Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

¶ Jan-Henk Soepenberg, Op gebaande wegen. De Afscheiding in Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken, Utrecht: Boekencentrum Academic 2017, 573 pp. isbn: 9789023951742. €32,50

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

¶ Jan-Henk Soepenberg, Op gebaande wegen. De Afscheiding in Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken, Utrecht: Boekencentrum Academic 2017, 573 pp. isbn: 9789023951742. €32,50

16 minuten leestijd

Amsterdam mag zich graag afficheren als een jonge, moderne en vooruitstrevende stad. Zo’n tweehonderd jaar geleden was dat wel anders. Toen was Amsterdam een conservatief bolwerk. In veel gezinnen werden de Oude Schrijvers nog gelezen en in honderden conventikels brachten oefenaars nog de aloude leer der vaderen. De toestand van land en kerk schilderden zij in gitzwarte kleuren en ze riepen op tot berouw, bekering en boete. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken, dat de Afscheiding sterk om zich heen greep. Amsterdam had in korte tijd de grootste afgescheiden gemeente van ons land. Dit en nog veel meer valt te lezen in het uitvoerig relaas dat de vrijgemaakt-gereformeerde predikant Jan-Henk Soepenberg schreef over de Afscheiding in Amsterdam.

De waarde van dit proefschrift ligt zeker niet alleen in de vele feiten en verhalen die de auteur uit de literatuur en de archieven heeft weten op te diepen. Waardevol is ook dat dit boek een heldere en nuchtere analyse geeft van hoe het tot de Afscheiding kwam en waarom de opbouw van de Afgescheiden gemeente zoveel strijd en conflict bracht. En – zoals het een historicus betaamt – weet Soepenberg een aantal mythes en ingeslepen, maar twijfelachtige beeldvorming bij te stellen.

In de Amsterdamse Afscheiding ziet de auteur vier keer een conflict opwellen, waarin steeds twee werelden tegenover elkaar stonden. De eerste botsing was die tussen de Hervormde Gemeente en de Afgescheidenen. De laatsten verweten de hervormden afgedwaald te zijn van Gods Woord en de belijdenis. Door de hervormden zwart af te schilderen kon de Afscheiding beleefd worden als een tweede uittocht uit Egypte. De vraag die Soepenberg hier terecht stelt is of deze beeldvorming wel klopt. Was het wel zo slecht gesteld met de Hervormde Kerk? Het tweede conflict was tussen overheid en de Afgescheiden Gemeente. De overheid leek snel, hard en zelfverzekerd op te treden. Maar achter dat masker was er ook bij de autoriteiten veel onzekerheid en machteloosheid. De derde confrontatie vond plaats tussen de Afgescheidenen en mensen uit de Réveilkring en verdedigers van de gereformeerde orthodoxie. Zij voelden zich tot op grote hoogte geestverwant met de Afgescheidenen, maar aarzelden zich daarbij aan te sluiten. Maar ook de Afgescheidenen waren het onderling allerminst eens. Daar lag de kiem voor de vierde aanvaring.

