Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vrije genade

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vrije genade

9 minuten leestijd

Door Marcions ketterij leerde de kerk het Oude Testament beter verstaan. Door de dwalingen van Arius kreeg de kerk een rijker zicht op de Drieeenheid en de leer van Christus.

Pelagius zorgde ervoor dat men in de Vroege Kerk tot een dieper verstaan van de genade kwam. Met dit diepere verstaan van de genade is onlosmakelijk de naam van Augustinus verbonden. Toch was het niet zo dat vóór Augustinus de genadeleer geheel onbe- kend was. Ootmoed of nederigheid was ook lang voor Augustinus een belangrijke christelijke deugd.

Pelagius wilde met deze gedachtegang breken. In 384 kwam hij in Rome en oefen- de daar grote invloed uit op christenen uit de aristocratie. Hij leerde een radicale levensheiliging, gebaseerd op de vrije wil. Het heilig kunnen leven was door God bij de schepping gegeven, maar het willen was een daad van de mens. Pelagius ge- loofde in een goede schepping, die door de zondeval niet was aangetast. Adam gaf het slechte voorbeeld, maar Christus is het goede Voorbeeld. Genade is voor Pelagius vooral de scheppingsgave van een vrije wil, die door God steeds in stand wordt gehouden.

Gebed

De strijd met Pelagius heeft veel te maken met het gebed. Wie zelf veel kan, heeft weinig van God nodig. In één van zijn brieven geeft Pelagius een voorbeeld van een goed gebed: ‘[De heilige] steekt met recht zijn handen op naar God; hij stort zijn smeekbeden uit met een goed geweten dat kan zeggen: ‘Gij weet, Heere, hoe heilig, hoe onschuldig, hoe rein van alle bedrog, onrecht en roof de handen zijn die ik tot U uitspreid; hoe rechtvaardig, hoe vlekke- loos en vrij van alle leugen de lippen zijn waarmee ik mijn gebeden voor U uitstort, opdat Gij medelijden met mij zult hebben”’ (geciteerd in Hieronymus, ”Tegen de pela- gianen”, III.14).

Wat direct opvalt in dit gebed is het ontbreken van schuldbesef. Het gebed richt zich niet op genade, maar slechts op medelijden. Er is wel gezegd dat voor Pelagius het gebed niet meer is dan een innerlijke reflectie op de geboden en het voorbeeld van Christus.

Het verbaast niet dat de kerkvader Hieronymus dit gebed vergelijkt met het ge- bed van de farizeeër uit de gelijkenis (Luk. 18:11). Hij acht de leer van Pelagius zeer schadelijk voor de gebedspraktijk. Verwij- zend naar de Psalmen betoogt hij dat de heiligen zich in alles van God afhankelijk wisten. Jakob bad in Bethel niet of God zijn vrije wil in stand wilde houden, maar of Hij hem in alles wilde bijstaan (”Tegen de pelagianen”, III.8).

Een van de eerste contacten tussen Pe- lagius en Augustinus vond plaats voor de pelagiaanse strijd uitbrak. Toen een bisschop - in het bijzijn van Pelagius - Au- gustinus’ gebed aanhaalde: ‘Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt’ (”Belijdenis- sen”, X.29.40), raakte Pelagius geïrriteerd en maakte bezwaar tegen deze uitdruk- king (zie ”Over de gave van de volharding”, XX.53). Dit paste niet bij de manier waarop Pelagius meende dat er gebeden moest worden.

Verstrekkende gevolgen

Augustinus zag scherp in welke verstrek- kende gevolgen Pelagius’ denken voor de gebedspraktijk had. Deze bede, waarover Pelagius gevallen was, werd in Augustinus’ anti-pelagiaanse geschriften een steeds terugkerend thema. Wat God eist, is geen aanduiding voor ons kunnen, maar wijst de weg voor ons gebed. ‘Maar hierom be- veelt Hij iets wat wij niet kunnen, opdat wij zouden weten wat wij van Hem behoren te vragen. Dit is nu het geloof, dat biddend verkrijgt wat de wet eist’ (”Over de genade en de vrije wilskeuze”, XVI.32).

Ook in de verdediging van de vrije genade gebruikte Augustinus het gebed. Het ver- wijt van tegenstanders was dat zijn leer zo nieuw was. Augustinus wees echter naar het feit dat de kerk al eeuwen, naar het woord van de Zaligmaker (Matth. 5:44), bidt voor haar vijanden: ‘De kerk zou zeker niet bidden dat aan de ongelovigen het geloof geschonken zou worden, als ze niet geloofde dat God én de afgekeerde én de toegekeerde wil van de mensen naar Zich keert’ (”Over de gave van de volharding”, XXIII.63). De leer van vrije genade is voor Augustinus geen hindernis voor het gebed, maar juist de grond ervan.

Augustinus wist ook dat de leer van vrije genade misbruikt kon worden. Het slot van zijn boek ”Over de gave van de volharding” is gericht op het voorkomen daarvan. Vóór alles wil Augustinus verhinderen dat mensen gaan wanhopen en denken dat ze verworpen zijn: men moet de hoop op God vestigen en niet op zichzelf.

Genade is voor Augustinus nooit zonder uitwerking. Dit wordt puntig samengevat met de woorden: acti agimus, , ‘bewogen zijnde, bewegen wij’. Gods genade is het eerst, maar maakt dat een zondaar zelf ook werkzaam wordt. Deze gedachtegang heeft later ook een plaats gekregen in onze belijdenis (DL. 3-4.12).

Wonderlijk zijn Gods wegen. Eerst leerde God Zijn Kerk bidden om genade. Daarna leerde Hij haar wat vrije genade inhoudt. Daarin liggen lessen, ook vandaag.

(slot)


J.N. Mouthaan, Veenendaal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 15 October 2020

De Saambinder | 20 Pagina's

Vrije genade

Bekijk de hele uitgave van Thursday 15 October 2020

De Saambinder | 20 Pagina's

PDF Bekijken