Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

¶ Harry Stroeken (red.), Breuklijnen. Priesters in overgangstijd. Valkhof Pers, Nijmegen 2016, 302 pp. isbn 9789056254629. €18,95.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

¶ Harry Stroeken (red.), Breuklijnen. Priesters in overgangstijd. Valkhof Pers, Nijmegen 2016, 302 pp. isbn 9789056254629. €18,95.

13 minuten leestijd

Nog niet eens zo lang geleden was de Rooms-katholieke Kerk in Nederland een imposant en machtig instituut. In delen van ons land was het een volkskerk, die haar invloed kon doen gelden tot in de haarvaten van de samenleving. Een van de auteurs in Breuklijnen spreekt van de toen bestaande ‘kerktrein’, waarin de gelovigen als vanzelfsprekend van de wieg tot het graf meereden en hun bestemming vonden in het hiernamaals. De passagiers ‘hadden een heilig respect voor de machinist en de conducteurs en vertrouwden blindelings op het spoorboekje’. Het rijke roomse leven was ‘een heilige en veilige wereld’, een binnenwereld waarin over de andersdenkenden en hun lot nauwelijks werd nagedacht. En het was heel gewoon dat een aantal jongens er voor koos kerkconducteur of -machinist te worden.

In een tijdsbestek van vijftig tot zestig jaar is de Rooms-katholieke Kerk een minderheidskerk geworden, die veelal in de marge van de samenleving opereert. Veel ‘machinisten’ en ‘conducteurs’, die voor de teloorgang intraden, moesten dit pijnlijke proces meemaken. Twaalf (ex-)priesters, die tussen 1930 en 1947 werden geboren, doen in Breuklijnen verslag van hun worsteling met dit proces.

Zij traden in toen de kerk nog in de slagschaduw verkeerde van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). De kerk kreeg een nieuw elan. Zoals een van de auteurs stelt, keerden de kerken zich toen ‘met een apostolisch enthousiasme (…) naar de wereld in verandering.’ De ‘verwachting dat de wereld uitkeek naar het Woord’ werd geen bewaarheid, integendeel. En zo werd een ‘spiritualiteit van de droefheid’ nodig om het verleden te verwerken, een nieuwe identiteit te ontwikkelen en een andere vorm van kerk-zijn te ontwerpen.

Ondanks dat voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog de kerktrein nog op tijd reed, wordt in de twaalf levensverhalen gaandeweg het haast iconische beeld van het rijke roomse leven vergruisd. De autobiografische schetsen tonen hoe verschillend de omstandigheden en motieven waren van diegenen die toen intraden. Ze laten ook zien dat in dat beschutte kerkelijke milieu werd gedubd, getwijfeld en getwist. En lang niet elke roeping kwam voort uit een onbekommerd en onaangevochten geloof. Soms was de keuze voor het priesterschap wel zo’n vanzelfsprekendheid, dat een bewust roepingsbesef niet meer uit het geheugen bleek op te diepen. Waar het priesterschap wel een weloverwogen keuze was, verschilden de motieven. Soms was het motief defensief. Het gaf timide jongens de kans in de veilige cocon van de kerk te blijven en de confrontatie met de buitenwereld te mijden. Anderzijds was er de uitgesproken, soms ook impliciete wens van ouders dat hun zoon het priesterambt koos. Een heeroom, zeker als die missionaris was en gloedvol kon vertellen over verre landen en vreemde volkeren, kon een gevoelige jongen inspireren. Een ander ‘viel’ voor de ‘pomp and circumstance’ van het ritueel en de status van het ambt. Soms ging het zo maar, zonder veel aarzeling, maar ook zonder veel verwachtingen. Of zo als een van hen het zegt: ‘Zeker, het kerkelijke, pastorale perspectief lokte me, maar het was ook “God zegene deze keus”’.