In de Amsterdamse hervormde gemeente maakten de predikanten de dienst uit. Het waren allen geleerde en eerbiedwaardige heren van stand, maar wel met een grote afstand tot het modale kerkvolk. Zij waren ook voornamelijk predikheren, het pastorale werk werd veelal overgelaten aan ziekentroosters en andere pastoraal werkenden. De preken van het Amsterdamse predikantencorps zullen vooral gericht zijn geweest op de maatschappelijke boven- en middenlaag. Het ‘gewone’ volk was voor zijn geestelijke voeding vooral aangewezen op de oefenaars, die voorgingen in de gezelschappen. Tot aan de negentiende eeuw werd dit gezelschapscircuit getolereerd en tot op zekere hoogte ook gewaardeerd. Verschillende oefenaars hadden een semi-officiële status. In de loop van de negentiende eeuw kwam er steeds meer kritiek vanuit de predikanten op de oefenaars en zij probeerden het oefenen aan banden te leggen. De achtergrond van deze beleidswijziging maakt de auteur niet geheel duidelijk, maar het zal te maken hebben met de toenemende kritiek op de hervormde kerk, onder meer uit Réveilkring en het veranderende theologische klimaat. De meerderheid van de predikanten valt te plaatsen tussen gematigd orthodox en supranaturalistisch. De laatsten probeerden de Dordtse orthodoxie te verzoenen met de Verlichting. Zij hanteerden vaak nog de vertrouwde formuleringen, maar gaven daar een gematigde inhoud aan. De kerk zagen zij als Gods instrument voor een breed beschavingsoffensief. In plaats van op te roepen tot bekering stelden zij de christelijke deugden centraal. Deze prediking vervreemdde veel mensen van de kerk. In de oefeningen en gezelschappen nam de kritiek op de kerk toe, wat weer leidde tot nog meer vervreemding tussen de kerkelijke elite en het volk.

Dat de geest van de Nadere Reformatie van de zeventiende en het gereformeerd piëtisme van de achttiende eeuw nog springlevend was in het Amsterdam van de eerste helft van de negentiende eeuw blijkt uit de lange lijst met Oude Schrijvers die nog circuleerden onder de Amsterdamse Afgescheidenen. De auteur geeft een beschouwing over de kenmerken van beide stromingen in de Gereformeerde Kerk van de Republiek en wijdt aan beide een korte biografische schets. Hij constateert dat de achttiende-eeuwse piëtisten meer gewaardeerd werden dan hun voorgangers uit de Nadere Reformatie. De reden waarom dit zo was, blijft grotendeels in het ongewisse. Misschien was het beter geweest de biografische schetsen achterwege te laten – die zijn tegenwoordig immers op internet gemakkelijk te achterhalen – en de relatie tussen het gereformeerd piëtisme en de conventikelspiritualiteit van de negentiende eeuw te analyseren. Dit verband had dan duidelijker uitgewerkt kunnen worden.

Soepenbergs betoog is hier niet alleen onduidelijk, hij maakt ook enkele vergissingen. In de achttiende eeuw zou onder invloed van de Duits-Nederlandse theoloog Friedrich Adolf Lampe er een accentverschuiving hebben plaatsgevonden naar een subjectivistisch piëtisme, dat in de negentiende-eeuwse conventikelvroomheid tot een star systeem zou worden. De gelovige had een vastgesteld bekeringstraject te doorlopen voor hij zich als wedergeboren kon beschouwen. De ‘lampianen’ zouden in de personen van de hoogleraren Antonius Driessen, Cornelis van Velzen en Conradus Klugkist ‘zowaar’ vaste voet aan de Groninger Academie hebben gekregen (blz. 41 en 171). Vanwaar dat ‘zowaar’? Wat was daar vreemd aan? De auteur helpt de lezer niet verder. Waren de genoemden wel lampianen? Driessen en Van Velzen hadden tot op zekere hoogte sympathie voor het piëtisme, lampianen waren zij niet. Driessen was een door het cartesianisme beïnvloedde coccejaan en Van Velzen een voetiaan. Of Klugkist lampiaan was is niet bekend, maar hij was dominee te Wirdum en Zuidbroek. De professorentoga heeft hij nooit mogen omhangen. De Groninger piëtisten Wilhelmus Schortinghuis en Johannes Verschuir worden als pupillen van Lampe opgevoerd. Ook daar zijn vraagtekens bij te plaatsen. Schortinghuis was een leerling van Driessen, maar schaarde zich toch meer aan de voetiaanse kant. Verschuir was een autodidact, zonder academische opleiding. Bij beiden is wel invloed van Lampe te herkennen, maar lampianen in de strikt zin waren zij niet. Het is ook opvallend dat de harde kritiek van K. Exalto op Schortinghuis zonder commentaar wordt overgenomen (blz. 171 nt 98), terwijl aan genuanceerdere oordelen van M.J.A de Vrijer en J.C. Krom-sigt geen woord wordt gewijd. Hier had het betoog duidelijker en evenwichtiger kunnen zijn.

