Bekijk het origineel

Rechtzinnigen en modernen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Rechtzinnigen en modernen

Families dienen Nederland – Hugenholtz

16 minuten leestijd

In vele tientallen gemeenten komt op het bord met de namen van de predikanten een dominee Hugenholtz voor. Geen wonder, want ruim twintig dragers van deze naam zijn predikant geweest. Ik weet van geen andere familie waarin het ambt zo dikwijls van vader op zoon is overgegaan.

Predikanten met deze naam stonden zowel in het nog altijd kleine Cillaarshoek als in Amsterdam, waar lange tijd de grootste hervormde gemeente ter wereld te vinden was.

Bentheim

Het begon met Friedrich Wilhelm Hugenholtz, die van 1693 tot 1730 leefde. Hij was volgens ‘het Blauwe Boekje’ (Nederland’s Patriciaat) de zoon van Petrus Bernardus Hugenholtz, die als leraar aan de Latijnse school van Wetter aan de Ruhr (Duitsland, graafschap Mark, dat sinds 1614 tot het keurvorstendom Brandenburg behoorde) verbonden was. Friedrich Wilhelm studeerde in Herborn, dat van 1584 tot 1817 een gereformeerde hogeschool bezat. Zijn tweede gemeente, waar hij op de leeftijd van 36 jaar overleed, was Schüttorf in het graafschap Bentheim.

Twee zoons van hem werden ook predikant. De oudste, Johann Bernhardt Diederich, bleef in het graafschap Bentheim; de jongste, Petrus Hermannus, studeerde in Groningen en werd predikant in Hoogblokland. De laatste gemeente die hij diende, was Delft. Beide broers hadden een zoon die ook predikant werd.

Van die twee werd er een, Henricus Stephanus, dominee in Genemuiden, om daarna toch weer naar het graafschap Bentheim terug te keren; de ander, Petrus Hermannus jr., bleef in Nederland, waar hij dominee was in achtereenvolgens Amerongen, Zoetermeer, Vlissingen en Utrecht. Uit die tak van de familie zijn de broers Philips Reinhardt (1821-1902) en Petrus Hermannus (1834-1911) voortgekomen. Zij hebben in de familie wel de meeste bekendheid gekregen.

Emeritus te Zeist

Dat juist die twee bekendheid kregen, vond ds.

Gerhard Willem Karel Hugenholtz (1889-1969), een verre verwant die als emeritus in Zeist woonde en die ik persoonlijk heb gekend, wel verdrietig. Die twee behoorden namelijk als predikant te Amsterdam tot de groep ‘modernen’, wilden in de Hervormde Kerk niet blijven, legden het ambt neer en stichtten in 1877 de Vrije Gemeente. Maar tegenover deze modernen die zoveel aandacht hebben gekregen, zei de emeritus in Zeist, staan de vele Hugenholtzen die als rechtzinnig predikant gedurende tweeënhalve eeuw de kerk hebben gediend. Overigens is ook aan hem (die in 1929 in Heidelberg aan het Joodse meisje Rosa Lehmkuhl zijn hart had verloren) en zijn vrouw een boek gewijd. In 2015 verscheen van de hand van hun kleindochter Rosita Steenbeek: Rose. Een familie in oorlogstijd.

Wim Kok

Deze emeritus had een oudere broer (Johannes Bernardus Theodorus, 1888-1973) van wie hij geestelijk sterk verschilde. Sinds zijn studie aan de Universiteit van Utrecht was ook deze broer de vrijzinnige richting opgegaan. Hij was predikant geworden in Vledder, daarna in Purmerend, waar hij het ambt neerlegde. In Den Haag werd hij verzekeringsagent en elektricien. Na drie jaar werd hij toch weer beroepen en wel door de gemeente in Ammerstol. Hij was een gedreven antimilitarist en pacifist. Hij ‘voelde zich thuis onder de ‘rode’ arbeidersbevolking en heeft samen met zijn vrouw veel betekend voor het religieuze, sociale en culturele leven in deze gemeente in de Krimpenerwaard’ (BWN, IV, 206). Zijn pastorie was het centrum van de beweging ‘Kerk en Vrede’. Toen op 28 september 1938 in het gezin van de overtuigde socialist, de timmerman W. Kok in Bergambacht, een jongetje was geboren, wilden de ouders wel dat het gedoopt zou worden. Maar waar? Niet in Bergambacht. Die gemeente was rechtzinnig. Het werd Ammerstol. In die vrijzinnige gemeente werd Wim Kok, de latere vakbondsleider en ministerpresident, door ds. J.B.Th. Hugenholtz gedoopt.

Twee gebroeders

Nu terug naar de twee Amsterdamse predikanten, Philip Reinhard (1821-1889) en Petrus Hermannus (1834-1911). De oudste werd geboren in Woudenberg, waar vader Petrus Hermannus sr. predikant was. Philip Reinhard werkte aanvankelijk mee aan het ethische tijdschrift Ernst en Vrede. Hij was een geleerd man. De Leidse Universiteit schonk hem (evenals aan de overigens niet aanwezige Charles Darwin) bij het derde eeuwfeest (1876) een eredoctoraat. Toen was al de omslag naar de vrijzinnige overtuiging gekomen. In 1864 had hij in de paasdienst vanaf de kansel van een van de Amsterdamse kerken verklaard niet (meer) te kunnen geloven aan de lichamelijke opstanding van Christus. Op 27 januari 1878 legde hij het ambt neer.

