Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

¶ Rie Hilje Kielman, In het laatste der dagen. Eindtijdverwachting in Nederland op de drempel van de moderne tijd, Delft: Eburon 2017, 822 pag. isbn 978 94 6301 124 2. €39,90

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

¶ Rie Hilje Kielman, In het laatste der dagen. Eindtijdverwachting in Nederland op de drempel van de moderne tijd, Delft: Eburon 2017, 822 pag. isbn 978 94 6301 124 2. €39,90

25 minuten leestijd

Het zou verboden moeten worden: proefschriften van meer dan achthonderd pagina’s! Ja, zeggen nu sommigen: moet je horen wie dat zegt – hoeveel bladzijden telde je eigen dissertatie? Ja, dat is waar. Deemoedig buig ik het hoofd. Maar voortschrijdend inzicht heeft me nu toch wel bij het besef gebracht, dat een proefschrift geen levenswerk is maar een academische proeve van bekwaamheid. En het afleggen van die proeve kan in een beperkt aantal pagina’s geschieden.

Rie Hilje Kielman – op de titelpagina van het boek is haar naam zo gespeld; in krantenartikelen en in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek kom ik ook de spelling Rie-Hilje tegen – promoveerde in april 2017 aan de Leidse universiteit op de dissertatie In het laatste der dagen. Het is letterlijk een kolossaal boek: ongeveer 25 bij 18 centimeter met een gewicht van meer dan anderhalve kilo. Wie het boek van begin tot eind doorneemt, brengt dagen zittend aan tafel door. Het boek is te groot en te zwaar om al die tijd in de hand te worden gehouden. Daar komt dan ook nog eens bij dat voor de druk een klein lettertype is gebruikt. In elk geval voor de voetnoten is de leesbril onmisbaar.

De laatste honderd pagina’s bevatten een overzicht van ‘geraadpleegde bronnen en literatuur’. Het feit dat de auteur alleen al daarvoor zoveel bladzijden nodig had, geeft aan dat zij een onwaarschijnlijke hoeveelheid gepubliceerde en ongepubliceerde bronnen en literatuur heeft verwerkt. Er moet jaren werk in haar onderzoek zitten. Daar komt ook nog eens bij, dat veel gepubliceerde bronnen niet eenvoudig zijn te vinden. Daar ligt ook gelijk een van de punten van waarde van de studie: door zoveel bronnen samen te brengen, wordt de geschiedenis die het boek beschrijft breed gedocumenteerd. Het is zo een naslagwerk.

De auteur beschrijft in haar boek eindtijdverwachtingen in Nederland tussen 1790 en 1880. Daarmee is haar studie gelegen op het grensvlak van algemene Nederlandse geschiedenis, de Nederlandse kerkgeschiedenis en de theologiegeschiedenis. Aan het begin van het boek (pag. 12) omschrijft zij de kernbegrippen: apocalyptiek (‘de verwachting van het wereldeinde’), chiliasme (‘de verwachting van een Duizendjarig Rijk na de wederkomst van Christus’), millennialisme (‘de verwachting van een zich trapsgewijs ontplooiend Godsrijk, uitmondend in de wederkomst van Christus’), alarmisme (‘De grote omwenteling – wereldeinde, Duizendjarig Rijk of Godsrijk – [wordt] op korte termijn [...] verwacht’) en christelijk messianisme (‘een religieuze beweging onder leiding van een profeet die de messiasrol voor zichzelf opeist, ofwel als wedergekomen Christus, ofwel als zijn plaatsvervanger’). Vooral de term ‘alarmisme’ speelt een grote rol in het boek.

De keuze voor het jaar 1790 als beginpunt wordt beargumenteerd met de these dat de Franse Revolutie heeft gefunctioneerd als ‘katalysator van de negentiende-eeuwse eschatologische hausse’ (gelet op die argumentatie vraag ik me af: waarom 1790 en niet 1789?); het jaar 1880 is het eindpunt, omdat ‘rond die tijd de laatste alarmistische golf was weggeëbd’ (pag. 19). Voorts onderscheidt Kielman vijf perioden (pag. 19):

1750-1790 tijds- en toekomstbeleving in de Late Republiek

1790-1815 het schokeffect van de Franse Revolutie

1815-1830 een wankele restauratie

1830-1850 naschokken: de Europese revoluties

1850-1880 vergruizing van het bijbelse wereldbeeld

Deze vijf perioden fungeren als indelingsprincipe voor de hoofdstukken waarin het boek is onderverdeeld. De eerste vier hoofdstukken zijn gewijd aan de periode voorafgaand aan de Franse Revolutie; hoofdstuk vijf (titel: ‘“Troonen waggelen en volken beeven”: de Franse Revolutie (1789- 1815)’ – hier dus wel het jaartal 1789) tot en met zeven beschrijven de eindtijdverwachtingen in de tweede tot en met de vierde periode; hoofdstuk acht en negen zijn gewijd aan het laatste tijdperk.

