Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Weggegeven om te redden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Weggegeven om te redden

18 minuten leestijd

p donderdagmiddag 25 april om twee uur wordt er op de deur van het lokaal van groep 8 geklopt. Snel loop ik naar de deur en zie een vrouw van 76 jaar staan. ‘U bent mevrouw Schoenmaker, hartelijk welkom. Ik ben Hans, de leerkracht van groep 8.’

Mijn bureau heb ik voor dit speciale bezoek leeggemaakt, zodat mevrouw Schoenmaker haar tas daar kan neerzetten. ‘Gaat u zitten.’ Ik wijs naar de bureaustoel. Intussen kijk ik even het lokaal rond, maar iedereen zit rustig en vol aandacht te kijken naar de bijzondere gast die ouder is dan de meeste van hun grootouders. Er heerst een bepaalde spanning, alsof iedereen voelt dat het komende uur heel bijzonder gaat worden.

Mevrouw Schoenmaker haalt een stapeltje A4-tjes uit haar tas en legt die voor zich op het bureau. Dan kijkt ze vragend naar mij.

Ik glimlach even en zeg: ‘Mevrouw Schoenmaker, we zijn heel blij dat u vanmiddag bij ons in de klas bent en we zijn heel benieuwd naar uw verhaal. Met de kinderen heb ik afgesproken dat we eerst naar uw verhaal luisteren, daarna kunnen ze vragen aan u stellen.’

Mevrouw Schoenmaker knikt, zucht een keer diep, pakt haar stapel blaadjes en begint voor te lezen: ‘Ik ben Marion Schoenmaker, maar zo heb ik niet altijd geheten. Op 28 april 1942, in de Tweede Wereldoorlog, werd ik geboren als Marion van Straten. Mijn vader Anton en mijn moeder Zini zijn in 1941 getrouwd in de synagoge in Amsterdam. Inderdaad, mijn ouders zijn Joods.

Zoals jullie weten, hadden de Joden het in de Tweede Wereldoorlog niet makkelijk: ze moesten een Jodenster dragen, ze mochten op veel plaatsen niet meer komen, ze werden opgepakt om voor de Duitsers te werken.’

Hondje

De blik van mevrouw Schoenmaker staat triest. ‘Het werd per dag voor de Joden gevaarlijker. Daarom besloten mijn ouders iets te doen wat heel ingrijpend was. Ze stuurden een ansichtkaart naar de familie Tukker, een bevriend echtpaar in Gorinchem, met de vraag: “Kan iemand voor ons hondje zorgen?” De familie Tukker snapte direct de bedoeling: er moest niet voor een hondje worden gezorgd, maar voor een kindje. En dat kindje was ik.’

Mevrouw Schoenmaker kijkt even de klas in, waar alle leerlingen ademloos luisteren. Ze neemt een slok water en gaat verder: ‘De familie Tukker begreep uit de boodschap op het kaartje dat het dringend was en daarom besloten ze dat hun dochter Rietje van 17 jaar naar Amsterdam moest gaan om mij op te halen. Rietje vertrok de volgende morgen vroeg vanuit Gorinchem naar Amsterdam. Ze had geleerd om zo gewoon mogelijk te doen. Als ze een bange o f verlegen indruk zou maken, zou ze juist extra opvallen bij de Duitsers.’

‘Rietje kwam na een lange reis in Amsterdam’, vervolgt de bejaarde dame, ‘en zag borden met de tekst “Joodsche Wijk” en vond de Weesperstraat. Ze belde aan, maar schrok toen er niet werd opengedaan. Was ze bij het verkeerde adres? Nee, hier moest ze zijn. Ze belde opnieuw aan. Toen ze daarna een paar stappen achteruit deed, zag ze een paar angstige hoofden boven uit het raam. Gelukkig werd ze herkend en even later stond ze binnen. “Sorry dat we niet gelijk opendeden, maar we herkenden dit belletje niet. We waren bang dat er mensen met verkeerde bedoelingen voor de deur stonden.”