Zijn broer, die in 1868 ook predikant in Amsterdam was geworden, had in zijn eerste gemeente, Hoenderloo, al problemen gekregen. Hij was de tweede predikant van deze jonge gemeente, die zonder de inzet van de Reveilman ds. O.G. Heldring niet zou zijn ontstaan. Ook hij loochende openlijk de lichamelijke opstanding van Christus. Op Hervormingsdag 1877 deelde hij van de kansel van de Nieuwe kerk zijn voornemen mee: hij legde als predikant het ambt neer. Samen stichtten de broers een nieuwe gemeente. Tot hun spijt sloten zich de eerste tijd niet meer dan 150 leden bij haar aan. Er kwam een prachtig ‘kerkgebouw’ aan de Weteringschans. Het bood plaats aan 1500 ‘kerkgangers’. Tot bloei als ‘een landelijk, vernieuwend religieus leven’ is de Vrije Gemeente nooit gekomen. Het gebouw werd in 1965 afgestoten en staat nu bekend als Paradiso. De gemeente bestaat nog steeds als een religieuze, syncretistische vereniging, hoewel dat nooit naar de bedoeling van haar stichters was geweest.

Koopman

Een tijdgenoot van beide broers was hun familielid uit de oudste tak van het geslacht, ook een domineeszoon: Gerhard Willem Karel (1826-1893). Het ‘Blauwe Boekje’ vermeldt hem als ‘koopman’. Dat is maar gedeeltelijk juist. Deze jongeman studeerde theologie in Utrecht, maar weigerde de proponentsformule te ondertekenen. Nu kon hij in de Hervormde Kerk geen predikant worden. Hij voelde zich aangetrokken tot de Afgescheidenen en ging naar de pas opgerichte hogeschool in Kampen. Daar strandde hij. Nu richtte hij zich tot de kruisgemeenten. Ook daar liep hij vast. Men achtte hem ‘geheel ongeschikt, uit hoofde dat hem alle geestelijkheid ontbreekt’.

Hij bleef zoeken en kwam in aanraking met de merkwaardige kruisdominee Cornelis van den Oever, wiens assistent in Rotterdam hij werd. Na diverse botsingen ging hij met vrouw en kinderen naar Bentheim, werd handelsreiziger maar bleef toen hij weer in Nederland woonde in allerlei gemeenten ’s zondags preken.

Ook zijn enige zoon, Johannes Bernardus Theodorus, werd predikant. Hij stond in de hervormde gemeente van Kattendijke, daarna in Zuid-Beijerland. Zijn derde en laatste gemeente was Axel. Hij was de vader van de dominee die Wim Kok doopte en van de dominee die als emeritus in Zeist woonde.

Meisjes van naam

Het is in kort bestek onmogelijk andere leden van dit geslacht dat zo veel predikanten telde voor het voetlicht te halen. Nog wel het volgende. Veelal werd een huwelijk gesloten met een meisje uit vooraanstaande families als Luden, Van Rossem, Van der Pot, Scheidius, Voorhoeve, Blaauw, Bruinier, Santhagens, Waller, Van Hasselt, De Bordes. De broers die in 1878 het ambt neerlegden, hadden een dochter van de Rotterdamse burgemeester Hoffmann resp. van de Rotterdamse bankier Mees tot vrouw. Een deel van hun jonge jaren brachten zij immers in de Maasstad door. Daar diende hun vader de Rotterdamse hervormde gemeente van 1827 tot 1859. Hij was een van de weinige predikanten Hugenholtz van wie ik vond dat hij een dissertatie heeft geschreven. Hij promoveerde in 1821 tot doctor op een studie over Romeinen 6. Ruim veertig jaren lang was hij lid van het hoofdbestuur van het Nederlandsch Zendingsgenootschap. Nog lang heeft hij, ook in Rotterdam, de kuitbroek en steek gedragen. Vanwege zijn dunne benen werd hij wel schertsend ‘de waaghals’ genoemd’.

Hoe eerbiedig en vroom het in zijn gezin toeging, heeft de jongste van de twee zoons in zijn Indrukken en Herinneringen met weemoed beschreven. Hij verloor zijn vrouw, Catharina Christina van Affelen, bij de geboorte van hun tiende kind. Zij was toen 34 jaar. Een gedichtenbundel van haar is door haar man uitgeven.

Stille toewijding

Verreweg de meeste predikanten Hugenholtz zijn niet zo bekend geworden als de twee in het negentiende-eeuwse Amsterdam. De meesten zijn wellicht in stille toewijding en trouwe dienst hun weg gegaan. Op die weg zal het hun evenmin als aan iedere predikant en christen aan beproevingen niet hebben ontbroken. Zo moest bijvoorbeeld ds. Henricus de Haan Hugenholtz (1758-1824) ervaren dat hij in 1797 met vijftien Amsterdamse collega’s werd afgezet, omdat allen weigerden de eed van burgertrouw af te leggen.

Lang niet alle dragers van de naam Hugenholtz waren in de laatste drie eeuwen predikant. Een van dezen was Isaäc Theodorus ter Bruggen Hugenholtz (1801- 1871), marineofficier, lid van de Tweede Kamer, huisvriend van Thorbecke, die hem in 1849 in zijn kabinet als minister wilde opnemen. Maar koning Willem III verhinderde dit, om welke reden ook.

De emeritus in Zeist vond het moeilijk dat hij en zijn broer waarschijnlijk wel de laatsten van het geslacht waren die het ambt van predikant bekleedden. Een Hugenholtz is tegenwoordig doorgaans wel academicus, maar een predikant van die naam zullen de lezers (voorlopig?) niet meer ontmoeten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 2020

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Rechtzinnigen en modernen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 2020

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken