dan een handleiding voor wie de weg niet kwijt wil raken in de bestuurlijke en onderwijskundige regelgeving in de negentiende eeuw. –

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017

DNK | 1 Pagina's

Afbeelding van artikel niet beschikbaar

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017

DNK | 1 Pagina's

PDF Bekijken