Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

1. Bondelken myrrhe

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

1. Bondelken myrrhe

Twee gedichten van Jacobus Revius rondom Christus’ geboorte

11 minuten leestijd

Van de zeventiende-eeuwse dichter Jacobus Revius is met name het gedicht HY DROECH ONSE SMERTEN, met de beginregel ’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U cruysten’, zeer bekend gebleven. Het komt als lied voor in de bundel ’Elk zing’ Zijn lof’, waardoor kinderen op onze scholen het nog steeds zingen.

Nu willen wij in twee artikelen ingaan op twee van Revius’ kerstgedichten, te weten BONDELKEN MYRRHE en KINDER-MOORT.

In dit eerste artikel zien wij dat de dichter mirre niet alleen beschrijft als een van de geschenken van de wijzen uit het oosten, maar ook in verband brengt met de kruisdood en begrafenis van Christus en zijn eigen geloofsleven.

Wie was Revius?

Jacobus Revius werd in 1586 als zoon van de burgemeester Ryck Reefsen in Deventer geboren. Reeds na enkele weken vluchtte het gezin naar Amsterdam, omdat de stad door Spaanse troepen werd ingenomen. Toen prins Maurits vier jaar later Deventer heroverde, bleef het gezin in Amsterdam wonen, van waaruit de jonge Revius theologie studeerde, eerst in Leiden en daarna in Franeker.

Na zijn studie was Revius eerst korte tijd predikant in Zeddam en Winterswijk, waarna hij meer dan twintig jaar in zijn geboortestad Deventer stond. Hij eindigde zijn loopbaan in dienst van de Leidse universiteit. Hij gaf daar colleges, maar was tevens regent van het Statencollege, een internaat voor studenten met een studiebeurs. Revius overleed in 1658 op de leeftijd van 72 jaar.

Bijzondere aanleg voor talen

Dat hij zijn studie niet in Leiden maar in Franeker afrondde, had te maken met zijn bijzondere belangstelling voor de oude oosterse talen, die daar op bekwame wijze werden gedoceerd. Ook de reis na zijn studie door Frankrijk stond in het teken van zijn liefde voor talen. Hij leerde er het werk van Franse dichters als Ronsard en Du Bartas kennen, van wie de invloed in Revius’ eigen dichtbundel Over-Ysselsche Sangen en Dichten duidelijk is terug te vinden in de beheersing van bepaalde dichtvormen en een indringend taalgebruik.

Op de Dordtse Synode bleef Revius’ talenkennis niet onopgemerkt, want toen men had besloten een nieuwe Bijbelvertaling te maken, benoemde men hem als revisor van het Oude Testament. Daardoor heeft hij een belangrijk aandeel in de totstandkoming van onze Statenvertaling gehad.

Dichter van de Nadere Reformatie?

Toch schreef Revius andere gedichten dan onder ons bekend gebleven dichters als Jodocus van Lodenstein en Philippus van Sorgen. Deze gezelschapsdichters vertolkten met gebruikmaking van de tale Kanaäns verschillende standen in het geestelijk leven en bestraften allerlei volkszonden. Die typische kenmerken van de Nadere Reformatie komt men bij Revius niet tegen, want hoewel hij een orthodox contra-remonstrants theoloog was, wilde hij in kunstzinnig opzicht toch midden in de cultuur van zijn tijd staan. Zo maakte hij in Deventer als predikant deel uit van het collegium musicum en beschreef hij in het Latijn de historie van zijn geboortestad.

Daarmee waren zijn gedichten echter niet minder Bijbels. Zij geven blijk van een nauwkeurig verstaan van de Schrift en in veel gevallen ook van een oprechte liefde tot Christus. In dit gedicht is dat eveneens het geval.

De inhoud van het gedicht

In de eerste strofe lezen we hoe Jezus zonder enige luister of kleren vol edelstenen in de kribbe lag, maar dat Hem als Koning toch eerbiedig welriekende mirre werd geschonken.