Zo verschillend de motieven en omstandigheden waren om in te treden, zo verschillend waren ook de reacties op de snelle ontwikkelingen binnen en buiten de kerk. De meeste priesters die in Breuklijnen hun verhaal doen, liepen vast in hun geloof en vooral in hun geloof in de kerkelijke structuren. Het had soms mede een karakterologische oorzaak. ‘Ik heb iets tegen de institutionele kant van de kerk vanwege de macht van de hiërarchie en de centralistische stijl van leidinggeven’, bekent een auteur. Die structuren leidden tot een ‘heilloze polarisatie’. Zeker toen een ‘kleine conservatieve groep’ met bisschop Gijsen aan het roer de sfeer in de kerk ging bepalen. Het rigoureuze ‘gehoorzaamheidsideaal’ dat hij de clerus voorhield, riep weerstand op. ‘Weerzinwekkend’ werd het wel gevonden. Maar niet iedereen zette zich zo sterk af. Vaak vonden de auteurs een eigen taak en plaats in klooster of parochie. Maar niemand ontkwam aan de gevolgen van de snelle secularisatie, die zich na de jaren zestig voltrok. Het kwam onverwacht en het was alsof een vloedgolf de kerk overspoelde. Er waren priesters die volkomen vastliepen. Zij merkten dat zij zich volkomen afhankelijk hadden gemaakt van de mening van een instituut en van een hiërarchie. Ze hadden het gevoel een rol te spelen, die hen ervan weerhield zichzelf te zijn. Vaak speelde mee dat het celibaat niet vol te houden bleek. Vele priesters haakten af. De eerste van de in Breuklijnen geportretteerde deed dat in 1972, de laatste in 1997.

De breuk was soms emotioneel. Toen een kloosterbroeder vertelde te vertrekken, kreeg hij de verbaasde reactie: ‘Ga jij hier weg? Ik dacht dat jij hier tot je dood zou blijven wonen.’ Hij antwoordde: ‘Daarom vertrek ik, omdat ik hier dood ga.’ Niet elke priester vertrok overigens en zeker niet altijd met slaande deuren. Een keus was ook er maar het beste van te maken. Iemand omschreef zichzelf als: ‘te conservatief voor de revolutie en niet reactionair genoeg voor de contrarevolutie’. In zijn lange kerkelijke carrière had hij vaak het gevoel ‘dat ik alleen op een bootje dreef tussen Scylla en Charybdis’. En omkijken in wrok deed ook lang niet iedereen. Er werd ‘fluitend naar het werk gegaan’ en met verwondering teruggekeken op een veertigjarig priesterschap. En ook niet iedereen zei het geloof vaarwel. De meesten vonden een plek voor het geloof of beleefden hun spiritualiteit in kleine gemeenschappen of binnen het individuele bestaan.

Het bovenstaande maakt waarschijnlijk wel duidelijk dat een heldere lijn in Breuklijnen niet gemakkelijk valt te ontdekken. Ondanks dat de auteurs generatiegenoten zijn en werkten in dezelfde kerk is het beeld caleidoscopisch. Dat kan ook moeilijke anders. De twaalf autobiografieën vertellen elk hun eigen verhaal en ieder heeft zijn eigen toon en gezichtspunt. De een vertelt nuchter en nogal afstandelijk, de ander geeft zichzelf veel meer bloot en laat meer van zijn emotionele hoogten en diepten zien. Daarom ook schreven enkelen onder pseudoniem. Aan de gevolgen van de onverwachte neergang ontkwam niemand en iedereen was gedwongen daarin zijn eigen, persoonlijke weg te zoeken. Vaak werd die met moeite gevonden. Dat maakt de meeste verhalen boeiende lectuur, ook voor buitenstaanders, en zij vormen samen – zoals de achterflap meedeelt – een meer dan interessant ‘tijdsdocument’.

De laatste bijdrage bezint zich op de vraag hoe het toch mogelijk is ‘dat binnen één, hooguit twee generaties een dergelijk radicaal afscheid van christelijk geloof heeft plaatsgevonden’. Waarom werd er gebroken met de kerk? En waarom zo snel en zo radicaal? Gewezen wordt op de ‘cultuurbreuk’, die zich vanaf de Verlichting voltrok. Het ‘theocentrisme’ werd verruild voor het ‘antropocentrisme’, waarbij de nadruk verschoof van het hiernamaals naar het hiernumaals. Andere instituten namen de taak van de kerk over: wetenschap, sport en media, om enkele te noemen. Zij houden de mensen een heel andere way of life voor, dan de kerk voorstaat. Daarbovenop kwam de seksuele revolutie, die het ideaal van het celibaat aantastte. De pedofilieschandalen versterkten de crisis van het celibaat. Het gelovig wereldbeeld maakte plaats voor een wetenschappelijk. Zo zijn er meer tendensen op te sommen.

En wat is de toekomst? Blijft er een ‘kleine sektekerk, die zich afsluit van de boze wereld’ over? Komt er ‘een restkerk van religieus-geïnteresseerden’? Of ontstaat er ‘een vitale minderheidskerk’? Mocht dat laatste geschieden dan zou de cirkel na ruim tweeduizend jaar rond zijn. –

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 4 Pagina's

¶ Harry Stroeken (red.), Breuklijnen. Priesters in overgangstijd. Valkhof Pers, Nijmegen 2016, 302 pp. isbn 9789056254629. €18,95.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 4 Pagina's

PDF Bekijken