Een bont palet aan personen, groeperingen, ideeën, interpretaties (bijvoorbeeld: wie is de Antichrist? de Paus? Napoleon? Napoleon iii?), verwachtingen en voorspellingen trekt aan de lezer voorbij. Theologen, predikanten, evangelisten, profeten (Johannes Casparus Khek, Jan Masereeuw, Claas Siegers van de Würde, Enoch van Ammers, Pieter Jacobs de Blaauw), politici (bijvoorbeeld Groen van Prinsterer), uitgevers en publicisten (bijvoorbeeld Hendrik Hentzepeter, de portier van het Mauritshuis, die maar liefst achttien publicaties op het gebied van de eindtijdverwachting op zijn naam heeft staan), boeren, ambachtslieden, geletterden en ongeletterden passeren de revue. Veel aandacht is er voor de swedenborgianen en voor het Réveil (vooral in de personen van Willem Bilderdijk, Isaäc da Costa en Abraham Capadose). Ook aan de ‘Broeders en Zusters van het Nieuwe Licht’ – beter bekend onder de naam: de Zwijndrechtse Nieuwlichters – is een groot aantal bladzijden gewijd. De geschiedenis van deze groepering wordt gedetailleerd beschreven. Ook schenkt Kielman afzonderlijk aandacht aan bepaalde kerkelijke stromingen, zoals de Groningers (P. Hofstede de Groot), de Afscheiding (Hendrik de Cock, H.P. Scholte) en in het laatste hoofdstuk de Baptisten, de Vergadering der Gelovigen, Vrije Evangelische Gemeenten, de Heiligen der Laatste Dagen, de Hersteld Apostolische Zendingskerk en de Katholieke Apostolische Gemeente. Lastig voor de lezer is dat de aandacht voor verscheidene personen, stromingen en groepen door strikt vast te houden aan de genoemde periodisering over meer dan een hoofdstuk is verspreid.

Naar aanleiding van dat bonte palet aan personen, groeperingen, ideeën en verwachtingen merkt wetenschapsjournalist Berthold van Maris in een interview in nrc (3-4 februari 2018) op: ‘Het komt over als een rariteitenkabinet, een verzameling van merkwaardige en soms misschien ook getikte figuren, zoals je die in alle tijden kunt aantreffen’. Aan de ene kant vind ik het terecht dat Kielman zich daartegen verzet: ‘Ik bestrijd dat het een rariteitenkabinet was. Het was destijds veel normaler dan voor ons nu navoelbaar is: wat de Bijbel vertelt over de eindtijd is dan nog het vanzelfsprekende kader waarbinnen men denkt’. Ik wil daaraan toevoegen: hoe wonderlijk bepaalde eindtijdverwachtingen voor hedendaagse oren in Nederland ook mogen klinken, die eindtijdverwachtingen reflecteren wel diepe religieuze gevoelens van mensen. En die diepe religieuze gevoelens kun je niet even wegzetten als ‘rariteitenkabinet’.

Aan de andere kant begrijp ik de typering door de wetenschapsjournalist wel. Daarbij speelt geen rol, dat de term ‘rariteitenkabinet’ in het boek zelf voorkomt (pag. 297). Kielman biedt in haar kolossale studie een overweldigende inventarisatie van eindtijdverwachtingen van een groot aantal personen en stromingen. Tegelijkertijd brengt zij daar nauwelijks reliëf in aan. Alles staat min of meer ongewogen naast elkaar: de ‘profeet en fantast’ Claas Siegers van de Würde (pag. 479), naast de nuchtere Groen van Prinsterer; de niet uniforme en aan verandering onderhevige visies van de denkers uit het Réveil naast Jan Masereeuw, de ‘profeet van Opperdoes’ (pag. 341); de ondergangspaniek in Bunschoten-Spakenburg in 1840 naast de vrijdenkers van De Dageraad of de Aprilbeweging van 1853.

Daar komt bij, dat het begrip ‘alarmisme’ allesoverheersend is. Voortdurend signaleert Kielman in de visies van personen of groeperingen, dat de ‘grote omwenteling’ zeer nabij is. In een aantal gevallen is dat zeker waar. Bijvoorbeeld in kringen waarin het denken van de Britse ‘eindtijdpublicist’ John Cumming invloedrijk was, signaleerde men de tekenen der tijden en voorspelde men soms concreet het jaar van de wederkomst van Christus. In andere gevallen vraag ik me af in hoeverre het etiket ‘alarmisme’ met recht wordt gebruikt. Neem nu bijvoorbeeld een tekst van dominee-dichter J.J.L. ten Kate:

‘Kom en voleind! Hoe lang al spaarde

Uw roede meer dan één Parijs?