De conventikelspiritualiteit moest wel in aanvaring komen met de opvattingen die binnen de Amsterdamse Réveilkring leefden. Zij deelden hun kritiek op het diepe verval van de Hervormde Kerk, maar verder hadden zij te weinig gemeen om samen op te kunnen trekken. De Réveil sympathisanten vonden dat veel Afgescheidenen met de rug naar het heden stonden en een verleden verheerlijkten dat nooit had bestaan. Daarbij moet ook in ogenschouw genomen worden het verschil in maatschappelijke achtergrond. De auteur prikt de mythe van de kleine luyden door. De Afgescheidenen behoorden niet overwegend tot lagere sociale klassen. In feite vormden zij een doorsnede van de bevolking. Maar de afstand met het aristocratische Réveil was nog (te) groot.

De Hervormde Kerk reageerde uiteraard, maar de scherpste reactie kwam van de overheid. Soepenberg stelt dat de scheiding tussen kerk en staat tot de paradoxale situatie leidde dat de invloed van de staat op de kerk groter was dan in de Republiek ooit het geval was (blz. 222). De kerk was immers het instrument geworden om het volk op te voeden en tot eenheid te smeden. Overtuigend is deze stelling niet. Ten eerste ontbreekt een adequate vergelijking tussen de verhouding kerk en staat ten tijde van de Republiek met de situatie in de tijd van de Afscheiding. Ten tweede schildert de auteur het overheidsingrijpen als, ondanks alle schijnbare gedecideerdheid, geïmproviseerd, halfslachtig en inconsequent. Dat weerspreekt de stelling van een kracht en macht.

Een belangrijk deel van het boek wordt ingenomen door de strijd die Afgescheidenen intern voerden voordat het kerkgenootschap in rustiger vaarwater belandde en een evenwichtiger kerkelijke leven wist op te bouwen. De verwijdering en breuk tussen de pioniers S. van Velzen en H.P. Scholte vormde een dieptepunt in de vele conflicten. Verschil in leerstellige opvattingen, spiritualiteit en achtergronden speelden daarbij op. Ingrediënten waren eveneens onverenigbare karakters, stijfkoppigheid en eigengereid optreden. Framing speelde toen al net zo’n grote rol als tegenwoordig. Soepenberg neemt het terecht op voor Scholte, die in veel literatuur als ongereformeerd en voor een halve labadist wordt uitgemaakt. Dit beeld corrigeert en nuanceert hij.

Opwekkende lectuur is het allemaal niet en de lezer vraagt zich wel eens af of het al die moeite en strijd wel waard is geweest. Hadden de Afgescheidenen niet hun krachten moeten geven aan herstel van de Hervormde Kerk? Even menselijk gesproken: de verschillen in de Hervormde Kerk waren zo groot dat bijeenblijven de hotelkerk had opgeleverd, die het later werd. Welke meerwaarde heeft een kerkelijk leven, waarin men elkaar passeert als schepen in de nacht?

Op gebaande wegen is een heldere en informatieve studie over belangrijke kerkhistorische gebeurtenissen. Gelukkig poetst Soepenberg het plaatje nergens op. En dat is voor een nazaat van de Afscheiding wel eens even slikken. –

Dit artikel werd u aangeboden door: Archief en Documentatiecentrum van de Gereformeerde kerken in Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 106 Pagina's

¶ Jan-Henk Soepenberg, Op gebaande wegen. De Afscheiding in Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken, Utrecht: Boekencentrum Academic 2017, 573 pp. isbn: 9789023951742. €32,50

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 106 Pagina's

PDF Bekijken