Rietje knikte begrijpend. De angst die deze familie had, was heel begrijpelijk. Terwijl er een glas drinken voor haar werd neergezet, keek ze de kamer rond. In een hoek van de kamer pakte de moeder haar baby uit het wiegje en knuffelde het meisje. Rietje kreeg tranen in haar ogen toen ze zag hoe de baby van hand tot hand ging en overstelpt werd met zoenen. “Willen jullie ook mee naar Gorinchem?” stelde ze voor. “Voor jullie is er vast ook wel een onderduikplaats te vinden.” Even leek de moeder te twijfelen, maar toen schudde ze haar hoofd. “Dat is te gevaarlijk. We willen dat ons dochtertje in veiligheid wordt gebracht. Het zal toch niet voor altijd zijn”, merkte ze met trillende stem op. “Mag ik Marion nog één keertje vasthouden voor je haar meeneemt?” Rietje las de spanning en het verdriet op de gezichten. Wat was het moeilijk voor deze mensen om afscheid te nemen van hun dochtertje.

Terwijl de moeder haar dochtertje in de kinderwagen legde, vroeg ze: “Je zorgt toch wel goed voor haar?”’ Toen Rietje met de kinderwagen de straat uitliep, keek ze niet om. Toch wist ze zeker dat ze werd nagekeken door de vader en moeder van het meisje. Wat een ongelooflijk dappere daad was dit van deze mensen. Ze gaven liever hun dochter mee aan een meisje van zeventien jaar dat zij amper kenden, dan de kans te lopen dat ze in handen van de Duitsers viel.

Rietje voelde de enorme verantwoordelijkheid, niet alleen voor de baby, maar ook voor de ouders van het meisje. Hopelijk zouden de ouders hun kind binnenkort weer in de armen kunnen sluiten.’

D ikke tranen

Mevrouw Schoenmaker kucht even en neemt opnieuw een slok water. Als ik de klas rondkijk, zit iedereen voorovergebogen om maar niks te missen van het verhaal dat met een zachte stem wordt verteld.

‘De reis van Amsterdam naar Gorinchem was voor Rietje niet gemakkelijk’, gaat mevrouw Schoenmaker verder. ‘Ik merkte daar natuurlijk niets van. De trein ging niet verder dan Utrecht en met de taxi kwamen we tot tien kilometer buiten de stad. Rietje overnachtte met mij in een hotel, waarin ook Duitse soldaten zaten. Rietje praatte met de gasten, maar verloor mij intussen geen moment uit het oog.’ ‘En ik Mevrouw Schoenmaker glimlacht even. ‘Van Rietje heb ik begrepen dat ik me de hele tijd heel stilhield. Alsof ik aanvoelde hoe spannend het was.

Pas de volgende morgen kwamen we veilig in Gorinchem aan. Rietje vertelde jaren later dat ze dat moment nooit zal vergeten: Ik lag stil in de box, maar er rolden twee dikke tranen over mijn wangen. Een dokter legde later uit dat ik als baby de angst en spanning van mijn familie moet hebben gevoeld. Lang heb ik niet bij Rietje en haar familie gewoond, omdat dit gezin een belangrijke plaats innam in het verzet tegen de Duitsers. Het was daar voor mij, een Jodenmeisje, te gevaarlijk. Via allerlei contacten kwam ik uiteindelijk terecht bij het echtpaar Van ’t Riet in Naaldwijk dat geen kinderen had. Ze gaven mij een andere naam: vanaf dat moment heette ik Arry van ’t Riet.

Deze ouders hebben mij opgevoed alsof ik hun eigen kind was. Maar veel mensen in het dorp wisten dat dit niet zo was. Toen ik vijf jaar was, liep ik in de Molenstraat bij bakker Van Zwieten. Daar zei een vrouw: “Kijk, daar gaat die vrouw met dat Jodenmeisje.” Het was voor mij als een blikseminslag. Maar ik vroeg niets en moeder Van ’t Riet vertelde niets.

Ook herinner ik me nog een bijzonder voorval op school. Medewerkers van de Boerenleenbank, de tegenwoordige Rabobank, kwamen het spaargeld in een boekje schrijven. Een voor een werden de namen van mijn klasgenoten genoemd, totdat klonk: “Marion van Straten”. Ik begreep gelijk dat de man mij bedoelde en stond op. Later, toen meneer en mevrouw Van ’t Riet een keer niet thuis waren, heb ik in hun trouwboekje gekeken. Daar stond mijn naam niet in en ik begreep dat ik niet hun echte dochter was. Zo ben ik als Joods meisje in dit christelijke gezin opgegroeid en ze behandelden mij als hun eigen kind.