Vaag alle Babels weg van de aarde,

En sticht uw eeuwig Paradijs.

Der Heidnen volheid is gekomen;

Reeds zuchten ’ s Waerelds verste zoomen:

Om Vrede zucht het moê Heelal.

Kom, Heere Jezus, met de wolken!

Beklim dien zetel aller Volken,

Dien eeuw noch Afgrond schokken zal!’

Kielman typeert dit als ‘een onverholen alarmistische tijdzang’ (pag. 554). Daar zet ik een vraagteken achter. Ik geef toe dat het gezwollen taal is. Het is ook een gebed – een gebed waarvan in minder gezwollen taal vele andere voorbeelden zijn te vinden in de christelijke kerk- en theologiegeschiedenis. Ik lees hier niet in dat Ten Kate dacht dat het einde der tijden nabij was. Nog een voorbeeld: de ethische theoloog Daniël Chantepie de la Saussaye zou er volgens Kielman ‘van overtuigd geraakt zijn dat de doorbraak van een nieuwe bedeling voor de deur stond. Op oudejaarsavond 1866 hield hij onder de titel Nog is het einde niet een preek over Mattheüs 24:6c, waarin hij terugkeek op de ondergangsgevoelens die in het afgelopen jaar de kop hadden opgestoken: “Zoo verrassend is dit jaar geweest in de vele verschrikkingen die het gebaard heeft, dat het ons niet verwondert, indien velen, die het woord Gods gelooven en die dus een einde verwachten, in die verrassingen meenen te zien de voorteekenen van dat einde, in die verschrikkingen de eerste weeën, die aangekondigd zijn, het eerste geluid der bazuinen des laatsten oordeels”. Chantepie de la Saussaye zag donkere wolken aan de einder – zo hekelde hij de atheïstische natuurwetenschap in Duitsland en het uitzichtloze bestaan van fabrieksarbeiders – maar meende dat alles zich uiteindelijk nog ten goede zou keren. Het was voorbarig op het Godsplan vooruit de lopen: “Het plan der geschiedenis, zijn verborgen raad, is ons geopenbaard door het woord der profetie, maar het weefsel der draden die in de vervulling te zamen loopen, ontgaat ons”’ (pag. 640). Is dit alarmisme? Derde voorbeeld: de ethische theoloog J.H. Gunning Jr. Volgens Kielman ‘trad’ bij hem ‘het alarmisme in de jaren zestig op de voorgrond’. Sterker: ‘zijn alarmisme [bereikte] gedurende het jaar 1866 grote hoogten’. Hoe hoog lezen we in de zinnen die volgen: ‘In het artikel “De offerande der conversatie” ging hij in op de vraag van een vooraanstaande Haagse dame of ze zich als christin niet beter uit de salons kon terugtrekken. Nee, had Gunning geantwoord, blijf het Woord uitdragen waar het kan: “Weldra komt de tijd dat wij den Heer zullen zien en in eeuwige heerlijkheid met Hem en al zijne heiligen zullen verkeeren”. Begin 1867 verzuchtte hij in zijn brochure De diepe onzedelijkheid onzer kerkelijke toestanden: “Zijn toekomst is niet verre, maar Hij kent Zijn tijd en niet wij”’ (pag. 641). Is dit nu alarmisme van grote hoogte? Zo kunnen meer voorbeelden worden gegeven. Door het veelvuldig gebruik van de term ‘alarmisme’ – ook waar deze in mijn ogen niet op zijn plaats is – wordt de indruk gewekt van een land in grote opschudding. Daarom begrijp ik, dat het eerder genoemde interview in NRC verscheen onder de titel: ‘Een en al ondergangspaniek’. Maar is daarmee het klimaat in Nederland juist getypeerd?