In de tweede strofe verhaalt de dichter dat Jezus aan het kruis om zijnentwil met bitterheid werd gevoed, het droevige gelag (de dure losprijs) betaalde, in diepe ellende wegzonk en met mirre gemengde wijn moest drinken.

De derde strofe tekent hoe Jezus in het graf lag met een lichaam vol striemen en wonden en omwikkeld met mirre om Hem voor bederf te bewaren.

De laatste strofe vertolkt de begeerte van de dichter om van deze drie struikjes mirre één bundeltje te maken en dat op zijn hart te bewaren. Ja zelfs ín zijn hart, tot troost van hemzelf en als blijk van eer en dank tot zijn Liefste.

Het gedicht en de kanttekeningen

Wie boven het gedicht de titel ’Bondelken myrrhe’ leest, zal al gauw aan Hooglied 1:13 denken, waar staat: Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht. En terecht, want de kanttekeningen van de Statenbijbel bij die tekst vormen als het ware de sleutel tot het gedicht van Revius. Daar lezen we dat de gedachtenis van Christus’ liefde die Hij in Zijn bitter lijden betoonde, een liefelijk tuiltje of ruikertje mirre is om het hart te verkwikken. Tevens dat mirre gemengd met wijn mede een liefelijke drank is om het hart te versterken. Daarnaast, met verwijzing naar Joh. 19:39, dat mirre gebruikt werd om dode lichamen te balsemen. En tenslotte, met verwijzing naar Matth. 2:11, dat het een edel kruid is, waardig om koningen als een present te schenken. Dat het tussen de borsten wordt bewaard wil zeggen dat de Kerk de gedachtenis van haar Bruidegom steeds wil behouden, inzonderheid gedurende de duistere nacht van vervolging en benauwdheid.

Conclusie

Uit het feit dat in de kanttekeningen de bouwstenen van het gedicht exact zijn terug te vinden, blijkt dat in de persoon van Revius de dichter en de revisor van de Statenvertaling nauw samengingen. Beide activiteiten verrichtte hij in dezelfde tijd, want de dichtbundel verscheen in 1636 en de Statenbijbel in 1637.

In één opzicht legde Revius evenwel een eigen accent. De kanttekeningen verwijzen ten aanzien van de Bruid uit het Hooglied steevast naar de nieuwtestamentische Kerk als geheel, terwijl Revius het lijden van Christus heel persoonlijk als een bron van troost in zijn eigen geloofsleven ervaart. Hierin sloot hij toch weer aan bij de nadere reformatoren, want deze lieten zich in de uitleg van het Hooglied sterk inspireren door de preken van Bernardus van Clairvaux, die in de Bruid de ziel van de individuele gelovige zag. Revius combineerde deze benadering knap met de vorm van een sonnet, een dichtvorm waarin altijd sprake is van een inhoudelijke wending. In dit gedicht wordt deze gevormd door de persoonlijkbevindelijke reactie in de laatste strofe, waaruit een warm geloof en een liefde tot Christus spreekt.

Bondelken myrrhe

De myrrhe weert mijn Conink wiert geschoncken

Eerbiedich, doe hy inder cribben lach,

Hoewel aen hem geen luyster men en sach

Noch van gesteent’ sijn clederen en bloncken.

Den myrrhen-wijn mijn liefsten heeft gedroncken

Met bitterheyt gevoet den heelen dach

Doe hy betaeld’ het droevige gelach

In diepen druck om mijnentwil gesoncken.

In myrrhe groen mijn liefste was om-wonden

Doe in het graf, vol strepen en vol wonden,

Sijn lichaem lach bewaret voor den stanck.

Van dese myrr’ een tuylken van dry struycken

Ick op mijn hert, ja in mijn hert wil luycken

Mijn siel tot troost, mijn lief tot eer en danck.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2019

De Wachter Sions | 12 Pagina's

1. Bondelken myrrhe

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2019

De Wachter Sions | 12 Pagina's

PDF Bekijken