Toen ik twaalf jaar werd, kreeg ik van een huisgenoot een Davidssterretje. Ik voelde gelijk dat dit bij me hoorde.

Waarom hebben meneer en mevrouw Van ’t Riet nooit verteld dat ik niet hun biologische dochter ben? Het antwoord dat ik na vele jaren kreeg was: “We hielden zo veel van je en waren bang om je kwijt te raken.” Op achttienjarige leeftijd trouwde ik in de Gereformeerde Kerk en vanaf dat moment heette ik Marion Schoenmaker. We kregen vier kinderen.

Pas heel veel later ben ik naar Sobibor gegaan, waar mijn biologische ouders in het concentratiekamp zijn overleden. Ik liep om de asheuvel heen. Dat was het enige wat ik nog voor hen kon doen. Het voelde voor mij alsof ik heel dicht bij hen was.’

Taak

Stil staart mevrouw Schoenmaker na deze laatste zin voor zich uit. Veegt ze een traan uit een ooghoek? Nog altijd is ze ontroerd door de liefde van de twee ouders die, door haar weg te geven, haar leven spaarden. Maar ook is ze ontroerd dat twee mensen haar als baby in huis namen en als een dochter voor haar hebben gezorgd.

Zelden is het zo lang stil geweest in mijn klas. Het verhaal heeft diepe indruk gemaakt, dat is duidelijk. Uiteindelijk gaat er achteraan in de klas een vinger omhoog. ‘Mevrouw?’ Mevrouw Schoenmaker kijkt op en knikt. ‘Bent u uw hele leven verdrietig geweest, omdat u uw eigen ouders nooit hebt gekend?’

‘Nee.’ Mevrouw Schoenmaker schudt beslist haar hoofd. ‘Ik heb een gelukkige jeugd gehad, maar ik was geen vrolijk kind. Ik voelde me vaak eenzaam. Als vriendinnetjes kwamen, was ik blij dat ze weer weggingen. Dan kon ik naar mijn kamertje. Ondanks alles was ik toch eenzaam en zo leef ik nog.

Waarom kan ik niet blijer zijn? Het is zo dubbel: ik heb mijn kinderen en kleinkinderen en daar ben ik heel blij om, maar dan overheerst toch weer verdriet en machteloosheid. Vaak heb ik gedacht, waarom ben ik niet óók vergast? Wat is mijn taak? Soms gaat het goed en dan ineens kan ik me vreselijk eenzaam voelen.’

Een tweede vinger gaat omhoog. ‘Ik wil niets vragen, maar mag ik ook iets zeggen?’

Mevrouw Schoenmaker knikt vriendelijk. ‘Natuurlijk mag dat.’ ‘Wat er met u is gebeurd, lijkt een klein beetje op het verhaal van de Heere Jezus.’

Mevrouw Schoenmaker is even verrast door deze opmerking en kijkt naar mij.

‘Probeer dat eens uit te leggen’, nodig ik mijn leerling uit. ‘Het is hetzelfde ...’ Hij denkt even na. ‘En toch anders. Met het Kerstfeest gaf God Zijn Zoon aan de wereld, om iedereen die in Hem gelooft te redden. De ouders van mevrouw Schoenmaker gaven hun dochter weg om haar te redden.’

Ik knik naar hem. ‘Je hebt helemaal gelijk: weggegeven om te redden. Deze ouders gaven hun kind weg om haar te redden, God gaf Zijn Zoon om anderen te redden. Het is hetzelfde en toch anders. Maar het is allebei een onbegrijpelijke daad van liefde.’

Dit verhaal is echt gebeurd. Elk schooljaar, vóór 4 en 5 mei, komt mevrouw Schoenmaker namens de stichting Herinneringscentrum Kamp Westerbork haar levensverhaal vertellen aan groep 8. Dit verhaal is een verkorte weergave van de gastlessen die ik al vele keren heb meegemaakt en waarin haar verhaal me elke keer opnieuw raakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2019

De Reformatorische School | 48 Pagina's

Weggegeven om te redden

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2019

De Reformatorische School | 48 Pagina's

PDF Bekijken