Daarmee komen we ook bij de conclusie waarmee het boek besluit, namelijk ‘dat de eschatologische hausse die zich tussen 1790 en 1880 afspeelde, op de modernisering van Nederland een remmende werking heeft gehad’ (pag. 699). Dat is een prikkelende these. Maar ook een these die niet houdbaar lijkt. Dan had in de eerste plaats moeten worden aangetoond, dat er in Nederland gedurende het genoemde tijdvak sprake was van een breed gedragen eschatologische hausse. Dat er personen en groepen waren die zich met eindtijdverwachtingen bezig hielden is duidelijk. Maar niet dat die eindtijdverwachtingen breed werden gedragen. De inventarisatie door Kielman toont juist aan hoe verschillend er werd gedacht (om die reden spreek ik steeds over eindtijdverwachtingen in het meervoud; het enkelvoud van de ondertitel van het boek overtuigt me niet). Illustratief is ook wat Kielman op basis van de correspondentie van Willem de Clercq schrijft over een preek van Jean Henri Merle d’Aubigné in oktober 1830 in de Waalse kerk te Den Haag. De Clercq schreef aan Da Costa: ‘“Ik was ontzet toen ik voor de eerste maal de tijden van Daniël op de preekstoel hoorde uitrekenen, de voorspellingen wegens den val van Rome hoorde voordragen en de aanstaande komst des Heeren”. Al verkondigde Merle d’Aubigné dan niet de zichtbare wederkomst van Christus maar “het Rijk Christi over de aarde”, dat nam niet weg dat voor veel kerkgangers de behandeling van dit onderwerp “allerzonderlingst” geweest moet zijn’ (pag. 424). Ook schrijft Kielman: ‘En zo was rond 1870, naast alle verandering en beweging, nog veel te bespeuren van de traditionele noties die eeuwenlang het denken, bewust en onbewust, hadden gestuurd’ (pag. 532). Die traditionele noties laten zich moeilijk verbinden met het woord ‘hausse’. In de tweede plaats had ter beargumentering van de genoemde conclusie moeten worden aangetoond dat er ook sprake was van een remmende invloed op ‘de’ modernisering. De daarvoor geboden argumentatie – ‘Door de weerbarstigheid van de bijbelse voorstellingswereld kregen heterodoxe stromingen met een moderner tijds- en toekomstperspectief als de kantianen, swedenborgianen en saint-simonisten […] hier te lande nauwelijks respons. Voor een natuurwetenschappelijk wereldbeeld bestond, gezien de recensies in vakbladen en opinietijdschriften, vóór 1840 nauwelijks draagvlak, terwijl na 1850 de opkomende christelijke pers bijzonder effectief bleek in het mobiliseren van de gelovige achterban in het verzet tegen de voortgaande modernisering van de samenleving. Het alarmisme versterkte bovendien de in christelijke kring levende ambivalente houding tegenover de parlementaire politiek’ (pag. 699) – overtuigt me niet.

Ik schreef dat In het laatste der dagen is gelegen op het grensvlak van de algemene Nederlandse geschiedenis, de Nederlandse kerkgeschiedenis en de theologiegeschiedenis. Daarin schuilt aan de ene kant het aantrekkelijke van de studie. Het perspectief is breed, de geboden inventarisatie kleurrijk en er worden verbanden gelegd (bijvoorbeeld tussen personen en groepen; ook worden dikwijls buitenlandse invloeden aangewezen). Als theoloog signaleer ik aan de andere kant ook, dat er meer over te zeggen zou zijn geweest. Een nadere analyse van de geboden visies had reliëf kunnen aanbrengen en overeenkomsten en verschillen aan het licht kunnen brengen. Ook had dan meer recht kunnen worden gedaan aan de uiteenlopende drijfveren onder de naar voren gebrachte denkbeelden (vertroosting, waarschuwing, vermaning, kritiek, duiding van de geschiedenis, enz.), aan de uiteenlopende interpretaties van bijbelteksten, en aan de wijze hoe deze worden verbonden met de politiek-maatschappelijke realiteit (sommigen beginnen bij de bijbel en verbinden wat ze daar lezen met gebeurtenissen in de actualiteit; anderen beginnen bij die actualiteit en slaan daarna de bijbel open). Een theoloog als meelezer zou ook hebben gewezen op het gebruik van bepaalde termen. De term ‘fundamentalisme’ (bijvoorbeeld pag. 408, 591) is afkomstig uit de twintigste eeuw en heeft tegenwoordig connotaties die niet passen bij het negentiende-eeuwse bijbelgebruik dat in de inventarisatie naar voren komt. De veelvuldig voorkomende term ‘profetische hermeneutiek’ doet mij ook de wenkbrauwen fronsen: de hermeneutiek is in de theologie de discipline die onderzoek doet naar de verstaansvoorwaarden van teksten. De combinatie met het adjectief ‘profetische’ is dan wel wat wonderlijk. Bedoeld is: de interpretatie, uitleg (exegese) van profetische teksten (teksten van het genre ‘profetie’). Ten slotte kijk ik als theoloog wel wat op van typeringen van personen. Om één voorbeeld te geven: de Duitse lutherse predikant J.C. Blumhardt wordt omschreven als de ‘Duitse gebedsgenezer en chiliast’ (pag. 419). Doe je hem daarmee recht? Of werk je dan – om er nog een keer op terug te komen – de typering ‘rariteitenkabinet’ zelf in de hand? –

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 4 Pagina's

¶ Rie Hilje Kielman, In het laatste der dagen. Eindtijdverwachting in Nederland op de drempel van de moderne tijd, Delft: Eburon 2017, 822 pag. isbn 978 94 6301 124 2. €39,90

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 4 Pagina's

PDF Bekijken