Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘En zo ben ik aan ’t eind gesukkeld’

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘En zo ben ik aan ’t eind gesukkeld’

8 minuten leestijd

Kleijn had diverse kleine geschriften op zijn naam staan. We hebben al genoemd ”Een overdenking over den toestand van Land en Kerk”, alsmede de brochure met als titel de vraag: ”Hoe kunnen de zonden van Gods volk als paarlen gehecht worden aan de kroon der verdiensten Christi?”

Maar de bekendste uitgave is toch wel geworden ”Onderscheidene gangen des geestelijken levens van des Heeren volk, voorgesteld in de vijf zalen van Bethesda” (1931). De laatste druk (de zevende) is van 2012. Het boek bevat overdenkingen naar aan-leiding van Johannes 5:2: ‘En er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen’.

De schrijver verstaat onder het badwater Gods Woord en in de vijf zalen ziet hij het zaligmakend geloofsleven: de zondaar komt achtereenvolgens in de gewondenzaal, de zaal des gerichts, de bruiloftszaal, de operatiezaal en tot slot in de zaal van onverbeterlijk. De verst geoefende komt dus op z’n best in de zaal van onverbeterlijk terecht.

Hier een citaat uit het laatste gedeelte: ‘Ik ben oud en versleten en heb mijn ontslag gekregen en ben er niet in geslaagd om een diploma te krijgen. Dan was ik te wijs, dan weer te dom, nu eens haastig, later weer te langzaam. Dan bond ik de bindselen te vast en dan hadden de patiënten te veel last er van, dan bond ik ze weer te los en dan werkte het ook verkeerd. Als ik zelf ziek was en de pijn voelde van mijn eigen ellende, dan ging het goed. Maar ik moest het meest doen met mijn weinige kennis en gaven. Dan waren meestentijds de pati- ënten en ik zelf er niet best mee. En zo ben ik aan ’t eind gesukkeld na in al de vijf zalen een kleine en geringe hulp verleend te hebben. Ja, ik zou zo zeggen: ze hadden mij beter kunnen missen dan rijk wezen. Zover ik weet ben ik maar voor enkelen tot steun en moedgeving geweest. En nu ben ik in een barak voor besmettelijke ziekten terecht gekomen. De heiligmaking gaat over de smet en de kwelling van de zonden. En ik zie geen andere weg of ik zal hier mijn leven in moeten eindigen’.

Levenseinde

Dit einde van zijn leven kwam voor Kleijn na een periode van ziekte op 15 november 1949. Hij werd bijna 80 jaar. Zijn levenseinde was niet gemakkelijk. Het was vaak donker in geestelijke zin. Overal heeft de Heere Zijn wijze bedoelingen mee. En Hij werkt op Zijn eigen eer aan. Maar we mogen van harte geloven dat Pleun Kleijn nu mag behoren tot die Kerk die de Koning der koningen zal toebrengen de lof, de eer en de dankzegging tot in der eeuwigheid. Iemand zei na het sterven van Pleun: ‘Hij is afgereisd uit de Sionstraat naar de Sionstad’.

Op vrijdag 18 november 1949 werd Kleijn begraven op de Algemene Begraafplaats Crooswijk. Vooraf werd in de Zendingskapel aan de Gerard Scholtenstraat 128 een rouwdienst gehouden, waarin voorging zijn vriend ds. W.H. Blaak. Deze sprak over een geheiligde wetenschap naar aanleiding van 2 Korinthe 5:1: ‘Want wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen’.

Aan het graf sprak behalve ds. Blaak ook nog een boezemvriend, de heer C. van der Hoeven, ouderling in de Oud Gereformeerde Gemeente te Nieuw-Beijerland en wonende aan de Sluisjesdijk in Piershil, in de volksmond meestal aangeduid als Kees Kraak De vrouw van Pleun, Willempje de Jong, overleed op 9 april 1961 te Rotterdam.

Gereinigd en verzoend

We begonnen deze artikelen met een citaat uit de brief van Kleijn over de toestand van land en kerk. Met een ander citaat uit deze brief gaan we besluiten: ‘En nu, mijn brief is wat lang geworden. Waar zouden wij eindigen? Mochten wij eens met Ledeboer leren bidden: Leer ons eens vergeten, dat wij bekeerd zijn. Dat een ieder onzer in zijn eigen gangen eens een zaligmakend schuldbesef mocht geschonken worden, om onze verstandhouding tussen de Heere en onze zielen recht te kennen, om onder verootmoediging onze eigen zonden te kennen en te bewenen. Dan zullen wij een kastijdend God liefkrijgen en daarmede tot Hem gebracht worden, om door Hem gereinigd, verzoend en geheiligd te worden.’

(slot)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 2020

De Saambinder | 20 Pagina's

‘En zo ben ik aan ’t eind gesukkeld’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 2020

De Saambinder | 20 Pagina's

PDF Bekijken